Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ4960

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
24-03-2009
Datum publicatie
11-08-2009
Zaaknummer
200.014.398
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Uit de wet vloeit niet voort dat al bij indiening van het beroep een machtiging moet worden overgelegd. Vaste jursiprudentie van het hof: indien een op grond van art. 2:1 Awb gevraagde machtiging niet wordt verstrekt, dan is niet-ontvankelijkverklaring wegens het ontbreken van de vereiste machtiging pas mogelijk nadat in overeenstemming met art. 6:6 Awb de gelegenheid is geboden het verzuim te herstellen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 2:1
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.014.398

24 maart 2009

CJIB 59101544828

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Maastricht

van 29 mei 2008

betreffende

[betrokkene]. (hierna te noemen: betrokkene), gevestigd te [verstigingsplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Maastricht genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

Beoordeling

1. Bij de bestreden beslissing heeft de kantonrechter het door mr. Meerts ingestelde beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat er, ondanks een aanmaning daartoe, geen schriftelijke machtiging is overgelegd.

2. De gemachtigde is van mening dat de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij stelt zich op het standpunt dat het door de kantonrechter gehanteerde uitgangspunt dat bij het instellen van beroep een machtiging moet worden overgelegd, zonder dat hierom is gevraagd, onjuist is. Met verwijzingen naar jurisprudentie van dit hof voert de gemachtigde aan dat hij in de gelegenheid gesteld had moeten te worden om het verzuim te herstellen. De gemachtigde heeft bij zijn nadere toelichting op het beroep alsnog een schriftelijke machtiging overgelegd.

3. Uit de stukken van het geding blijkt dat mr. Meerts beroep bij de officier van justitie heeft ingesteld. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Bij brief van 4 april 2007 heeft mr. Meerts pro forma beroep ingesteld bij de kantonrechter. Nadat hem op 29 april 2007 een ontvangstbevestiging is toegezonden, is mr. Meerts bij brief van

1 november 2007 erop gewezen dat hij heeft verzuimd een schriftelijke machtiging bij te voegen. In die brief is hem een termijn van veertien dagen gegund om alsnog een machtiging te verstrekken en tevens is vermeld dat het niet (tijdig) verstrekken van de gevraagde gegevens kan leiden tot het niet-ontvankelijk verklaren van het ingestelde beroep. Hierop is niet gereageerd.

4. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De stelling van mr. Meerts dat het bestuursorgaan nadat er niet op het verzoek tot het overleggen van een machtiging was gereageerd, hij nogmaals in verzuim gesteld had moeten worden strookt niet met de jurisprudentie. Hierbij wijst de advocaat-generaal op een uitspraak van de Raad van State van 20 mei 1997, AB 1997, 428.

5. Artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt, voor zover hier van belang:

"Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:

a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of

b. (…)

mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn."

6. In de Memorie van toelichting (Kamerstukken II 1988-1989, 21 221, nr. 3) bij voornoemd artikel staat onder meer het volgende geschreven:

"In dit artikel wordt dienovereenkomstig bepaald dat bij constatering van een vormverzuim bij de indiening van een bezwaar- of beroepschrift tot niet-ontvankelijkheid mag worden besloten mits de indiener van het geschrift de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen. Het gaat hierbij om herstelbare vormverzuimen. Dit verzuim kan bestaan uit het niet naleven van artikel 6.2.oa (het hof begrijpt: 6:5), van een ander voorschrift van deze wet, zoals de regel dat van een gemachtigde een volmacht kan worden verlangd (artikel 2.1.1, tweede lid), of van een ander bij de wet gesteld vereiste."

7. Nu in artikel 2:1, tweede lid, Awb is bepaald dat het bestuursorgaan een machtiging kan verlangen, is er geen grond om aan te nemen dat uit de wet voortvloeit dat reeds bij de indiening van het beroep een machtiging moet worden overgelegd. Derhalve is het - gelet op de wetsgeschiedenis en mede in navolging van de uitspraak van de Hoge Raad van

2 november 1999, LJN ZD1715 - vaste jurisprudentie van het hof dat indien een op grond van artikel 2:1, tweede lid, Awb gevraagde machtiging niet wordt verstrekt, het beroep ingevolge het bepaalde in artikel 6:6 Awb niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener van het beroep de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

8. Nu uit de stukken van het geding niet blijkt dat aan de voorwaarde van artikel 6:6 Awb is voldaan is het hof van oordeel dat de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De indiener van het beroepschrift is immers niet in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen. Nu de kantonrechter heeft nagelaten de gemachtigde in de gelegenheid te stellen het verzuim te herstellen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en de zaak terugwijzen naar de rechtbank Maastricht.

9. Aangezien de beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd, acht het hof termen aanwezig om de in hoger beroep gemaakte kosten te vergoeden. De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift dient één punt te worden toegekend en aan het indienen van een nadere toelichting een half punt. Blijkens de Bijlage bij het Besluit is de waarde per punt € 322,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 120,75 (= 1½ punt x € 322,- x 0,25).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank Maastricht ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 120,75 en bepaalt dat dit dient te geschieden door overmaking van dit bedrag op rekeningnummer 1040.40.025 ten name van Meerts te Beegden.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Samplonius als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.