Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ5035

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-05-2009
Datum publicatie
12-08-2009
Zaaknummer
200.007.971
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzetzaak. Uit de kopie van het stortingsbewijs blijkt dat betrokkene het geld tijdig heeft gestort op het postkantoor, met gebruikmaking van de toegezonden acceptgirokaart. Het bedrag heeft ruim zes maanden op een tussenrekening van de Postbank gestaan. Te late ontvangst door CJIB komt onder die omstandigheden niet voor rekening van betrokkene. Het dwangbevel is ten onrechte utgevaardigd. Ook moet de tweede verhoging ongedaan worden gemaakt.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26a
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.007.971

25 mei 2009

CJIB 107529562

Gerechtshof te Leeuwarden

Beschikking

op het hoger beroep tegen de beschikking

van de kantonrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch

van 25 maart 2008

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 14 februari 2008 uitgevaardigd dwangbevel niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Bij brief van 15 januari 2009 heeft de griffier bij het hof het CJIB verzocht om aanvullende informatie. De gevraagde informatie is bij het hof binnengekomen op 9 februari 2009.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld om op de aanvullende informatie van het CJIB en de daarop gegeven reactie van advocaat-generaal te reageren. Bij brief van 1 april 2009 is van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 75,- opgelegd ter zake van “voor het motorrijtuig van 3500 kg of minder heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid verloren”, welke gedraging blijkens een registercontrole van de RDW zou zijn verricht op 25 april 2007 met het voertuig met het kenteken [AB-00-AB]. Tegen deze beschikking is geen beroep ingesteld, zodat deze onherroepelijk is geworden.

2. Blijkens het zaakoverzicht van het CJIB is op 12 september 2007 de eerste aanmaning verzonden. Op 27 oktober 2007 is de tweede aanmaning verzonden. Vervolgens heeft de officier van justitie op 14 februari 2008 een dwangbevel uitgevaardigd. Op 11 april 2008 heeft het CJIB een bedrag van € 93,75 ontvangen.

3. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat het dwangbevel ten onrechte is uitgevaardigd, omdat zij het verschuldigde bedrag tijdig heeft voldaan. In het verzetschrift heeft zij aangevoerd dat zij op 2 oktober 2007 - met gebruikmaking van de haar toegezonden acceptgirokaart - de sanctie ter hoogte van € 93,75 (het oorspronkelijke sanctiebedrag inclusief de eerste verhoging) op het postkantoor te Oss heeft betaald. Een kopie van het stortingsbewijs heeft zij als bijlage bij het verzetschrift gevoegd. Nadat zij een schrijven van de officier van justitie had ontvangen met de mededeling dat er nog geen betaling van haar was ontvangen, heeft zij het stortingsbewijs toegezonden. Wederom kreeg zij de reactie dat er geen betaling was ontvangen. Op het postkantoor werd haar medegedeeld dat ze wel had betaald en het bewijs daarvan ook had. Vervolgens heeft de betrokkene telefonisch contact opgenomen met het CJIB en wederom werd haar verteld dat het bedrag niet was ontvangen. Zij diende het bedrag nogmaals over te maken, want anders zou het bedrag worden verhoogd.

4. Naar aanleiding van hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd heeft de griffier van het hof aanvullende informatie bij het CJIB opgevraagd. Namens het CJIB is onder meer het volgende verklaard:

"Omdat betrokkene nalatig bleef het bedrag van de eerste aanmaning vóór de daarop vermelde vervaldatum van 12 oktober 2007 te voldoen is op 27 oktober 2007 een tweede aanmaning aan betrokkene verzonden. Naar aanleiding van deze aanmaning heeft betrokkene een brief aan het CJIB geschreven, welke hier op 6 november 2007 is ontvangen. In deze brief stelt betrokkene dat hij (het hof leest: zij) het bedrag van de eerste aanmaning reeds heeft voldaan. Ter staving van zijn (het hof leest: haar) verweer heeft betrokkene een kopie van een stortingsbewijs van 2 oktober 2007 voor een bedrag van € 93,75 bijgevoegd. Bij brief van 22 november 2007 heeft het CJIB aan betrokkene laten weten de zaak te zullen uitzoeken. Vervolgens heeft het CJIB op 3 december 2008 (het hof leest: 2007) betrokkene (naar aanleiding van het onderzoek) middels een brief laten weten de storting/betaling hier niet te kunnen vinden. Betrokkene wordt in de brief verzocht contact op te nemen met de Postbank en daar navraag te doen naar zijn (het hof leest: haar) storting, met name op welk rekeningnummer het geld door de Postbank is gestort en op welke datum. Betrokkene krijgt 8 weken de tijd om deze informatie te achterhalen en aan het CJIB te overleggen. Tevens is betrokkene er in de brief van 3 december 2008 (het hof leest: 2007) nadrukkelijk op gewezen dat, indien hij (het hof leest: zij) de benodigde informatie niet binnen de daartoe gestelde termijn van 8 weken verstrekt, hij (het hof leest: zij) het bedrag van de tweede aanmaning binnen die 8 weken dient te voldoen en dat het CJIB de inning na deze 8 weken onverkort zal voortzetten. Omdat betrokkene nalatig bleef de gevraagde informatie te verstrekken en evenmin het verschuldigde bedrag tijdig heeft betaald is de zaak op 14 februari 2008 door het CJIB uit handen gegeven aan een gerechtsdeurwaarder. Ook bij de deurwaarder laat de betrokkene (wederom) zijn (het hof leest: haar) stortingsbewijs van 2 oktober 2007 zien. De deurwaarder heeft betrokkene (in maart 2008) gewezen op hetgeen gesteld in de vorige alinea en hem (het hof leest: haar) (wederom) verwezen naar de Postbank om navraag te doen naar zijn (het hof leest: haar) storting. Kennelijk heeft betrokkene toen pas actie ondernomen, want op 11 april 2008 is het door de betrokkene op 2 oktober 2007 gestorte bedrag bij het CJIB ontvangen van (een tussenrekening van) de Postbank. (…). Het bedrag van € 93,75 heeft gedurende de periode van 2 oktober 2007 tot 11 april 2008 op een tussenrekening van de Postbank gestaan omdat de op het stortingsbewijs opgenomen gegevens kennelijk niet voldoende waren voor de Postbank om de opdracht uit te voeren dan wel contact op te nemen met de betrokkene om hier navraag na te doen. Uit ervaring is bij het CJIB inmiddels bekend dat dit bij de Postbank vaker voorkomt. (…)."

5. Ingevolge artikel 24 WAHV is de betrokkene binnen vier weken na toezending van de eerste aanmaning verplicht tot betaling van het verhoogde bedrag.

6. Voor de beantwoording van de vraag of tijdig is betaald is bepalend of het bedrag binnen de gestelde termijn is ontvangen door het orgaan dat de betaling heeft verlangd. Nu het verhoogde bedrag niet binnen vier weken na toezending van de eerste aanmaning op de rekening van het CJIB is bijgeschreven, maar pas op 11 april 2008 door het CJIB ontvangen, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat het verschuldigde bedrag niet tijdig is betaald.

7. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de te late ontvangst van het verschuldigde bedrag door het CJIB voor rekening en risico van de betrokkene dient te komen, omdat zij heeft gekozen voor een andere wijze van betaling.

8. Blijkens het door de betrokkene overgelegde stortingsbewijs heeft de betrokkene op 2 oktober 2007 op het postkantoor het bedrag van € 93,75 op het rekeningnummer van het CJIB gestort. Zij heeft daarvoor gebruik gemaakt van de haar toegezonden acceptgirokaart. Het beschikkingsnummer, het verschuldigde bedrag en het rekeningnummer van het CJIB staan reeds op die acceptgirokaart vermeld. Het hof acht het dan ook niet aannemelijk dat de op het stortingsbewijs opgenomen gegevens niet voldoende waren voor de Postbank om de opdracht uit te voeren. Door gebruik te maken van de daarvoor bestemde acceptgirokaart met daarop alle relevante gegevens mocht de betrokkene er redelijkerwijs op vertrouwen dat het verschuldigde bedrag binnen een redelijke termijn op de rekening van het CJIB zou zijn bijgeschreven. Gelet op de zeer uitzonderlijke omstandigheden van dit geval is het hof van oordeel dat de veel te late ontvangst van het verschuldigde bedrag door het CJIB in onderhavige zaak niet voor rekening en risico van de betrokkene dient te komen.

9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat het dwangbevel ten onrechte is uitgevaardigd. Het hof zal derhalve de beschikking van de kantonrechter vernietigen en opnieuw recht doen.

10. Voorts is het hof van oordeel dat op 27 oktober 2007 ten onrechte de tweede verhoging is toegepast. De verhoging dient dan ook ongedaan te worden gemaakt.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter;

verklaart het verzet gegrond;

bepaalt dat het door betrokkene op de voet van artikel 26a WAHV betaalde griffierecht door de griffier van de rechtbank aan haar worden gerestitueerd;

bepaalt dat de aan de betrokkene opgelegde tweede verhoging van de sanctie ad € 46,88 door de advocaat-generaal ongedaan wordt gemaakt.

Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Samplonius als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.