Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ4918

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-08-2009
Datum publicatie
11-08-2009
Zaaknummer
24-001238-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In eerste aanleg ISD-maatregel opgelegd. Het hof stelt vast dat verdachte niet eerder in het kader van een (deels) voorwaardelijke veroordeling een klinische behandeling voor zijn verslaving heeft ondergaan. Mede daarom is oplegging van de ISD-maatregel, al dan niet in voorwaardelijke vorm, thans niet aan de orde, uitgaande van de ultimum-remediumgedachte van de maatregel. Het hof legt verdachte voor het bewezen verklaarde daarom een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op, met als bijzondere voorwaarde dat hij zich houdt aan de aanwijzingen van de verslavingszorg, ook als deze een intramurale behandeling inhouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001238-09

Parketnummer eerste aanleg: 17-880076-09

Arrest van 10 augustus 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 7 mei 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1970] te [geboorteplaats],

postadres: [plaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.R. van der Pol, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Leeuwarden heeft verdachte bij voornoemd vonnis de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opgelegd, een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij en een maatregel opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de behandeling van het onderzoek ter terechtzitting zal schorsen ten behoeve van het doen opmaken van nadere rapportage over de invulling van een eventueel voorwaardelijk op te leggen ISD-maatregel. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de advocaat-generaal gevorderd dat (te zijner tijd) toepassing zal worden gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, nu voor dat feit geen (voorwaardelijke) ISD-maatregel kan worden opgelegd. Ten slotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof - gelet op voormeld verzoek om aanhouding en de grond daarvoor - het bevel tot voorlopige hechtenis zal opheffen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 11 februari 2009 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (personen)auto (van het merk Volkswagen) heeft weggenomen een autoradio/cdspeler, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

2.

hij op of omstreeks 11 februari 2009 te [plaats], toen de aldaar dienstdoende [verbalisant], brigadier van politie, verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 310/311 lid 1 onder 5 van het Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had aangehouden en vastgegrepen, althans vast had, teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het bureau van politie te [plaats], zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van haar bediening, door opzettelijk gewelddadig

- te rukken en/of te trekken in een andere richting dan die waarin die opsporingsambtenaar verdachte

wilde geleiden/brengen en/of

- met verdachtes beide armen om zich heen te slaan.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 11 februari 2009 te Leeuwarden met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een personenauto van het merk Volkswagen heeft weggenomen een autoradio/cd-speler, toebehorende aan [benadeelde], waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

2.

hij op 11 februari 2009 te [plaats], toen de aldaar dienstdoende [verbalisant], brigadier van politie, verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 310/311 lid 1 onder 5 van het Wetboek van Strafrecht, op heterdaad ontdekt, had aangehouden en vastgegrepen, teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het bureau van politie te [plaats], zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van haar bediening, door opzettelijk gewelddadig

- te rukken en te trekken in een andere richting dan die waarin die opsporingsambtenaar verdachte wilde

geleiden/brengen en

- met verdachtes beide armen om zich heen te slaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1.

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de schuldige een hem wegens diefstal opgelegde gevangenisstraf heeft ondergaan;

2.

wederspannigheid.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de in hoger beroep op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft erkend zich schuldig te hebben gemaakt aan (gekwalificeerde) diefstal van audio-apparatuur uit een personenauto. Hij heeft zich voorts verzet tegen zijn daaropvolgende aanhouding.

Het hof heeft - naast deze thans ter beoordeling staande feiten - gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 6 juli 2009, waaruit naar voren komt dat verdachte zich vanaf 1986 met grote regelmaat schuldig heeft gemaakt aan het plegen van strafbare feiten. Het gaat daarbij in overwegende mate om vermogenscriminaliteit, die in een rechtstreeks verband staat met verdachtes langdurige verslavingsproblematiek. In eerste aanleg is verdachte op vordering van de officier van justitie de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opgelegd. De advocaat-generaal heeft dit vooralsnog niet opnieuw gevorderd op grond van - kort gezegd - de overweging dat de ISD-maatregel dient te worden toegepast als een "ultimum remedium" en thans niet zonder meer vaststaat dat alternatieven, zoals oplegging van een ISD-maatregel in voorwaardelijke vorm, niet zouden kunnen worden beproefd. De advocaat- generaal heeft het hof dan ook verzocht de behandeling ter terechtzitting te schorsen ten behoeve van nader onderzoek naar laatstgenoemde optie.

Het hof overweegt hierover het navolgende.

Op zichzelf beantwoordt verdachte - gelet op zijn verslavingsgeschiedenis en de daarmee samenhangende omvangrijke documentatie - aan het profiel dat de wetgever voor ogen heeft gehad bij het in het leven roepen van de ISD-maatregel. Het onder 1 bewezen verklaarde betreft voorts een feit, waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Dit feit is door verdachte gepleegd om - na verkoop van de buit - cocaïne te kunnen kopen. Aldus is er sprake van verwervingscriminaliteit en valt er voor herhaling te vrezen. Uit de rapportage van 21 april 2009, opgemaakt door de Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) te Leeuwarden, blijkt evenwel dat verdachte desondanks op alle criminogene factoren gemiddeld tot laag scoort, hetgeen is bevestigd door de ter terechtzitting van het hof van 27 juli 2009 gehoorde getuige-deskundige Haarsma, werkzaam bij voornoemde VNN. Uit diens verklaring komt onder meer naar voren dat reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf slechts tweemaal eerder (in 2001 en 2006) niet tot resultaat heeft geleid. Het betrof echter in beide gevallen ambulant toezicht. Verdachte heeft nimmer een klinische behandeling ondergaan en was daartoe tot voor kort ook niet bereid. De getuige-deskundige heeft beargumenteerd dat een klinische opname ten behoeve van, vooreerst, diagnostiek en naar aanleiding daarvan een bij verdachte passende intramurale behandeling absoluut noodzakelijk is, maar dat dit niet per se in de vorm van een al dan niet voorwaardelijke ISD-maatregel behoeft plaats te vinden. Verdachte heeft het hof ter terechtzitting verzekerd gemotiveerd te zijn voor een dergelijke klinische opname.

Nu verdachte niet eerder van de mogelijkheid gebruik heeft gemaakt om in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een deels voorwaardelijke straf een klinische behandeling te ondergaan, is het hof van oordeel - mede uitgaande van de ultimum-remediumgedachte van de ISD-maatregel - dat oplegging van die maatregel, al dan niet in voorwaardelijke vorm, thans niet aan de orde is. Aan verdachte zal (daarom) een gevangenisstraf worden opgelegd van na te melden duur en modaliteit. Deze straf acht het hof noodzakelijk. Aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen vrijheidsstraf, dat van substantiële omvang zal zijn, zal de bijzondere voorwaarde worden verbonden dat verdachte zich zal houden aan de voorschriften en aanwijzingen, die hem worden gegeven door de Verslavingszorg Noord Nederland. Deze voorwaarden en aanwijzingen kunnen ook inhouden dat verdachte zich zal laten opnemen in het Intramuraal Motivatiecentrum (IMC) te Eelde, dan wel een ander instituut voor verslavingsdiagnostiek, en voorts dat verdachte de aldaar geadviseerde behandeling zal ondergaan, ook wanneer dit een klinische behandeling betreft.

Gelet op de duur van het onvoorwaardelijk op te leggen deel van de gevangenisstraf en de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, heeft het hof op 28 juli 2009 het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven, welke beslissing afzonderlijk is geminuteerd.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat haar vordering ad € 250,12 in eerste aanleg gedeeltelijk is toegewezen en dat zij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar gehele in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Nu de gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde feit, door en namens verdachte niet is weersproken en verdachte verklaard heeft bereid te zijn de schade te vergoeden, zal het hof de vordering toewijzen. Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof zal het toe te wijzen bedrag tevens toewijzen in de vorm van een schadevergoedings- maatregel.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 43a, 57, 180, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden;

beveelt, dat van de gevangenisstraf een gedeelte van zeven maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich onder toezicht zal stellen van de Verslavingszorg Noord Nederland, dan wel van een soortgelijke instelling, en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van die instelling; deze aanwijzingen kunnen ook inhouden dat verdachte een klinische opname en behandeling ondergaat in het Intramuraal Motivatie Centrum (IMC) te Eelde, dan wel een andere instelling voor verslavingszorg;

draagt genoemde instelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van tweehonderdvijftig euro en twaalf cent;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van tweehonderdvijftig euro en twaalf cent ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijf dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. F.W.J. den Ottolander en mr. A.J. Rietveld, in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel als griffier, zijnde mr. Den Ottolander voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.