Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ4915

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
17-03-2009
Datum publicatie
10-08-2009
Zaaknummer
200.014.402
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Officiersappel. Onvoldoende duidelijk dat alle 10 parkeerplaatsen in de nabijheid van het ziekenhuis voor gehandicapten waren bestemd? Aan begin en eind van de rij parkeerplaatsen staat evenwijdig aan de weg een bord E6 met onderbord met daarop een pijl die wijst naar de rij parkeerplaatsen. Wegmarkering (wit kruis of afbeelding van een rolstoel) ontbreekt. In dit geval geen onduidelijke situatie.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.014.402

17 maart 2009

CJIB 39109614836

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Arnhem

van 24 juni 2008

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Arnhem genomen beslissing gegrond verklaard en de inleidende beschikking vernietigd. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Daarbij is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 3 maart 2009. De betrokkene is niet verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. E.R. Jepkema.

De voorzitter heeft de zaak na de zitting verwezen naar de meervoudige kamer.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 130,- opgelegd ter zake van “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats anders dan met motorvoertuig op meer dan 2 wielen met geldige gehandicaptenparkeerkaart”, welke gedraging zou zijn verricht op 4 augustus 2007 om 16.00 uur op het Geert Grooteplein Zuid te Nijmegen.

2. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene gegrond verklaard en de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking vernietigd, nu volgens de kantonrechter op de plaats van de gedraging voor verkeersdeelnemers onvoldoende duidelijk zou zijn dat alle parkeerplaatsen bestemd zijn voor invaliden.

3. De officier van justitie voert aan dat niet in geschil is dat de betrokkene op een gehandicaptenparkeerplaats stond geparkeerd. Derhalve staat de gedraging vast en kon de kantonrechter reeds hierom het beroep niet gegrond verklaren. Voorts verwijst de officier van justitie naar jurisprudentie van dit hof, waarin het hof heeft geoordeeld dat van iedere weggebruiker mag worden verwacht dat hij oplettend is op aanwezige bebording en dat er op hem een plicht rust om te allen tijde en onder alle omstandigheden de voor hem geldende verkeerstekens tijdig op te merken en zich in staat te stellen daaraan te voldoen. Het had voor de betrokkene duidelijk moeten zijn dat de plek waar hij zijn voertuig parkeerde een gehandicaptenparkeerplaats betrof. Het betreffende onderbord kan niet anders worden opgevat dan dat het zich daarboven bevindende bord E6 betrekking heeft op alle parkeerplaatsen vanaf het bord naar links. Bovendien blijkt uit de door de betrokkene overgelegde foto's dat, anders dan de kantonrechter heeft overwogen, sprake is van twee borden E6, aan het begin en aan het einde van de rij parkeerplaatsen. Verder is er geen wettelijke bepaling die voorschrijft dat gehandicaptenparkeerplaatsen met witte kruizen dienen te worden gemerkt.

Voor zover de betrokkene betoogt dat de betreffende borden onbevoegd zijn geplaatst stelt de officier van justitie dat weggebruikers verplicht zijn gevolg te geven aan verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden, zonder dat onderscheid wordt gemaakt of de verkeerstekens al dan niet bevoegd zijn geplaatst.

4. De betrokkene stelt dat het voor hem niet duidelijk was dat het gehandicaptenparkeerplaatsen betrof. Hij werd ter plaatse geconfronteerd met een scala aan verkeersborden. Het bord E6 staat hier verdekt opgesteld. De parkeervakken zijn niet conform de richtlijnen herkenbaar aan de hand van witte kruizen. De betrokkene heeft advies ingewonnen bij een verkeerskundig docent, die hem het volgende wist te melden. Gehandicaptenparkeerplaatsen moeten, op grond van de uitvoeringsvoorschriften BABW, per plaats zijn voorzien van bord E6 en een wit kruis in het parkeervak. Omtrent deze inrichting moet een verkeersbesluit worden genomen door de gemeente Nijmegen. De betreffende weg is eigendom van het Radboudziekenhuis, en dat heeft de borden onbevoegd geplaatst. Als de gemeente bij de plaatsing betrokken was geweest, zou de inrichting wel aan de wettelijke eisen hebben voldaan.

5. Het hof stelt het volgende voorop. Artikel 62 RVV 1990 bepaalt:

"Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden."

6. Uit hoofdstuk E van bijlage 1 van het RVV 1990 blijkt dat een gehandicaptenparkeerplaats wordt aangeduid met bord E6.

7. Artikel 26 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV) 1990 bepaalt:

"Op een gehandicaptenparkeerplaats mag slechts worden geparkeerd:

a. een gehandicaptenvoertuig;

b. een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin een geldige gehandicaptenparkeerkeert is aangebracht of

c. indien de gehandicaptenparkeerplaats is gereserveerd voor een bepaald voertuig, dat voertuig."

8. Met betrekking tot de situatie op de plaats van de gedraging staat naar het oordeel van het hof het volgende vast. Het gaat om een rij van tien parkeerplaatsen, gelegen aan de rechterzijde van de weg. Deze weg leidt naar de hoofdingang van het ziekenhuis, het UMC St. Radboud in Nijmegen. Aan het begin en het einde van deze rij parkeerplaatsen is een bord E6 geplaatst. Onder het bord E6 aan het begin van de rij parkeerplaatsen is een onderbord geplaatst met daarop een pijl die naar links, naar de rij parkeerplaatsen wijst. Onder het bord E6 aan het einde van de rij parkeerplaatsen is een onderbord aangebracht met daarop een pijl naar rechts, ook wijzende in de richting van de rij parkeerplaatsen. Aan de overzijde van de weg is sprake van een zelfde situatie, met dien verstande dat zich in het midden van die rij parkeerplaatsen een derde bord E6 bevindt, met daaronder een onderbord met daarop twee pijlen, die naar beide einden van de rij parkeerplaatsen wijzen. Alle genoemde borden E6 zijn evenwijdig aan de weg geplaatst.

9. Ten aanzien van het al dan niet bevoegd geplaatst zijn van deze borden overweegt het hof, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 6 mei 1997, zaaknummer 711-96-V, als volgt. Artikel 62 RVV 1990 stelt vast de gedragsregel dat weggebruikers verplicht zijn gevolg te geven aan verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden, zonder dat onderscheid wordt gemaakt of de verkeerstekens al dan niet met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke voorschriften zijn geplaatst. Het staat dan ook niet ter beoordeling van de weggebruiker of een verkeersbord overeenkomstig de voorschriften en terecht is geplaatst.

10. Het hof overweegt voorts dat uit het Uitvoeringsbesluit BABW, noch uit enige andere wettelijke bepaling voortvloeit dat per gehandicaptenparkeerplaats een bord E6 dient te worden geplaatst. Hoewel markering door middel van een wit kruis of een afbeelding van een rolstoel de duidelijkheid van een gehandicaptenparkeerplaats ten goede komt, schrijft ook geen rechtsregel voor dat deze signaleringen op het wegdek van een gehandicaptenparkeerplaats moeten worden aangebracht. De omstandigheid dat er richtlijnen bestaan die het aanbrengen van signalering niettemin aanbevelen kan hieraan niet afdoen.

11. Verder overweegt het hof dat geen twijfel kan bestaan over het feit dat de gehele rij parkeerplaatsen gehandicaptenparkeerplaatsen betreft, nu sprake is van twee borden E6, met op elk onderbord een pijl waarmee wordt aangegeven dat ieder bord E6 betrekking heeft op meer dan één parkeerplaats, namelijk op de gehele rij parkeerplaatsen, en er zich aan de overzijde van de weg een nagenoeg vergelijkbare situatie bevindt. Dit temeer nu het naar het oordeel van het hof een feit van algemene bekendheid is dat parkeerplaatsen in de nabijheid van de ingang van een ziekenhuis doorgaans gehandicaptenparkeerplaatsen zijn.

12. Voor wat betreft de zichtbaarheid van de aangebrachte bebording overweegt het hof als volgt. Wanneer een bord enkel bij het inrijden van de straat, door plaatsing van andere verkeersborden, minder duidelijk zichtbaar is, heeft dat niet tot gevolg dat het bord per definitie onduidelijk is geplaatst. Als iemand verder de straat inrijdt heeft hij, zoals ook blijkt uit de zich in het dossier bevindende foto's, een goed zicht op dit bord. Ook hier geldt dat van een weggebruiker mag worden verwacht dat hij oplettend is op aanwezige bebording. Eventueel dient een betrokkene zich er na het parkeren van te vergewissen of parkeren op de betreffende parkeerplaats voor hem toegestaan is. Dat de betrokkene dat in dit geval heeft nagelaten dient voor zijn rekening en risico te komen.

13. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de situatie op de plaats van de gedraging naar het oordeel van het hof voldoende duidelijk en had de betrokkene er dan ook van op de hoogte kunnen en dienen te zijn dat het hier gehandicaptenparkeerplaatsen betrof. De betrokkene heeft niet ontkend ter plaatse te hebben geparkeerd, zodat de gedraging vaststaat.

14. Het hof zal nu dienen na te gaan of er redenen zijn om de opgelegde sanctie te matigen. Gelet op het voorgaande en nu blijkens hetgeen door de betrokkene is aangevoerd geen sprake was van een acute noodsituatie, maar dat de betrokkene op bezoek ging bij zijn in het ziekenhuis opgenomen moeder, ziet het hof geen aanleiding om de aan de betrokkene opgelegde sanctie te matigen.

15. Het hof zal, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het beroep ongegrond verklaren.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Wagtendonk, Dijkstra en Sekeris, in tegenwoordigheid van Suurmeijer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.