Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ5482

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-08-2009
Datum publicatie
19-08-2009
Zaaknummer
24-000218-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Openlijke geweldpleging tegen personen en mishandeling. Veroordeling tot een werkstraf voor de duur van twintig uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 24-000218-08

parketnummer eerste aanleg: 19-605655-07

Arrest van 18 augustus 2009 van het gerechtshof Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van

25 januari 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1988] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. P. Keijzer, advocaat te Emmen.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het hierboven genoemde vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 4 augustus 2009, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 01 maart 2007 te [plaats], althans in de gemeente [gemeente], met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [straat], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd een of meer personen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het slaan en/of stompen en/of schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1];

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 01 maart 2007 te [plaats], althans in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], meermalen, althans eenmaal heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Partiële nietigheid van de dagvaarding

De tekst van het primair ten laste gelegde bevat niet een feitelijke omschrijving van enige tegen [slachtoffer 2] verrichtte (gewelds)handeling.

De tekst van het subsidiair ten laste gelegde bevat niet enig gevolg (pijn en/of letsel) van een tegen [slachtoffer 2] verrichtte (gewelds)handeling.

Gelet op het bovenstaande is in zoverre sprake van een onvoldoende duidelijke opgave van het feit, als bedoeld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en dient de dagvaarding partieel nietig te worden verklaard voor zover het betreft het tekstdeel "en/of [slachtoffer 2]" onder primair en onder subsidiair.

Bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat tegen het slachtoffer [slachtoffer 1] geweld is gebruikt door de verdachte zelf of door één of meer personen uit de groep van vrienden en/of kennissen waarin de verdachte zich bevond. De raadsman heeft aangevoerd dat dit dient te leiden tot vrijspraak ter zake van het ten laste gelegde.

Het hof overweegt dat voor de bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde is vereist dat de verdachte deel uitmaakte van een groep die het geweld, zoals ten laste gelegd, pleegde en dat de verdachte zelf een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan dat geweld heeft geleverd.

De opvatting dat uit de bewijsmiddelen moet volgen dat van de verdachte zelf het geweld, zoals dat hieronder is bewezen verklaard, is uitgegaan vindt geen steun in het recht.

Uit het strafdossier blijkt dat sprake is geweest van twee groepen personen, die op straat met elkaar in gevecht zijn geraakt. Het slachtoffer [slachtoffer 1] bevond zich in de ene groep en de verdachte bevond zich in de andere groep.

Op grond van de aangifte van [slachtoffer 1], alsmede de verklaring die bij de politie is afgelegd door [getuige], acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de tegen [slachtoffer 1] gebruikte geweldshandelingen zijn aangewend door één of meer personen uit de groep van de verdachte.

Uit de verklaring die de verdachte heeft afgelegd bij de politie, blijkt voorts dat de verdachte degene is geweest die als eerste met iemand uit de andere groep in gevecht is geraakt en derhalve een wezenlijke bijdrage aan de vechtpartij heeft geleverd. Verdachte heeft zich vervolgens niet op enig moment gedistantieerd van die vechtpartij.

Gelet op het bovenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hieronder weergegeven.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

primair.

hij op 1 maart 2007 te [plaats] met anderen op de openbare weg, de [straat],

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het slaan en schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1].

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primair -

het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid

Het hof acht de verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft bij het bepalen van de in hoger beroep op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dat feit is begaan en de persoon van de verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich in de avond van 1 maart 2007 samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijk geweld tegen (onder meer) [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] werd hierbij op zodanig gewelddadige wijze geslagen en geschopt tegen zijn hoofd dat hij een bloedneus en een zware hersenschudding heeft opgelopen.

De verdachte en zijn mededaders hebben door hun gewelddadige optreden een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en voorts hebben zij gevoelens van onveiligheid opgewekt bij het uitgaanspubliek dat hier ongewild getuige van is geweest. Daarnaast is dergelijk openlijk gewelddadig optreden in het algemeen zeer bedreigend en versterkt het de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De verdachte heeft door zijn handelen hieraan bijgedragen.

Het hof hanteert ter zake van een dergelijk delict een oriëntatiepunt voor straftoemeting dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf impliceert.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf tevens rekening gehouden met het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 mei 2009, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een geweldsdelict is veroordeeld.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken, alsmede met de omstandigheid dat inmiddels ruim twee jaren zijn verstreken sinds het bewezen verklaarde delict zich heeft voorgedaan.

Gelet op het bovenstaande is het hof uit een oogpunt van normhandhaving en ter vergelding van het door de verdachte begane strafbare feit van oordeel dat de strafmodaliteit die door de politierechter is opgelegd, te weten een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, voor de duur van 20 uren, passend en geboden is.

Toepassing van wetsartikelen zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waartegen het beroep is gericht, en opnieuw recht doende:

verklaart de dagvaarding voor zover het betreft het tekstdeel "en/of [slachtoffer 2]" onder primair en onder subsidiair nietig;

verklaart het aan de verdachte onder primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en de verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte [verdachte] tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van twintig uren, met het bevel dat, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van tien dagen zal worden toegepast.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. P.J.M. van den Bergh, voorzitter, mr. A.J. Rietveld en mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van H. Kingma als griffier. Mr. Wiarda is buiten staat dit arrest te ondertekenen.