Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ7879

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-09-2009
Datum publicatie
16-09-2009
Zaaknummer
200.013.448/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht het ziekenhuis gebonden aan een overeenkomst, waarbij haar wederpartij zich schuldig maakte aan agressieve advertentie-acquisitie, omdat haar medewerker niet vertegenwoordigingsbevoegd was.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 6
Burgerlijk Wetboek Boek 2 292
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 40
Burgerlijk Wetboek Boek 3 61
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2009, 816
JIN 2009/709
JIN 2009/762
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 15 september 2009

Zaaknummer 200.013.448/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.J. Gevers, kantoorhoudende te Assen,

tegen

Stichting Gelre Ziekenhuizen,

gevestigd te [plaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: SGZ,

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 28 november 2007 en 11 juni 2008 door de rechtbank Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 5 september 2008 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het vonnis van 11 juni 2008 met dagvaarding van SGZ tegen de zitting van 16 september 2008.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank Groningen 11 juni 2008 (gewezen onder zaaknummer: 97051 / HA ZA 07-819) te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van geïntimeerde alsnog af te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het geding in beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door SGZ verweer gevoerd met als conclusie:

"om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [appellant] af te wijzen, met veroordeling van [appellant] in de (proces)kosten van deze instantie."

Tenslotte heeft SGZ de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft vier grieven opgeworpen.

De beoordeling

De feiten

1. De rechtbank heeft in het vonnis van 11 juni 2008 onder 2 (2.1 tot en met 2.5) een aantal feiten als vaststaand aangemerkt. Daarover bestaat tussen partijen geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Aangevuld met andere relevante feiten die door de ene partij zijn gesteld en door de andere partij niet of niet voldoende zijn bestreden, staat in hoger beroep het volgende vast.

1.1. SGZ is een stichting die een ziekenhuis exploiteert op verschillende locaties in de provincie Gelderland. In het handelsregister was op 10 september 2007 opgenomen dat SGZ wordt vertegenwoordigd door de Raad van Bestuur in zijn geheel en dat vertegenwoordigingsbevoegdheid bovendien toekomt aan ieder lid van de Raad van Bestuur afzonderlijk. Als bestuurder waren op deze datum in het handelsregister opgenomen [namen bestuurders]

1.2. [appellant] drijft een onderneming, genaamd Eureka Media. Deze onderneming geeft een periodiek genaamd "Carrière Perspectief" uit. In verband met deze uitgifte werft [appellant] advertenties bij bedrijven, organisaties en instellingen.

1.3. [appellant] heeft contact gezocht met functionarissen van SGZ, [medewerker 1] respectievelijk [medewerker 2], die eerder als contactpersoon waren vermeld in door SGZ in diverse vaktijdschriften geplaatste personeelsadvertenties. [appellant] zocht contact met die functionarissen in weerwil van de door SGZ naar aanleiding van voorafgaande ervaringen bij die advertenties geplaatste tekst: "Acquisitie n.a.v. deze advertentie wordt niet op prijs gesteld". Aan genoemde functionarissen werd door [appellant] per fax een formulier toegezonden. Aan dat formulier was gehecht een kopie van de advertentietekst zoals deze in een vaktijdschrift reeds was geplaatst. Genoemd formulier vermeldde in het opschrift: Eureka Media, met nadere adresgegevens. Daaronder stond de volgende tekst:

"Opdrachtbevestiging voor:

Naam: Gelre Ziekenhuizen, t.a.v. (naam functionaris).

Betreft: Opname van uw advertentie in Carrière perspectief.

Geachte heer-mevrouw,

Volgend op ons telefonisch onderhoud, stuur ik u hierbij de plaatsingsovereenkomst voor de opname van uw advertentie(s) in onze eerstvolgende uitgave."

Het formulier vermeldde in aansluiting hierop nadere gegevens inzake procedure en gemaakte afspraken.

Telkens heeft een bij SGZ werkzame functionaris het formulier teruggefaxt, met zijn of haar handtekening onder de volgende tekst:

"Ondergetekende verklaart hierbij gemachtigd te zijn namens bovengenoemd bedrijf te tekenen en gaat d.m.v. zijn/haar handtekening akkoord met de plaatsing van de advertentie(s). De te plaatsen tekst kan overgenomen zijn uit andere media."

1.4. Na ontvangst van de opdrachtbevestigingen plaatste [appellant] de gekopieerde advertentie in "Carrière perspectief", inclusief de zinsnede "Acquisitie n.a.v. deze advertentie wordt niet op prijs gesteld." [appellant] verzond aan SGZ ter zake de navolgende facturen:

- d.d. 7 augustus 2006 ad € 9.448,60 (operatie-assistent);

- d.d. 22 september 2006 ad € 15.957,90 (operatie-assistent);

- d.d. 10 november 2006 ad € 21.182,-- (operatie-assistent);

- d.d. 18 december 2006 ad € 21.182,-- (operatie-assistent);

- d.d. 11 mei 2007 ad € 10.591,-- (apotheker-directeur).

Het totaalbedrag van deze facturen ad € 78.361,50 is door SGZ aan [appellant] voldaan.

1.5. Bij brief van 27 augustus 2007 heeft [betrokkene] namens SGZ [appellant] gesommeerd het bedrag van € 78.361,50 terug te storten aan SGZ; aan die sommatie heeft [appellant] geen gevolg gegeven.

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

2. SGZ vordert - na aanvulling van de gronden - een verklaring voor recht primair dat geen rechtsgeldige overeenkomsten tot stand zijn gekomen tussen haar en [appellant], subsidiair dat deze overeenkomsten vernietigbaar zijn op grond van bedrog, dwaling en/of misbruik van omstandigheden, meer subsidiair dat [appellant] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomsten en nog meer subsidiair dat [appellant] onrechtmatig ten opzichte van haar heeft gehandeld. SGZ vordert bovendien (terug)betaling van het bedrag van € 78.361,50 (hoofdsom) dat zij naar aanleiding van de door [appellant] aan haar verstuurde facturen heeft betaald.

3. De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis de primaire vordering van SGZ en de vordering tot betaling toegewezen. Hierbij heeft zij overwogen dat [appellant] handelde vanuit een laakbaar motief (zelfverrijking ten koste van anderen) en dat het doen van een aanbod om een advertentie te plaatsen in de gegeven omstandigheden als een rechtshandeling in strijd met de goede zeden moet worden aangemerkt en om die reden nietig is.

De beoordeling

4. Het hof ziet aanleiding om eerst grief IV te behandelen, waarin [appellant] opkomt tegen het oordeel van de rechtbank dat zijn aanbod tot het aangaan van de overeenkomst in strijd met de goede zeden is en om die reden als nietig moet worden aangemerkt.

5. Het hof neemt als uitgangspunt dat het door de rechtbank aangenomen laakbare motief van [appellant] aan de overeenkomst alleen dan een ongeoorloofd karakter kan verlenen en haar daardoor op grond van artikel 3:40 BW krachteloos kan maken, indien de onzedelijke bedoeling voor SGZ kenbaar was. Uit de stellingen van SGZ volgt nu juist dat deze bedoeling van [appellant] niet aan haar kenbaar was. Daarbij constateert het hof dat de bezwaren van SGZ in de eerste plaats de wijze van totstandkoming van de overeenkomst betreffen en niet de inhoud of strekking van de overeenkomst. Het hof neemt dan ook aan dat de overeenkomst niet onder het bereik van artikel 3:40 BW valt. De grief treft daarom doel.

6. Dit leidt er geenszins toe dat de vordering van SGZ niet toewijsbaar is. Vanwege proceseconomische redenen en op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep zal het hof nu eerst op de door SGZ in eerste instantie geponeerde stelling ingaan dat door het ondertekenen van de "opdrachtbevestiging" geen rechtsgeldige overeenkomsten tot stand zijn gekomen, omdat de personen die namens SGZ hebben getekend - [medewerker 1] respectievelijk [medewerker 2] - daartoe niet bevoegd zijn. Dit blijkt volgens SGZ uit het handelsregister, waarin is opgenomen dat alleen de met name genoemde bestuurders bevoegd zijn namens SGZ overeenkomsten aan te gaan.

7. [appellant] brengt hiertegen in dat de betreffende functionarissen wel bevoegd waren, althans dat hij tegen de eventuele handelingsonbevoegdheid van [medewerker 1] en [medewerker 2] beschermd wordt door het bepaalde in artikel 3:61 lid 2 BW.

8. Het hof overweegt dat [appellant] zich op grond van artikel 2:6 lid 4 BW niet kan beroepen op onbekendheid met een feit dat op de wet aangegeven wijze is openbaar gemaakt. Nu uit het uittreksel uit het handelsregister genoegzaam blijkt dat [medewerker 1] en [medewerker 2] niet bevoegd waren om de betreffende overeenkomsten namens SGZ te sluiten, kan [appellant] zich niet op de onbekendheid hiermee beroepen. Het hof neemt hierbij aan - nu niet anders is gesteld - dat de inschrijving in het handelsregister ten tijde van het (beweerdelijk) sluiten van de onderhavige overeenkomsten gelijkluidend was aan de inschrijving zoals die blijkt uit het door SGZ overgelegde uittreksel van 10 september 2007.

9. De vraag of er desondanks toch overeenkomsten tussen partijen tot stand zijn gekomen dient daarom aan de hand van artikel 3:61 lid 2 BW dat een regel geeft tot bescherming tegen afwezigheid van (voldoende) vertegenwoordigingsbevoegdheid, beoordeeld te worden. Uit de tekst van artikel 3:61 lid 2 BW kunnen drie voorwaarden worden afgeleid, waaraan moet zijn voldaan wil SGZ zijn gebonden:

* [appellant] heeft aangenomen dat er een toereikende volmacht was verleend;

* [appellant] mocht dit onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aannemen;

* deze aanname is gebaseerd op een verklaring of gedraging van SGZ (het wekken van de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid).

10. Bij de beoordeling van de vraag of SGZ aldus is gebonden acht het hof de volgende omstandigheden die niet, althans niet voldoende onderbouwd, door [appellant] zijn betwist, relevant:

- [appellant] heeft SGZ in alle gevallen ongevraagd en onaangekondigd benaderd;

- [appellant] heeft telkens een kopie van een in opdracht van SGZ reeds geplaatste advertentie ter goedkeuring aan de in die advertentie genoemde functionaris van SGZ voorgelegd;

- In de betreffende door [appellant] gekopieerde advertentie stond steeds vermeld "Acquisitie n.a.v. deze advertentie wordt niet op prijs gesteld".

11. In deze omstandigheden dienen hoge eisen te worden gesteld aan de totstandkoming van een overeenkomst. Daarbij mag in het bijzonder van de advertentieverkoper worden verlangd dat hij zich ervan vergewist of degene met wie hij probeert tot zaken te komen, bevoegd is om de betreffende advertentie-opdracht te verstrekken.

12. [appellant] stelt dat hij de betreffende personen, [medewerker 1] en [medewerker 2], telkens uitdrukkelijk heeft gevraagd of zij tot het sluiten van de betreffende overeenkomst bevoegd waren, hetgeen ook nog eens is opgenomen in de door hen voor akkoord getekende opdrachtbevestigingen. Het hof acht dit echter onvoldoende om aan te nemen dat [appellant] aan de hierboven bedoelde onderzoeksplicht heeft voldaan, omdat de bevestigende antwoorden van deze personen, wat daar ook van zij, niet gekwalificeerd kunnen worden als een verklaring of gedraging van SGZ (zie hierboven r.o. 9).

13. Feiten en omstandigheden die de conclusie kunnen wettigen dat SGZ de schijn heeft gewekt van vertegenwoordigingsbevoegdheid, op grond waarvan [appellant] redelijkerwijs mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, zijn niet althans in onvoldoende mate gesteld of gebleken. Het enkele gegeven dat een aantal facturen van [appellant] door SGZ is voldaan acht het hof in de gegeven omstandigheden ontoereikend om tot een ander oordeel te komen. Ten overvloede - nu daar geen beroep op is gedaan - overweegt het hof dat deze betaling, gelet op de omstandigheden van het geval, evenmin als een bekrachtiging door [appellant] mocht worden opgevat.

14. De grieven I, II en III werpen op het bovenstaande geen ander licht, omdat [appellant] hierin weliswaar opkomt tegen - kort gezegd - het afkeurende oordeel van de rechtbank over zijn werkwijze, maar de hierboven onder r.o. 10 weergegeven omstandigheden, waarop het hof zijn oordeel baseert, onbetwist laten. Omdat eventuele gegrondverklaring van deze grieven aldus niet tot een ander oordeel kan leiden laat het hof ze verder onbehandeld.

Slotsom

15. Het vonnis van de rechtbank zal onder verbetering van de gronden worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld (tarief IV, 1 punt).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van SGZ tot aan deze uitspraak op € 2.350,-- aan verschotten en € 1.631,-- (tarief IV, 1 punt) voor salaris procureur;

verklaart dit arrest voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Janse, voorzitter, Zandbergen en Tjallema, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 15 september 2009 in bijzijn van de griffier.