Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ8018

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-09-2009
Datum publicatie
18-09-2009
Zaaknummer
200.024.005/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BO9841, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BO9841
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderhoudsplicht biologische en/of juridische vader van door seksueel misbruik verwekt kind. Wettelijk stelsel (doorbreking). Family life, 8 EVRM, Redelijkheid en billijkheid.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 394
Burgerlijk Wetboek Boek 1 403
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2009, 137
JIN 2009/786
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 10 september 2009

Zaaknummer 200.024.005/01

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[de vrouw],

wonende te Nieuweschans,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.J. Veenstra, kantoorhoudende te Drachten,

tegen

[de man],

wonende te Assen, thans verblijvende te Veenhuizen,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M. Wierts, kantoorhoudende te Groningen,

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 21 oktober 2008 heeft de rechtbank Groningen het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen tot betaling van € 250,-- per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [minderjarige 1] geboren te Groningen op 18 juni 2000 (hierna ook wel genoemd: [minderjarige 1]) en [minderjarige 2], geboren te Winschoten op 7 juni 2002 (hierna ook wel genoemd: [minderjarige 2]), met ingang van 24 juni 2002, dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag en ingangsdatum, afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 15 januari 2009, heeft de vrouw het hof verzocht om de beschikking van 21 oktober 2008 te vernietigen en te bepalen dat de man met ingang van 24 juni 2002 aan haar dient te betalen een bedrag van

€ 250,-- per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], althans een door het hof te betalen bedrag met ingang van een door het hof te bepalen datum.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 17 maart 2009, heeft de man het verzoek bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de vrouw in haar verzoek dan wel afwijzing van het verzoek dan wel te bepalen dat ten aanzien van [minderjarige 2] een vaderschapstest dient plaats te vinden en naar aanleiding van die test de kinderbijdrage naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vast te stellen.

Het hof heeft voorts kennis genomen van de brief met bijlagen van mr. Leentjes (kantoorgenoot van mr. Veenstra) van 30 juli 2009 en de brief met bijlagen van

mr. Wierts van 31 juli 2009.

Ter zitting van 11 augustus 2009 is de zaak behandeld. De vrouw heeft zich daarbij doen vertegenwoordigen door mr. A. Venema, kantoorgenote van mr. Veenstra. De man heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. Wierts.

De beoordeling

Feiten en achtergronden van het geding

1. Het hof gaat bij zijn beoordeling uit van de navolgende feiten en omstandigheden als zijnde niet in geschil dan wel onvoldoende weersproken. De vrouw, geboren op 28 april 1983, is van haar vijftiende tot haar achttiende jaar (en waarschijnlijk ook vóór haar vijftiende) stelselmatig seksueel misbruikt door de man (haar stiefvader) en door haar moeder, met wie zij destijds in gezinsverband samen leefde. Als gevolg van het seksueel misbruik is de vrouw zwanger geraakt van de man en is [minderjarige 1] geboren. [minderjarige 2] is twee jaar later geboren. Zowel de man als de moeder van de vrouw zijn voor het seksueel misbruik strafrechtelijk veroordeeld. Op 24 juni 2002 is de vrouw op aanraden van haar toenmalige vriend en huidige echtgenoot, [echtgenoot van de vrouw] (hierna: [echtgenoot van de vrouw]), de ouderlijke woning ontvlucht. [echtgenoot van de vrouw] heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op 31 oktober 2003 erkend. De vrouw oefent samen met [echtgenoot van de vrouw] het gezag uit over de minderjarigen. De vrouw en [echtgenoot van de vrouw] hebben inmiddels zelf ook een kindje gekregen.

2. De vrouw heeft bij verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank Groningen op 21 november 2007, het onderhavige alimentatieverzoek ingediend, dat bij de bestreden beschikking is afgewezen. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat de onderhoudsplicht van de man is vervallen door de erkenning van de minderjarigen door [echtgenoot van de vrouw] en voorts dat geen feiten of omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan de desbetreffende wettelijke regeling, met het oog op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), moet worden doorbroken.

De beoordeling

Het biologisch vaderschap ten aanzien van [minderjarige 2]

3. Door de man is aangegeven dat hij twijfelt over zijn biologisch vaderschap van [minderjarige 2]. Hij baseert dat op een opmerking van de vader van [echtgenoot van de vrouw] in diens verklaring in het strafrechtelijk onderzoek, inhoudende dat deze de baby op [echtgenoot van de vrouw] vond lijken.

4. Het hof acht - gelet op alle andere overgelegde verklaringen uit het strafdossier - deze enkele opmerking volstrekt onvoldoende om tot redelijke twijfel te komen over het biologische vaderschap van de man van [minderjarige 2]. Met name zijn eigen verklaringen in samenhang en in relatie met de overige verklaringen in het overgelegde procesverbaal maken dat het hof als onvoldoende weersproken uitgaat van het biologisch vaderschap van de man ten aanzien van [minderjarige 2]. Immers, deze verklaringen zijn in overeenstemming met de niet betwiste feiten over de woonplaats van de vrouw in het gezin van de man en het tijdstip van het begin van de relatie met [echtgenoot van de vrouw], zijnde nadat de vrouw al zwanger was van [minderjarige 2].

5. Het verzoek van de man tot een vaderschapsonderzoek ten aanzien van [minderjarige 2] zal dan ook worden afgewezen.

De onderhoudsverplichting van de man

6. Ambtshalve overweegt het hof dat de vrouw niet kan worden ontvangen in haar verzoek voor zover het betreft de periode van 24 juni 2002 tot 21 november 2002, omdat in artikel 1:403 BW is bepaald dat geen uitkering verschuldigd is over de tijd die op het tijdstip van indiening van het verzoek reeds meer dan vijf jaren is verstreken. Het gaat hier om een vervaltermijn. Het hof zal de vrouw in zoverre alsnog niet-ontvankelijk verklaren in haar alimentatieverzoek.

De periode van 21 november 2002 tot 31 oktober 2003

7. Los van het geschilpunt over de doorbreking van het wettelijk stelsel is komen vast te staan dat de erkenning door [echtgenoot van de vrouw] van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2003. De wettelijke onderhoudsplicht van de man als verwekker bestrijkt derhalve in ieder geval de periode van 21 november 2002 tot 31 oktober 2003. Aan het hof ligt dan ook voor of de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de beide kinderen veschuldigd is in deze periode.

8. Voor de vaststelling van een bijdrage van de man neemt het hof als uitgangspunt een netto-gezinsinkomen van € 2.600,-- per maand in het gezin waarin de vrouw met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verbleef, zoals dit ter zitting naar aanleiding van vragen van het hof hieromtrent duidelijk is geworden. Dit gezin bestond dus uit de man, de moeder van de vrouw, de vrouw en de kinderen. Ter terechtzitting is voorts gebleken dat de vrouw geen inkomsten had. Het hof zal hierom in redelijkheid een bedrag van € 400,-- per maand in mindering brengen op het netto-gezinsinkomen van € 2.600,--, zodat een bedrag van € 2.200,-- als relevant netto-gezinsinkomen resteert.

9. Uitgaande van de CBS-Nibud tabel (bijlage bij het Trema-rapport 2002) met betrekking tot het eigen aandeel in de kosten van kinderen, de leeftijd van de kinderen en het hiervoor vermelde gezinsinkomen van de man en de moeder van de vrouw in de periode kort vóór het vertrek van de vrouw en de minderjarigen uit de ouderlijke woning, is het hof van oordeel dat de behoefte van de minderjarigen in redelijkheid dient te worden bepaald op € 518,-- per maand voor beide kinderen, zijnde € 259,-- per kind per maand.

10. De man heeft aangevoerd dat er geen bijzondere reden is waarom hij, indien de alimentatie wordt vastgesteld, dit met terugwerkende kracht dient te voldoen. De vrouw is van mening dat zich, gezien de voorgeschiedenis, wel een bijzondere omstandigheid voordoet.

11. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:402 lid 1 BW is de rechter voor wat betreft de vaststelling van de ingangsdatum van de alimentatie in beginsel vrij. Het is gebruikelijk dat de onderhoudsbijdrage eerst ingaat op de datum waarop het inleidend verzoekschrift ter griffie van de rechtbank is ingediend. Bijzondere feiten en omstandigheden kunnen evenwel aanleiding geven om af te wijken van dat uitgangspunt.

12. Onder rechtsoverweging 1. heeft het hof de feiten en achtergronden van dit geding toegelicht. Uit deze feiten en omstandigheden trekt het hof de conclusie dat in dit geval sprake is van een bijzondere situatie, op grond waarvan het hof aanleiding ziet af te wijken van het gebruikelijke uitgangspunt. Dit betekent dat het hof als ingangsdatum voor het begin van de onderhoudsplicht 21 november 2002 zal vaststellen.

13. Gelet op alle omstandigheden van het geval acht het hof het redelijk om de voorziening in de hiervoor vastgestelde behoefte geheel voor rekening van de man te laten, met dien verstande dat de vrouw het verzoek heeft beperkt tot een bedrag van € 250,-- per kind per maand, te meer nu aannemelijk is dat de vrouw in die periode geen draagkracht had om in die behoefte te voorzien en de man niet inzichtelijk heeft gemaakt dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt om de behoefte voor zijn rekening te nemen. Het hof zal de schulden van de man in dit verband buiten beschouwing laten omdat niet is gebleken dat het om noodzakelijke schulden gaat die maken dat zij prevaleren op de onderhoudsplicht van de man jegens de minderjarigen.

De periode vanaf 31 oktober 2003

14. Ingevolge het wettelijk stelsel van afdeling 1 van titel 17 van Boek 1 BW heeft een wettig kind - afgezien van mogelijke aanspraken jegens een stiefouder - slechts jegens zijn wettige ouders aanspraak op voorziening in de kosten van zijn verzorging en opvoeding. Aan artikel 1:394 lid 1 BW kan het kind derhalve geen aanspraak jegens de biologische vader ontlenen, zolang het een ander tot wettige vader heeft.

15. De vrouw heeft gesteld dat in dit bijzondere geval het wettelijk stelsel moet worden doorbroken in die zin dat de man ook bij dient te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen na de erkenning van de minderjarigen op 31 oktober 2003 door [echtgenoot van de vrouw]. In de eerste plaats stelt de vrouw zich op het standpunt dat de redelijkheid en billijkheid zulks met zich brengen.

16. Het hof volgt de vrouw daarin niet. [echtgenoot van de vrouw] heeft door de erkenning van de minderjarigen niet alleen de rechten als vader verkregen maar heeft daarmee ook de bijbehorende (onderhouds)verplichtingen op zich genomen. Ook staan de redelijkheid en billijkheid er niet aan in de weg om [echtgenoot van de vrouw] als erkenner aan deze plichten te houden. Immers, [echtgenoot van de vrouw] was ten tijde van de erkenning er van op de hoogte dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn verwekt door het seksueel misbruik. De vrouw baseert haar stelling op de bijzondere omstandigheden van het geval waarbij het voor haar onverteerbaar is dat de man - gelet op de omstandigheden rondom de verwekking van de kinderen - niet hoeft bij te dragen in de kosten van de kinderen. Voorts acht zij deze omstandigheden bepalend voor haar angst dat de man de kinderen zou erkennen met alle bijbehorende rechten, waardoor er zonder veel kennis van de consequenties, tot erkenning van de kinderen door haar partner is overgegaan. Het hof begrijpt dat er bij de vrouw emoties zijn die tot deze standpunten leiden. Zij zijn echter onvoldoende om het wettelijk stelsel terzijde te stellen. De wetgever heeft een duidelijke keuze gemaakt, zodat voor een doorbreking van het wettelijk stelsel op grond van de redelijkheid en billijkheid geen plaats is. Ook ontslaan de bijzondere omstandigheden de vrouw en [echtgenoot van de vrouw] niet van de verplichting zich goed voor te laten lichten over de consequenties van het aanvaarden van het juridisch vaderschap.

17. Voor zover de vrouw stelt dat het wettelijk stelsel op grond van artikel 8 EVRM in dit geval moet worden doorbroken overweegt het hof als volgt.

18. In de jurisprudentie is aanvaard, dat indien tussen het kind en zijn biologische vader een als familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM aan te merken betrekking bestaat, onder omstandigheden uit dat artikel de positieve verplichting kan volgen om het kind - ondanks de onderhoudsverplichting van de juridische vader - een aanspraak op levensonderhoud jegens zijn biologische vader toe te kennen. Een zodanige doorbreking van het in de wet neergelegde stelsel moet met name worden aangenomen indien blijkt dat de wettige vader niet in staat is om in het levensonderhoud van het kind te voorzien of dat zulks op andere grond niet in rechte kan worden afgedwongen dan wel dat van de moeder redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat zij hem ter zake aanspreekt. Het hof verwijst naar een uitspraak van de Hoge Raad van 26 april 1996 (NJ 1997, 119).

19. Gelet op de stukken en hetgeen partijen over en weer naar voren hebben gebracht is naar het oordeel van het hof sprake van 'family life' in de zin van artikel

8 EVRM tussen de man en de beide minderjarigen. Naast het biologisch vaderschap acht het hof in het kader van dit 'family life' van belang dat de man na de geboorte nog enige tijd heeft samengeleefd met de minderjarigen en kennelijk ook de intentie had om het gezinsverband voort te zetten. Het hof merkt hierbij op dat geen der partijen heeft gesteld dat het 'family life' nadien op enig moment geheel is komen te vervallen, zodat het hof zich daarover niet zal uitlaten.

20. Het hof is echter van oordeel dat zich in dit geval geen feiten of omstandigheden voordoen die maken dat uit het door artikel 8 EVRM beschermde 'family life' de positieve verplichting voortvloeit die maakt dat de minderjarigen jegens de man aanspraak op alimentatie kunnen maken voor wat betreft de hier bedoelde periode. Immers, er is hier geen sprake van een situatie waarin niet in rechte de onderhoudsbijdrage voor de kinderen van [echtgenoot van de vrouw] kan worden afgedwongen, zoals bedoeld in voornoemde jurisprudentie van de Hoge Raad. Voorts is het hof met de rechtbank van oordeel dat van de vrouw in redelijkheid kan worden gevergd dat zij [echtgenoot van de vrouw] aanspreekt op zijn onderhoudsverplichting. Niet in geschil is dat [echtgenoot van de vrouw] wist van alle relevante omstandigheden rondom de verwekking van de kinderen, zodat er van uitgegaan mag worden dat hij deze bij de aanvaarding van het juridisch vaderschap heeft meegewogen en geaccepteerd. Voor wat betreft de draagkracht van [echtgenoot van de vrouw] is door de man weliswaar niet weersproken dat de draagkracht van [echtgenoot van de vrouw] en de vrouw niet geheel toereikend is om in de gehele behoefte van de minderjarigen te kunnen voorzien, maar het hof acht zulks gelet op alle omstandigheden van het geval onvoldoende om de hier bedoelde positieve verplichting aan te nemen.

De slotsom

21. Resumerend is het hof van oordeel dat de onderhoudsplicht van de man de periode bestrijkt van 21 november 2002 tot 31 oktober 2003, dat de door de man verschuldigde kinderbijdrage voor de minderjarigen in die periode gesteld moet worden op € 250,-- per kind per maand en dat geen plaats is voor een verdere doorbreking van het wettelijk stelsel.

22. Het voorgaande leidt het hof tot de volgende beslissing.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar alimentatieverzoek voor zover het betreft de periode van 24 juni 2002 tot 21 november 2002;

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [minderjarige 1] geboren te Groningen op 18 juni 2000 en [minderjarige 2], geboren te Winschoten op 7 juni 2002, op € 250,-- per kind per maand over de periode van 21 november 2002 tot 31 oktober 2003;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus gegeven door mrs. Garos, voorzitter, Makkinga en Jonkman, raden, en uitgesproken ter openbare terrechtzitting van dit hof van 10 september 2009, in bijzijn van de griffier.