Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ6447

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-08-2009
Datum publicatie
31-08-2009
Zaaknummer
24-002293-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak ter zake van poging tot doodslag, subsidiair poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Bewezen verklaard is: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, vernielen en beschadigen, meermalen gepleegd, alsmede bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Eén en ander heeft plaatsgevonden in het kader van onenigheid tussen de verdachte en het slachtoffer ten aanzien van de verblijfplaats van hun dochtertje.

Veroordeling van de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaar en met als bijzondere voorwaarde een verplicht hulpverleningscontact met de Reclassering. Tevens oplegging van een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002293-08

Parketnummer eerste aanleg: 18-652206-07

Arrest van 28 augustus 2009 van het gerechtshof Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van

4 september 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1975] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.S. Slinkman, advocaat te Hoogezand.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het hierboven genoemde vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot straffen, heeft beslist met betrekking tot het inbeslaggenomen voorwerp en heeft beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 14 augustus 2009, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van de feiten 1, 2 en 3 zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarde een verplicht reclasseringstoezicht, hetgeen ook kan inhouden dat de verdachte een behandeling zal volgen bij de Ambulante Forensische Psychiatrie Noord Nederland (hierna: AFPN).

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het in beslag genomen voorwerp zal verbeurd verklaren.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen geheel worden toegewezen en dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

Tenslotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof bij arrest de gevangenneming van de verdachte zal bevelen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 23 januari 2007, te [plaats], in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een of meer personen, te weten [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een door hem (verdachte) bestuurde auto, op de (voor)gevel van die door genoemde [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] bewoonde woning is ingereden, althans aangereden, zulks terwijl die [benadeelde 1] en/of die [benadeelde 2] en/of die [slachtoffer] zich in de woonkamer van die woning bevond(en), en/of (vervolgens) met een balk of plank, althans een stuk hek(werk), een of meer ruiten van de (voor)deur van die door genoemde [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] bewoonde woning heeft ingeslagen of stukgeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

hij op of omstreeks 23 januari 2007, te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk en wederrechtelijk een (tuin)hekwerk en/of een of meer ruiten van de (voor)deur en/of de(voor)tuin van perceel [adres], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3

hij op of omstreeks 23 januari 2007, te [plaats], in de gemeente [gemeente], een persoon, genaamd [benadeelde 2], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk met een balk of plank, althans een stuk hek(werk), een of meer ruiten van de (voor)deur, waarachter die [benadeelde 2] zich bevond (in een woning aan de [adres]), op gewelddadige en (be)dreigende wijze heeft ingeslagen of stukgeslagen en/of (daarbij) die [benadeelde 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je dood" en/of"Ik krijg je wel" en/of dat hij (verdachte) hem ([benadeelde 2]) dood ging maken en dat er nog meer mensen onderweg waren, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Vrijspraak

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde is het hof van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat verdachte door het inrijden op de pui van de woning om zich aldus toegang te verschaffen tot het pand, een aanmerkelijke kans op de dood respectievelijk zwaar lichamelijk letsel van de zich in het pand bevindende personen in het leven heeft geroepen. Reeds daarom kan het ten laste gelegde opzet niet worden bewezen, met als gevolg dat verdachte voor wat betreft dat onderdeel van het onder 1 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het resterende deel van de tenlastelegging, het inslaan van de ruiten van de voordeur, dient verdachte ook te worden vrijgesproken, nu het hof niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachtes opzet gericht was op de dood dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van de in de tenlastelegging genoemde personen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2

hij op 23 januari 2007, te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk en wederrechtelijk een tuinhekwerk en ruiten van de voordeur van perceel [adres], toebehorende aan [benadeelde 1], heeft vernield.

3

hij op 23 januari 2007, te [plaats], in de gemeente [gemeente], een persoon, genaamd [benadeelde 2], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk ruiten van de voordeur, waarachter die [benadeelde 2] zich bevond (in een woning aan de [adres]), op gewelddadige en (be)dreigende wijze ingeslagen en daarbij die [benadeelde 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je dood" en "Ik krijg je wel" en dat hij (verdachte) hem ([benadeelde 2]) dood ging maken en dat er nog meer mensen onderweg waren.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld het onder 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

feit 2-

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, vernielen en beschadigen, meermalen gepleegd.

feit 3-

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid

Omtrent de verdachte hebben R. Vriesema, psychiater en psychoanalyticus, en M.E. Hoogenraad, psycholoog, op respectievelijk 4 april 2008 en 8 mei 2008 pro justitia rapportage uitgebracht.

Beide deskundigen concluderen dat de aan verdachte ten laste gelegde feiten - indien bewezen - hem in licht verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Gelet op de inhoud van voornoemde rapportages kan het hof zich verenigen met voormelde conclusies en maakt die tot de zijne. Het hof is derhalve van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten de verdachte in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Nu ten opzichte van de verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht, acht het hof de verdachte strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de in hoger beroep op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op 23 januari 2007 schuldig gemaakt aan het vernielen van een tuinhekwerk en ruiten van de voordeur, toebehorende aan [benadeelde 1]. De verdachte heeft aldus inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van die [benadeelde 1] en heeft haar schade berokkend. De verdachte heeft zich daarnaast op 23 januari 2007 schuldig gemaakt aan ernstige bedreigingen aan het adres van [benadeelde 2]. De bedreiging was van zodanige aard dat deze in het algemeen gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer zal veroorzaken.

Eén en ander heeft plaatsgevonden in het kader van onenigheid tussen verdachte en [benadeelde 1] ten aanzien van de verblijfplaats van hun dochtertje. Toen verdachte van [benadeelde 1] te horen kreeg dat hij zijn dochter niet mee kreeg, maakte hem dat blind van woede. Hij is toen naar het huis van [benadeelde 1] gereden. Verdachte wilde toen met zijn auto naar binnen rijden om zijn dochter op te halen. Tot drie maal toe heeft hij dit geprobeerd.

Hij kwam tot stilstand voor het raam. Hierbij is het tuinhekwerk vernield. Vervolgens heeft verdachte in woede de ruiten van de voordeur ingeslagen en heeft hij [benadeelde 2], die achter de deur stond, bedreigd.

Het hof hanteert ter zake van een dergelijk delicten oriëntatiepunten voor straftoemeting die de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf impliceren.

Het hof heeft bij de straftoemeting ten nadele van de verdachte in aanmerking genomen dat de verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 mei 2009 - eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die naar voren komen in het over de verdachte opgemaakte rapport van het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering Groningen en de hierboven genoemde rapportages van gedragsdeskundigen, en zoals die ter terechtzitting zijn gebleken.

In de rapporten van de gedragsdeskundigen is geconcludeerd dat voortzetting van de begeleiding door de AFPN alsmede een verplicht reclasseringscontact wenselijk is. Op grond hiervan zal het hof een deels voorwaardelijke straf opleggen, teneinde bedoelde begeleiding en contact mogelijk te maken, in de vorm van een aan de verdachte opgelegde bijzondere voorwaarde.

Voorts heeft het hof bij de strafoplegging in aanmerking genomen de hiervoor genoemde conclusies van de gedragsdeskundigen dat de ten laste gelegde feiten aan de verdachte in licht verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur noodzakelijk en geboden is met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal gedragen naar de voorschriften van de reclassering, ook indien dat een behandeling bij de AFPN inhoudt. Naast de voorwaardelijke gevangenisstraf is het hof van oordeel dat een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van hierna te noemen duur, passend en geboden is.

Het hof wijst, gelet op de op te leggen straf, de vordering van de advocaat-generaal tot gevangenneming van de verdachte af.

Ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen

Met betrekking tot de in beslag genomen auto overweegt het hof dat nu de verdachte is vrijgesproken ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde, het hof de teruggave van die auto aan de verdachte zal gelasten.

Vorderingen van de benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zich in het geding in eerste aanleg hebben gevoegd en dat hun vorderingen gedeeltelijk zijn toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van de gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft betrekking op immateriële schade als gevolg van het onder feit 1 ten laste gelegde. Nu verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken, is de vordering niet voor toewijzing vatbaar.

Het hof zal de aan de benadeelde partij [benadeelde 2] ten gevolge van feit 3 toegebrachte immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid vaststellen op een bedrag van € 250,-. De vordering kan tot dat bedrag worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Het hof zal de benadeelde partij [benadeelde 2] voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

Gelet op het vorenstaande dienen de benadeelde partij [benadeelde 2] en de verdachte, als over en weer deels in het ongelijk gestelde partijen, ieder de eigen kosten te dragen van het geding.

Schadevergoedingsmaatregel

Aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de immateriële schade tot een bedrag van € 250,- die door het onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en het belang van de benadeelde partij ermee gediend is, zal aan de verdachte de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dit schadebedrag ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waartegen het beroep is gericht, en opnieuw recht doende:

verklaart het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het aan de verdachte onder 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte [verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden;

beveelt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op de grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van die instelling, hetgeen ook kan inhouden dat de verdachte een behandeling zal volgen bij de Ambulante Forensische Psychiatrie Noord Nederland;

draagt genoemde instelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

bepaalt dat dit toezicht door genoemde instelling reeds tijdens de proeftijd kan worden beëindigd;

veroordeelt de verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderdvijftig uren, met het bevel dat, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van vijfenzeventig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag;

wijst de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot de gevangenneming van de verdachte, af;

gelast de teruggave aan verdachte van:

1 personenauto Opel Kadett CL 6NZ Kleur zwart kenteken [kenteken];

wijst af de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 1], wonende te [woonplaats];

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 2], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van 250,- euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2007 tot aan de dag van algehele voldoening;

verklaart deze benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen van het geding;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van tweehonderdvijftig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijf dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling, noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. A.J. Rietveld, voorzitter, mr. O. Anjewierden, vice-president en mr. M.F.H.M. van Haastert, in tegenwoordigheid van L.W. van Campen als griffier. Mr.Van Haastert is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.