Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ6329

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-08-2009
Datum publicatie
28-08-2009
Zaaknummer
107.000.989/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid advocaat voor missen beroepstermijn.

Hof oordeelt aanspraak op vergoeding voor schade als gevolg van riooloverstorten waadoor waarschijnlijk koeien zijn doodgegaan verjaard. De betreffende overheden hebben evenwel ten onrechte niet mee willen werken aan een schikking van een daartoe door de tweede kamer in het leven geroepen commissie. Advocaat veroordeeld tot betaling van het vermoedelijke schikkingsbedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 25 augustus 2009

Zaaknummer 107.000.989/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats]d,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. P.R. van den Elst, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

gevestigd te [plaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. S.A. Roodhof, kantoorhoudende te Leeuwarden.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 21 april 2009 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

[appellant] heeft een akte genomen, waarbij hij nogmaals producties in het geding heeft gebracht.

[geïntimeerde] heeft een antwoordakte genomen.

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. Het hof heeft bij tussenarrest van 21 april 2009 overwogen dat [appellant] genoegzaam dient aan te tonen dat hij schade heeft geleden tot de door hem gestelde bedragen. Het hof heeft vervolgens ten aanzien van de door [appellant] aangevoerde posten concrete vragen gesteld.

2. In zijn akte van 19 mei 2009 stelt [appellant] dit oordeel ter discussie en voert hij aan dat de lagere overheden zijn schadeopstelling nooit in concreto hebben aangevochten en daarmee hun rechten daartoe zouden hebben verwerkt, hetgeen zou moeten doorwerken naar de rechtspositie van [geïntimeerde]. Het hof verwerpt dit standpunt en acht geen redenen aanwezig om op zijn oordeel terug te komen. Uit de als productie 1 bij de akte van 9 september 2008 overgelegde dading in de zaak [persoonsnaam] blijkt dat een schadeopstelling het uitgangspunt is geweest bij de vaststelling van de uit te keren schadeloosstelling. Uit dat stuk blijkt geenszins dat de Commissie Diergezondheid en Riooloverstorten (verder: de Commissie) alle claims van [persoonsnaam] klakkeloos heeft overgenomen. Het hof wijst, als voorbeeld, naar pagina 1 van dat stuk, waarin over de claims van [persoonsnaam] ten aanzien van het lagere melkquotum staat vermeld: "De claims van [persoonsnaam] zijn, gezien zijn eigen gegevens over aantallen dieren en productiecijfers, niet reëel."

3. Het hof zal dan ook de verschillende schadecomponenten hierna behandelen.

[appellant] heeft bij al zijn schadeposten ook grote bedragen aan wettelijke rente opgevoerd. [geïntimeerde] heeft gesteld dat renteclaims bij de Commissie geen rol hebben gespeeld. In de in de zaak [persoonsnaam] getroffen dading wordt over rente niet gerept. Het hof zal de rentecomponenten bij de inschatting op welk bedrag ook bij [appellant] een dading getroffen had kunnen worden, dan ook buiten beschouwing laten.

Afgevoerde koeien

4. [appellant] claimt in deze procedure een directe schade van 40 afgevoerde koeien ad hfl 1.700,-- per koe, zijnde in totaal hfl 68.000,--. [geïntimeerde] heeft deze post gemotiveerd betwist.

5. [appellant] heeft als producties 3 en 4 bij zijn akte van 19 mei 2009 taxatierapporten van [taxateur] overgelegd van respectievelijk 19 augustus 1981 en 4 mei 1982, waaruit blijkt dat aanvankelijk zes en later 18 koeien zijn afgevoerd als gevolg van het drinken van het verontreinigde water, waarbij de namen van de koeien worden opgesomd. Het hof acht op grond van deze rapportage genoegzaam aangetoond dat in ieder geval 18 koeien zijn afgevoerd. Het hof merkt nog op dat het bewijs dat de koeien daadwerkelijk ziek zijn geworden door het drinken van het door de overstort verontreinigde water in dit kader wordt verondersteld, gelet op het uitgangspunt van de Commissie.

Uit die rapporten blijkt ook voldoende dat de gemiddelde schade per koe op tenminste hfl 1.700,-- gesteld kan worden.

6. In het als productie 7 bij genoemde akte overgelegde verzoek van [appellant] d.d. 3 juli 1984 aan de minister van Landbouw schrijft hij dat inmiddels 36 koeien zijn afgevoerd en dat te verwachten is dat ook de resterende 4 koeien die van het verontreinigde water gedronken hebben, binnenkort afgevoerd moeten worden. Hieruit blijkt dat er 3 jaar nadat [appellant] overgestapt was op leidingwater (op 10 juli 1981) nog steeds koeien die verontreinigd water hadden gedronken aanwezig waren. Het hof acht niet aannemelijk dat er gedurende die periode, zonder het incident met de riooloverstorten, anderszins geen koeien zouden zijn afgevoerd. Het hof stelt het aantal als gevolg van de riooloverstortproblematiek vroegtijdig afgevoerde koeien ex aequo et bono vast op 30. Uitgaande van een verkoopverlies van hfl 1.700,-- per koe, komt dit neer op een directe schade van hfl 51.000,-- derhalve in euro's neerkomende op, afgerond, € 23.000,--.

Gemiste melk- en fokgelden

7. [appellant] stelt dat hij geen geld had om de veestapel aan te vullen en dat ten gevolge van de afvoer van de zieke koeien hij gemiste inkomsten heeft gehad ter grootte van hfl 50.000,-- Dit bedrag staat in het reeds genoemde rapport van [taxateur] van 4 mei 1982, zonder dat daaraan een inzichtelijke onderbouwing wordt gegeven. In de eigen schadeopstelling van 3 juli 1984 begroot [appellant] deze gemiste inkomsten op hfl 84.000,-- waarbij hij aangeeft per koe 3000 liter melkopbrengst minder te hebben gehad. [geïntimeerde] heeft ook deze schadecomponent gemotiveerd betwist. Volgens haar is de gemiddelde productiedaling van een koe bij riooloverstorten te stellen op 180 liter per jaar.

8. Het hof acht op zich voldoende aannemelijk dat de melkopbrengsten gedurende de periode van ziekte in het vee zijn achtergebleven. Of daarbij uitgegaan moet worden van 3000 liter dan wel 180 liter per koe is, bij gebreke van nadere gegevens, volstrekt onhelder. Het hof ziet aanleiding om voor deze post aan te knopen bij de dading in de zaak [persoonsnaam] waar de schade per 50 koeien op € 2.400,-- per jaar is gesteld. Het hof zal aanknopen bij dit bedrag en deze schadepost begroten op 30/50 van dit bedrag, derhalve op, afgerond, € 1.500,-- per jaar.

Het hof zal daarbij niet uitgaan van de periode tot 1985. [appellant] heeft zijn stelling dat hij geen geld had om de veestapel aan te vullen, niet onderbouwd. De door hem overgelegde productiegegevens - waarover hierna onder 13 meer - geven na 1981 ook een stijging aan van het aantal koeien dat [appellant] hield, hetgeen met zijn stellingen in tegenspraak is. De cijfers wijzen voor de latere jaren ook niet op een relevante daling van de melkproductie.

Het hof zal dan ook alleen voor de boekjaren 1981 en 1982 rekening houden met gemiste melkgeldopbrengsten tot een bedrag van € 1.500,-- per jaar, derhalve tot een totaalbedrag van € 3.000,--.

Voor zover ook aanspraak gemaakt wordt op gemiste fokgelden is die schadeclaim niet inzichtelijk gemaakt, zodat het hof daarmee geen rekening zal houden.

De extra kosten

9. [appellant] stelt extra kosten te hebben gemaakt door een waterleiding aan te leggen (hfl 10.000,--), extra werk te hebben gehad van het leidingwater geven aan koeien (hfl 10.000.--), extra jaarlijkse kosten aan de waterleiding te hebben van ruim hfl 2.000,-- per jaar en deskundigenkosten te hebben gemaakt (hfl 32.000,--). Deze schadecomponenten zijn door [geïntimeerde] betwist.

10. Het hof acht, ook hier mede gelet op het de dading in de zaak [persoonsnaam], de volgende componenten voldoende aannemelijk.

Bij [persoonsnaam] zijn de jaarlijkse meerkosten voor drinkwatervoorziening gesteld op € 2.000,-- per jaar, mede gelet op wat bij andere bedrijven gebruikelijk is. Indien het hof uitgaat van een in dezen redelijke termijn waarin overheden in de meerkosten zouden dienen bij te dragen, te stellen op 10 jaar, komt dit neer op een bedrag van € 20.000,--, hetgeen niet veel afwijkt van de berekening van [appellant] op dit onderdeel, zonder rentecomponent. Het hof zal dan ook van dat bedrag uitgaan.

11. Voor deskundigenkosten - waarbij alleen dierenartsenkosten zijn benoemd - acht het hof, gelet op wat in de zaak [persoonsnaam] is afgesproken (€ 1.400,-- per jaar bij 75 koeien), in dit geval (uitgaande van 4 jaar en 30 koeien komt dit neer op 30/75 * € 1400 * 4), een bedrag van afgerond € 2.250,-- redelijk.

Het melkquotum

12. [appellant] heeft aangevoerd dat hij in 1984 een lager melkquotum (waarvoor de productie in 1983 het referentiepunt vormde) heeft verkregen dan het geval was geweest als er geen riooloverstorten hadden plaatsgevonden. Volgens hem was in dat geval zijn productie in het referentiejaar 1983 40.000 kg groter geweest. [geïntimeerde] heeft deze berekening betwist.

Het hof overweegt dat [appellant] in het referentiejaar 1983 een productie heeft gehad van 453.140 kg, waaruit een melkquotum resulteerde (na toepassing van de generieke korting van 8.65%) van 413.943 kg. In zijn - afgewezen - bezwaarschrift van 3 juli 1984 betoogde [appellant] dat zijn productie zonder riooloverstortproblematiek zeker 30.000 kg hoger had gelegen, waarmee zijn quotum zeker 27.505 kg groter zou zijn geweest.

13. [geïntimeerde] heeft, reeds in haar akte van 21 oktober 2008, aangevoerd dat, gelet op de jaarproductie van [appellant] in 1983, van een relevante daling amper sprake is geweest.

Blijkens de door [appellant] overgelegde productiegegevens (productie 6 bij de akte van 9 september 2008) had hij in het boekjaar 1982/1983 74 melkkoeien en in het boekjaar 1983/1984 78 melkkoeien. In 1983 komt dat op een gemiddelde van 76 melkkoeien. Als de productie van 1983 gedeeld wordt door 76, komt zulks neer op (453140:76) 5.962 kilogram melk per koe. Dat is hoger dan de gemiddelde melkopbrengst vóór de riooloverstortproblematiek (5.939 kg per koe) en deze opbrengst ligt slechts zeer marginaal onder de streefopbrengst van 6000 kilogram melk per koe die [appellant] hoopte in 1982 te hebben bereikt.

[appellant] heeft deze berekening niet deugdelijk weersproken.

14. Het hof acht dan ook geenszins aannemelijk gemaakt dat zonder overstortproblematiek aan [appellant] een hoger melkquotum zou zijn toegekend. Het hof zal de daarop gebaseerde schadeposten dan ook niet meenemen in de verdere berekening.

Additionele kosten

15. [appellant] heeft erop gewezen dat aan [persoonsnaam] een bedrag van € 75.000,-- aan additionele kosten is toegekend. Hij acht het in dit verband redelijk dat rekening gehouden wordt met een niet nader toegelicht bedrag in de schadeopstelling van [taxateur] van hfl. 40.000,--.

16. Het hof overweegt dat [geïntimeerde] er terecht op heeft gewezen dat in het bedrag van € 75.000,-- dat aan [persoonsnaam] is toegekend, ook de post voor kosten leidingwater is verwerkt, die hiervoor apart is berekend. Het hof acht geen termen aanwezig om aan te haken bij de schadeopstelling van De Vries op dit punt, die gelijk [appellant] zelf al toegeeft, volstrekt ongemotiveerd is. In zijn als productie 1c bij de akte van 21 april 2009 overlegd overzicht komt alleen nog een post kosten juridische bijstand voor van hfl 4.091,--. Het hof ziet daarin aanleiding om voor deze post een bedrag van afgerond € 1.750,-- in de berekening mee te nemen.

Tussenconclusie

17. Het hof komt derhalve tot een totaal schadebedrag, overeenkomstig de systematiek van de Commissie, van een bedrag van € 50.000,--.

De verdere beoordeling

18. Het hof heeft in het tussenarrest van 9 juli 2008 reeds overwogen (rechtsoverweging 4) dat de betrokken lagere overheden in strijd met artikel 3:14 BW/ de redelijkheid en billijkheid hebben gehandeld door aan [appellant] geen enkel aanbod te doen. Het hof heeft voorts overwogen dat de schade gelijk gesteld moet worden aan het bedrag waarop de zaak anders zou zijn geschikt.

Het hof oordeelt dat de zaak anders zou zijn geschikt op de hiervoor berekende schade van € 50.000,--. [geïntimeerde] heeft betoogd dat op dit schadebedrag in mindering moet komen de door de betrokken overheden wel betaalde schadevergoeding in natura, in de vorm van het uitbaggeren van sloot 555. Het hof acht deze stelling onvoldoende onderbouwd. Uit de tekst van de overgelegde dadingen blijkt niet dat de Commissie op deze wijze te werk is gegaan en rekening heeft gehouden met inmiddels door de overheden getroffen infrastructurele maatregelen.

Wettelijke rente en proceskosten

19. Het hof heeft de vergoeding van wettelijke rente, voor zover opgenomen in de schadeberekening van [appellant] en betrekking hebbende op de periode tot aan de procedure bij de Commissie, hiervoor reeds afgewezen. Over het schadebedrag als uitkomst - en de uitbetaling daarvan - die [appellant] is onthouden, is echter wel de wettelijke rente verschuldigd, vanaf de dag dat anders de schadeloosstelling uit hoofde van die schikking voor [appellant] beschikbaar zou zijn gekomen. Het hof stelt deze datum ex aequo et bono vast op 1 juli 2003, zodat het hof de wettelijke rente vanaf die datum zal toewijzen.

20. Gelet op deze uitkomst zou, indien de appelprocedure tussen de oorspronkelijke partijen zou zijn gevoerd, de proceskostenveroordeling in eerste aanleg in stand zijn gebleven, nu [appellant] daarin als overwegend in het ongelijk te stellen partij moet worden aangemerkt.

21. Ten aanzien van de onderhavige procedure geldt dat de primaire vordering van [appellant] geheel is afgewezen en zijn subsidiaire vordering gedeeltelijk is toegewezen. Het hof ziet daarin aanleiding om de proceskosten in deze instantie te compenseren in die zin dat elke partij belast blijft met de eigen griffierechten en advocaatkosten. Gelet op deze uitkomst oordeelt het hof dat voorts de helft van de kosten van de deskundige [naam deskundige] - die door [appellant] zijn voorgeschoten - voor rekening van [geïntimeerde] komt. Deze kosten dienen te worden gesteld op €1.303,82 (zie proces-verbaal d.d. 14 januari 2008) plus € 2.261,75 (productie 8 bij de akte van 9 juli 2008), derhalve op € 3.565,57, zodat daarvan € 1.782,79 voor rekening van [geïntimeerde] komt.

De beslissing

Het gerechtshof:

veroordeelt [geïntimeerde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te voldoen de somma van € 50.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2003 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] te betalen € 1.782,79 terzake de kosten van de deskundige [naam deskundige] en compenseert de kosten van de procedure voor het overige in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. Keur, voorzitter, Kuiper en De Hek, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 25 augustus 2009 in bijzijn van de griffier.