Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ7855

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-09-2009
Datum publicatie
16-09-2009
Zaaknummer
BK 194/08 WOZ
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of belanghebbende eigenaar en gebruiker is van zowel de woning als het botenhuis, in welk geval de objectafbakening onjuist is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/1445
FutD 2009-1998
NTFR 2009/2060 met annotatie van Mr. M.P. van der Burg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

kenmerk: 08/00194

uitspraakdatum: 11 september 2009

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, wonende te Z,

de belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met nummer AWB 08/359 van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) van 8 oktober 2008, in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Nijefurd,

de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De heffingsambtenaar heeft in één geschrift met het aanslagbiljet onroerende zaakbelastingen (hierna: OZB) de beschikkingen bekendgemaakt, waarbij hij ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de onroerende zaak gelegen aan de a-weg 4 te L (hierna: de woning) heeft vastgesteld op € 211.000 en de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de a-weg 4 Bedr (hierna: het botenhuis) heeft vastgesteld op € 171.000. De eigenarenbelasting OZB voor de woning bedraagt € 204 en voor het botenhuis € 331. De beschikkingen en de aanslagen OZB zijn gedagtekend 30 september 2007 en het biljet heeft als aanslagnummer: 00000.

1.2. Het tegen deze beschikkingen en aanslagen ingediende bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak van 3 januari 2008 ongegrond verklaard.

1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak van 8 oktober 2008, verzonden 10 oktober 2008, het beroep ongegrond verklaard. Aldaar is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.

1.4. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld. Het beroepschrift (met bijlagen) is bij het hof ingekomen op 7 november 2008. De heffingsambtenaar heeft op 30 december 2008 een verweerschrift ingediend.

1.5. Voorafgaande aan de zitting heeft belanghebbende een zogenaamd tiendagenstuk ingediend. Dit is in afschrift aan de heffingsambtenaar gezonden. Bij de heffingsambtenaar heeft het hof de Verordening op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelastingen 2007 (hierna: de Verordening) opgevraagd.

1.6. Ter zitting van 5 augustus 2009 heeft het hof het hoger beroep behandeld. Op de zitting is verschenen de heffingsambtenaar de heer A. Belanghebbende is met schriftelijke kennisgeving niet verschenen.

1.7. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak gelegen aan de a-weg 4 te L (hierna: de onroerende zaak). De onroerende zaak bestaat uit een woning en een botenhuis. De woning staat leeg. Het botenhuis beschikt over vier ligplaatsen. Deze ligplaatsen worden verhuurd. Belanghebbende ontvangt deze huur en draagt de daarover verschuldigde omzetbelasting af aan de fiscus. Belanghebbende betaalt zijn broer, die naast de onroerende zaak woont (a-weg 6), een beheersvergoeding van € 400 per jaar. Tot en met het jaar 2006 zijn de woning en het botenhuis steeds als één object aangemerkt en zijn de aanslagen OZB steeds opgelegd op basis van één eigenaar en één gebruiker.

2.2. Bij beschikking van 28 februari 2007 heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak (woning en botenhuis) vastgesteld op € 382.000. Hiervan heeft hij, in verband met het verschil in het belastingtarief OZB voor woningen en niet-woningen, een bedrag van € 171.000 toegerekend aan het botenhuis. Er is vervolgens een aanslag eigenarenbelasting OZB opgelegd van € 740 (tarief niet-woningen) en een aanslag gebruikersbelasting OZB van € 258. Belanghebbende heeft hiertegen met dagtekening 6 maart 2007 een bezwaarschrift ingediend, stellende dat van de totale waarde meer dan zeventig procent moet worden toegerekend aan de woning. In dat bezwaarschrift staat vermeld dat belanghebbende geen gebruiker is van het botenhuis.

2.3. Naar aanleiding van voornoemd bezwaar heeft de heffingsambtenaar - blijkens de uitspraak op bezwaar - een nader onderzoek ingesteld. Dit onderzoek bracht hem tot de conclusie dat belanghebbende geen gebruiker is van het botenhuis. De heffingsambtenaar heeft vervolgens bij uitspraak van 4 juli 2007 de onder 2.2 genoemde beschikking en aanslagen OZB vernietigd. Vervolgens heeft hij de onder 1.1 vermelde beschikkingen genomen en de daar vermelde aanslagen opgelegd. De gebruikersbelasting OZB van het botenhuis heeft de heffingsambtenaar opgelegd aan V.O.F. B, a-weg 6 te L (hierna: de vof).

2.4. Belanghebbende heeft ook tegen deze beschikkingen en aanslagen eigenarenbelasting OZB een bezwaarschrift ingediend. Daarin geeft hij aan het oneens te zijn met de uitspraak op bezwaar van 4 juli 2007. Hij verwijt de heffingsambtenaar dat niet is ingegaan op de essentie van zijn bezwaar. De heffingsambtenaar en de rechtbank hebben belanghebbendes bezwaar en beroep ongegrond verklaard.

2.5. De heffingsambtenaar heeft de waardevaststelling van de woning en het botenhuis met geen enkel bescheid onderbouwd of anderszins toegelicht.

3. Geschil

3.1. In geschil is of belanghebbende eigenaar en gebruiker is van zowel de woning als het botenhuis, in welk geval de objectafbakening onjuist is. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de heffingsambtenaar ontkennend. Indien het gelijk ten aanzien van dit geschilpunt aan de heffingsambtenaar is, is voorts de waarde van het botenhuis in geschil. Belanghebbende stelt dat deze minder bedraagt dan 30 procent van € 382.000. De heffingsambtenaar erkent dit niet als geschilpunt.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Oerwegingen omtrent het geschil

4.1. Ingevolge artikel 16, aanhef en onder d, van de Wet WOZ wordt voor de toepassing van wet als één onroerende zaak aangemerkt een samenstel van twee of meer gebouwde en ongebouwde eigendommen die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren.

4.2. Voor de beantwoording van de vraag of de woning en het botenhuis bij elkaar behoren in voormelde zin en dus één object vormen, moet worden uitgegaan van de feitelijke situatie. Daarbij merkt het hof op dat op de heffingsambtenaar de bewijslast rust van de juistheid van de objectafbakening. De heffingsambtenaar stelt daartoe dat belanghebbende zowel mondeling (telefonisch) als schriftelijk heeft aangegeven dat zijn broer de gebruiker is van het botenhuis. Verder heeft de heffingsambtenaar ter zitting van de rechtbank meegedeeld dat de taxateur heeft geconstateerd dat het botenhuis door een ander wordt gebruikt. Desgevraagd heeft de heffingsambtenaar dit ter zitting van het hof niet nader kunnen toelichten. Andere gronden voor de juistheid van de objectafbakening heeft de heffingsambtenaar niet aangevoerd.

4.3. Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift in hoger beroep het gebruik van het botenhuis door zijn broer ontkend. Hij heeft aangegeven dat hij zelf de gebruiker is, alhoewel van fysiek gebruik - in verband met het ontbreken van een eigen boot, naar het hof begrijpt - geen sprake is, en dat de gemeente tot 2007 ook altijd is uitgegaan van één gebruiker voor woning en botenhuis. De door de heffingsambtenaar in de uitspraak van 4 juli 2007 weergegeven inhoud van het telefoongesprek dat belanghebbende met de heffingsambtenaar heeft gehad, bestrijdt belanghebbende. Hij wijst op de feiten zoals vermeld onder 2.1.

4.4. Gelet op vorenoverwogene en de onder 2.1 vermelde feiten, is het hof van oordeel dat de heffingsambtenaar niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast van een juiste objectafbakening. Niet aannemelijk is geworden dat een broer van belanghebbende of de vof als verhuurder van de ligplaatsen moet worden aangemerkt. Nu bovendien omtrent de zelfstandigheid van onderdelen van het botenhuis niets is gesteld of gebleken, moet het er voor worden gehouden dat belanghebbende, als verhuurder van onzelfstandige delen van het botenhuis, gebruiker is van het botenhuis. Alsdan zijn de woning en het botenhuis ten onrechte aangemerkt als twee objecten. Het gelijk is aan de zijde van belanghebbende.

4.5. De omstandigheid dat belanghebbende in zijn bezwaarschrift tegen de oorspronkelijke beschikking zelf heeft aangegeven dat hij geen gebruiker is van het botenhuis, rechtvaardigt geen ander oordeel. Deze mededeling kan immers heel goed zien op het fysieke gebruik (zie 4.3 hiervoor).

4.6. Vorenstaande betekent dat het hof niet toekomt aan de vraag of de waarde van het botenhuis door de heffingsambtenaar op een juist bedrag is vastgesteld.

4.7. De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht nu van dergelijke kosten niet gebleken is.

6. Beslissing

Het gerechtshof

vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

vernietigt de beschikkingen en aanslagen OZB zoals vermeld op het aanslagbiljet met het nummer 00000;

gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende vergoedt het voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 39 en € 107.

Aldus vastgesteld door mr. G.M. van der Meer, voorzitter, mr.dr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en prof.mr. J.W. Zwemmer, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2009.

Afschrift aangetekend aan partijen verzonden op 16 september 2009

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.