Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ4908

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-03-2009
Datum publicatie
10-08-2009
Zaaknummer
200.011.057
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beslissing officier van justitie niet op voorgeschreven wijze bekendgemaakt (3:41Awb). De kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat niet tijdig beroep bij hem is ingesteld. Vernietiging beslissing kantonrechter, maar geen terugwijzing. De kantonrechter heeft de zaak - ten onrechte - ook inhoudelijk behandeld. Het hof vindt daarin aanleiding de zaak zelf inhoudelijk te behandelen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Voertuigreglement 5.2.11
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 23
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.011.057

10 maart 2009

CJIB 39097355979

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Middelburg

van 10 juni 2008

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Middelburg genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 150,- opgelegd ter zake van “als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl deze niet is voorzien van een over de gehele lengte gasdichte uitlaat”, welke gedraging zou zijn verricht op 17 juli 2006 om 08.30 uur op de J. van Reigersbergstraat te Middelburg met het voertuig met het kenteken [AB-00-AB].

2. De kantonrechter heeft in zijn beslissing onder 3.1 en 3.2 overwogen waarom het beroep bij de kantonrechter te laat is ingesteld en geconcludeerd dat de betrokkene niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde beroep. In 3.3 is vervolgens overwogen: "Er zijn verder geen omstandigheden gebleken op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat de opgelegde sanctie moet worden gematigd. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard." Het dictum luidt dat het beroep ongegrond is.

3. De betrokkene voert aan dat hij de beslissing van de officier van justitie van 18 november 2006 niet heeft ontvangen en dat het risico daarvan bij de officier van justitie moet liggen, omdat ook voor hem de regel geldt dat degene die een stuk per gewone post verzendt in beginsel het risico aanvaardt dat het stuk niet of niet tijdig wordt ontvangen. Hij stelt dat de kantonrechter het beroep ten onrechte ongegrond heeft verklaard en verzoekt de zaak terug te wijzen naar de rechtbank voor een inhoudelijke behandeling van de zaak.

4. De beroepstermijn is een voorschrift van openbare orde waaraan de rechter ambtshalve dient te toetsen. Het hof overweegt daarover het volgende.

5. Ingevolge het bepaalde in artikel 9, eerste lid, WAHV in verbinding met de artikelen 6:7 en 6:8 Algemene wet bestuursrecht (Awb), dient het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de beslissing van de officier van justitie aan de betrokkene is toegezonden.

6. Het bepaalde in artikel 3:41, eerste lid, Awb brengt mee, dat eerst van bekendmaking van de beslissing op de voorgeschreven wijze sprake is, indien de mededeling naar het juiste adres -waarbij het door de betrokkene opgegeven adres leidend is- is verzonden.

7. De betrokkene heeft in zijn beroepschrift aan de officier van justitie als adres opgegeven: p/a [nieuwe adres en woonplaats]. In het dossier bevinden zich een kopie van de op 20 november 2006 verzonden ontvangstbevestiging en de op 10 november 2006 afzonderlijk verzonden motivering van de beslissing van de officier van justitie. Beide zijn gezonden naar het adres [oude adres en woonplaats]. Bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel gaat het hof er daarom vanuit dat ook de door het CJIB verzonden beslissing van de officier van justitie van 18 november 2006 naar dat, onjuiste, adres is gezonden.

8. Gelet op hetgeen onder 5 tot en met 7 is overwogen, is de beslissing van de officier van justitie niet op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt, zodat de onder 5 bedoelde termijn niet is aangevangen. Daaraan kan niet afdoen dat bij GBA-verificaties kennelijk is gebleken dat de betrokkene zijn achtereenvolgende adreswijzigingen niet heeft doorgegeven aan de gemeentelijke basisadministratie, zoals de officier van justitie tijdens de zitting van de kantonrechter heeft meegedeeld. Evenmin kan daaraan afdoen dat de betrokkene, die stelt op 6 juni 2006 te zijn verhuisd naar [[nieuwe woonplaatsadres]] bij zijn staandehouding zijn oude adres heeft opgegeven.

9. De betrokkene heeft tijdig beroep ingesteld bij de kantonrechter gelet op het voorgaande en op het feit dat hij meteen na ontvangst van de eerste aanmaning van 4 juni 2007 een brief aan het CJIB heeft geschreven, die het CJIB gelet op het bepaalde in artikel 6:15 Awb naar het oordeel van het hof door had moeten sturen naar de CVOM.

10. Nu de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep niet tijdig is ingediend, dient zijn beslissing te worden vernietigd en dient de zaak in beginsel te worden teruggewezen naar de rechtbank. In het feit dat de kantonrechter tevens een inhoudelijk oordeel heeft gegeven, zij het ten onrechte omdat hij in 3.2 heeft overwogen dat het beroep niet-ontvankelijk diende te worden verklaard, vindt het hof echter aanleiding de zaak niet terug te wijzen maar met vernietiging van de bestreden beslissing te doen hetgeen de kantonrechter zou behoren te doen. Het hof zal de zaak daarom ook inhoudelijk beoordelen.

11. De betrokkene heeft in zijn beroepschrift aan de officier van justitie van 15 oktober 2006 aangevoerd dat de verbalisant alleen heeft geconstateerd dat de uitlaat, een sportuitlaat, teveel lawaai maakte. De verbalisant heeft niet geconstateerd dat de uitlaat niet over de gehele lengte niet gasdicht was, aldus de betrokkene.

12. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

13. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt onder meer het volgende in:

“Gedragingsgegevens: in de aanhechting van de uitlaat nabij de middendemper en in de middendemper zat een gat van ca. 3 x 5 cm. Hierdoor was deze niet over de gehele lengte gasdicht en geluiddempend. (..)

Verklaring betrokkene: uitlaat is lek en heb geen tijd gehad om die te laten repareren.”

14. Nu de betrokkene geen voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant dat hij heeft gezien dat de uitlaat lek is, noch uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

15. Het hof stelt nog vast dat ten onrechte op 4 juni 2007 en 21 juli 2007 een eerste respectievelijk tweede verhoging is toegepast. De betrokkene heeft ingevolge dit arrest immers tijdig beroep bij de kantonrechter ingesteld. Beide verhogingen dienen dan ook ongedaan te worden gemaakt.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep bij de kantonrechter ongegrond;

bepaalt dat de aan de betrokkene opgelegde eerste verhoging van de sanctie ad € 37,50 en de aan de betrokkene opgelegde tweede verhoging van de sanctie ad € 93,75 door de advocaat-generaal ongedaan worden gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Van der Heide als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.