Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ4967

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-04-2009
Datum publicatie
11-08-2009
Zaaknummer
WAHV 200.010.050
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Offieciersappel. Inhalen. De enkele omstandigheid dat de verbalisante haar waarneming in privétijd deed en zij als partij in deze moet worden beschouwd omdat zij door het rijgedrag van de betrokkene een aanrijding moest voorkomen, kan niet de conclusie dragen dat daarom meer geloof moet worden gehecht aan de verklaring van de gemachtigde.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2009, 98
JWR 2009/56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.010.050

10 april 2009

CJIB 89107315077

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam

van 13 juni 2008

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), gevestigd te [verstigingsplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde], gevestigd te [vestigingsplaats],

vertegenwoordigd door [feitelijke bestuurder].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam genomen beslissing gegrond verklaard en de inleidende beschikking vernietigd. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De gemachtigde van de betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 27 maart 2009. De gemachtigde van de betrokkene is, vertegenwoordigd door [feitelijke bestuurder], ter zitting verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. A. Dijkstra. Voorts is als getuige ter zitting verschenen [verbalisant], hoofdagente van politie Amsterdam.

De voorzitter heeft de zaak ter zitting verwezen naar de meervoudige kamer.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 130,- opgelegd ter zake van “rechts inhalen waar dat verboden is”, welke gedraging zou zijn verricht op 20 april 2007 om 19.52 uur op de Rijksweg A1 te Muiden met het voertuig met het kenteken [AB-00-AB].

2. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene gegrond verklaard en de bestreden beslissing vernietigd, omdat gelet op de inhoud van het beroepschrift en door de gemachtigde van de betrokkene ter openbare zitting gegeven toelichting niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Hiertoe heeft de kantonrechter overwogen dat meer geloof aan de verklaring van de betrokkene wordt gehecht, nu de verbalisant haar waarneming deed terwijl zij in privétijd reed en volgens haar door het gedrag van betrokkene een aanrijding moest voorkomen en dus als partij in deze moet worden beschouwd.

3. Anders dan de kantonrechter is de officier van justitie van mening dat wel is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Met verwijzing naar een arrest van dit hof (27 januari 2005, WAHV 04/00961) stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat een verbalisant in privétijd rijdend in een privévoertuig gelijkelijk bevoegd is tot het opleggen van een sanctie, als een verbalisant die dienst heeft en in uniform gekleed is. Derhalve valt, naar de mening van de officier van justitie, niet in te zien waarom in deze zaak meer geloof zou moeten worden gehecht aan de verklaring van de gemachtigde van de betrokkene.

4. Het hof overweegt, dat de enkele omstandigheid dat de verbalisante haar waarneming deed terwijl zij in privétijd reed en volgens haar door het gedrag van de betrokkene een aanrijding moest voorkomen en dus als partij in deze moet worden beschouwd, niet de conclusie kan dragen dat dáárom meer geloof aan de verklaring van de gemachtigde van de betrokkene moet worden gehecht.

5. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt onder meer het volgende in:

“Ik, verbalisant, reed in mijn privévoertuig van werk naar huis op de linker van de twee uitvoegstroken. Het voertuig (A) voor mij gaf richting aan naar rechts waarna ik een inhaalmanoeuvre inzette. Op het moment dat voertuig A bijna geheel op de rechterbaan reed kwam met zeer hoge snelheid (geschatte snelheid minimaal 140 km/h) een ander voertuig aanrijden voorzien van kenteken [AB-00-AB] die over de vluchtstrook en rijbaan voertuig A inhaalde, waardoor A scherp uitweek naar links en ik zeer hard moest afremmen (van 100 naar ong. 40) teneinde een aanrijding te voorkomen. Ik zag dat dit voertuig binnen een afstand van slechts enkele kilometers diverse malen rechts inhaalde en vervolgens ook een doorgetrokken streep overschreed. Geen staandehouding doordat ik in vrije tijd in mijn privévoertuig reed. ”

6. De op ambtsbelofte afgelegde verklaring van de verbalisante zoals afgelegd ter zitting van het hof houdt onder meer in, zakelijk weergegeven, dat de bestuurder van voornoemd voertuig met hoge snelheid op de rechterrijstrook reed. Doordat voertuig A van de linkerrijstrook naar de rechterrijstrook ging is het voertuig voorzien van het kenteken [AB-00-AB] uitgeweken naar de vluchtstrook. Binnen een afstand van 1,2 kilometer zag zij dat het voertuig diverse malen rechts inhaalde. Dat zij eerder heeft verklaard dat het om enkele kilometers ging, is naar eigen zeggen, niet juist. Voorts heeft de verbalisante verklaard dat er destijds geen sprake was van een file.

7. De gemachtigde voert aan dat hij zich niet herkent in het door de verbalisant omschreven rijgedrag. Hij bestrijdt dat hij ter plaatse met een snelheid van ongeveer 140 km per uur heeft gereden. Hij rijdt daar dagelijks op verschillende tijdstippen en kan uit ervaring mededelen dat die snelheid onmogelijk is vanwege dagelijkse lange files. De gemachtigde meent dat er ten tijde van de gedraging eveneens sprake was van een file en dat er derhalve ter plaatse rechts ingehaald mocht worden.

8. De gemachtigde heeft in verband met een met de onderhavige zaak samenhangende gedraging, waarin hem is verweten dat hij zonder noodzaak gebruik heeft gemaakt van de vluchtstrook, aangevoerd dat die gedraging het gevolg was van een uitwijkmanoeuvre naar rechts waartoe hij moest overgaan toen een auto plotseling van de linkerrijbaan (het hof leest: rijstrook) naar de door hem bereden rechterrijbaan kwam, terwijl hij constateerde dat voor hem rijdende voertuigen, vanwege filevorming, begonnen te remmen. Gelet op deze verklaring in samenhang met de onder 5. weergegeven verklaring van de verbalisante, stelt het hof vast dat de bestuurder van voornoemd voertuig in ieder geval gedeeltelijk naast het verkeer op de linkerrijstrook, waaronder het voertuig van de verbalisante, moet hebben gereden met een hogere snelheid dan die van haar voertuig. Tevens volgt uit de verklaring van zowel de verbalisante als van de betrokkene dat op het moment van de gedraging in ieder geval nog geen sprake was van een file, wat daarvan overigens ook zij.

9. De gedraging, zoals onder 1. omschreven betreft een overtreding van artikel 11, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Artikel 11, eerste lid, RVV1990 houdt in: "Inhalen geschiedt links."

10. Onder 'inhalen' moet naar het oordeel van het hof niet alleen een voltooide manoeuvre van het voorbijrijden van een rijdend voertuig worden verstaan maar eveneens het aanvangen van de inhaalmanoeuvre. Nu de bestuurder van het voertuig met het kenteken [AB-00-AB] naar de overtuiging van het hof op de rechterrijstrook heeft gereden met een hogere snelheid dan het verkeer op de linkerrijstrook en dat voertuig in ieder geval gedeeltelijk naast het op de linkerrijstrook rijdende voertuig van de verbalisante is komen rijden, is komen vast te staan dat de inhaalmanoeuvre reeds was aangevangen. Dit brengt mee dat naar de overtuiging van het hof is komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

11. Nu het voertuig met voornoemd kenteken in ieder geval éénmaal rechts heeft ingehaald en aan de betrokkene slechts eenmaal een sanctie opgelegd heeft gekregen ter zake van die gedraging zal het hof de overige door de verbalisante gesignaleerde keren dat het voertuig rechts zou hebben ingehaald onbesproken laten.

12. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het beroep ongegrond verklaren.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Poelman en Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Samplonius als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.