Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ4892

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-08-2009
Datum publicatie
10-08-2009
Zaaknummer
24-001580-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Woninginbraak, waarbij geweld is toegepast tegenover één van beide bewoners door middel van een stroomstootwapen en een mes. Verdachte heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan zowel de ten laste gelegde gekwalificeerde diefstal als het toegepaste geweld, op welke ontkenning het hof met nadere bewijsoverwegingen heeft gereageerd. Veroordeling tot gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001580-08

Parketnummer eerste aanleg: 19-810179-07

Arrest van 10 augustus 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Assen van 23 mei 2008 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met de parketnummers 19-810179-07 en 19-810179-07A, hierna te noemen respectievelijk zaak A en zaak B, tegen:

[verdachte],

geboren op [1962] te [geboorteplaats],

thans preventief gedetineerd in de P.I. Veenhuizen, gevangenis Esserheem te Veenhuizen,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E.J.M. de Wild, advocaat te 's-Hertogenbosch.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Assen heeft de verdachte vrijgesproken van het in zaak B ten laste gelegde en voor het in zaak A ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf, beslissingen genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen en maatregelen opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Omvang van het hoger beroep

De raadsvrouw van verdachte heeft verklaard geen hoger beroep te hebben willen instellen tegen de vrijspraak ter zake van het in zaak B ten laste gelegde. Het hof zal het hoger beroep aldus beperkt opvatten, in die zin dat verdachte in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte voor het ten laste gelegde in zaak A zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] voor wat betreft het immateriële deel zal toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 2.000,- en voor wat betreft het materiële deel tot een bedrag van € 2.091,28, met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in het overige deel van zijn (materiële) vordering. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze zal toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 400,-. Ten slotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze bedragen zal vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag waarop de schade is ontstaan en tevens de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, voor zover vatbaar voor hoger beroep, vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 juli 2007 te [plaats], gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op een voor de nachtrust bestemde tijd (ongeveer 02:45 uur) uit een woning, ([adres]), met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, een grote hoeveelheid geld, sieraden en/of andere goederen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn medeverdachte(n), waarbij verdachte en/of zijn/haar medeverdachte(n) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn medeverdachte(n) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn medeverdachte(n) die [benadeelde 1] onder stroom heeft/hebben gezet door middel van een stroomstootwapen en/of hem met een mes heeft/hebben gestoken.

Overwegingen omtrent het bewijs van het ten laste gelegde

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich, tezamen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan een woninginbraak, in dit geval een inbraak in een bewoond chalet, gesitueerd op het terrein van een boerderij in [plaats]. Daarbij werden volgens aangever geld en een groot aantal goederen ontvreemd. Voorts is ten laste gelegd dat verdachte - nadat hij in het chalet werd overlopen door aangever [benadeelde 1] - geweld tegen die [benadeelde 1] heeft gebruikt door een stroomstootwapen op diens borst te zetten en hem vervolgens met een mes in de hals te steken.

Verdachte heeft erkend dat hij zich naar de betreffende locatie heeft begeven met het doel aldaar op 15 juli 2007 in te breken. Eén van zijn mededaders heeft hem met de auto in de nabijheid van het in de tenlastelegging genoemde adres afgezet en zou hem, na een telefoontje van verdachte daartoe, ook weer op komen halen. Volgens informatie die verdachte had gekregen zouden zich in het chalet een aanzienlijke hoeveelheid geld, goud en sieraden bevinden. Bovendien zouden de bewoners in de betreffende nacht (naar alle waarschijnlijkheid) niet thuis zijn, maar zou verdachte wel rekening dienen te houden met de aanwezigheid van enkele honden. Verdachte heeft verklaard met het oog daarop zekerheidshalve het stroomstootwapen te hebben meegenomen.

Volgens zijn eigen verklaringen is verdachte in het geheel niet in het chalet geweest, maar zou hij op het terrein naast het chalet zijn opgewacht door de latere aangever [benadeelde 1], die een mes in zijn hand had en een hond bij zich had. Verdachte heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan zowel de ten laste gelegde gekwalificeerde diefstal als het toegepaste geweld.

Tegenover de door verdachte gegeven lezing van de gebeurtenissen staan de verklaringen van [benadeelde 1] en diens echtgenote [benadeelde 2]. Deze luiden - kort samengevat - als volgt:

[benadeelde 1], die op 14 juli 2007 ontslagen was uit het ziekenhuis, en zijn echtgenote waren in de nacht van 14 op 15 juli 2007 vroeg gaan slapen. Op hun bed in de slaapkamer van het chalet sliep tevens een hond, een poedel. Omstreeks 2.15 uur sloeg de hond aan. [benadeelde 1] verzocht hem rustig te zijn. Ongeveer 15 minuten later sloeg de hond opnieuw aan. [benadeelde 1] begaf zich in de richting van de slaapkamerdeur met de bedoeling het toilet te bezoeken. Hij deed geen verlichting aan om zijn vrouw niet te storen in haar slaap. Toen hij de deurklink naar beneden bewoog, voelde hij dat aan de andere zijde van de deur hetzelfde gebeurde. De deur ging (naar binnen) open en [benadeelde 1] stond oog in oog met een hem onbekende man, verdachte, die hem onmiddellijk een stroomstootwapen tegen de borst drukte. [benadeelde 1] hoorde de man zeggen: "Ik maak je dood. Ik maak je dood". [benadeelde 1] zag dat de man in de andere hand een mes vasthield en begreep dat hij onmiddellijk iets moet ondernemen. Hij sloeg zijn armen van achteren om de man heen en kneep net zo lang totdat het mes op de grond viel. Daarna vlucht de man in de richting van de woonkamer. Even later werd [benadeelde 1] door zijn vrouw erop gewezen dat hij hevig bloedde uit een wond in zijn nek. [benadeelde 1] realiseert zich dan dat hij op die plaats met het mes was gestoken. Verdachte blijkt even later niet meer in de woonkamer aanwezig. De aldaar aanwezige tuindeuren staan open. [benadeelde 1] gaat buiten op zoek naar verdachte, maar kan hem niet meer vinden. Het echtpaar wacht buiten op de komst van de politie en de ambulance.

Door [benadeelde 1] en zijn echtgenote wordt opgegeven dat er tal van sieraden zijn ontvreemd, alsmede mobiele telefoons, brillen en zonnebrillen, cash geld, cosmetica, sleutelbossen en creditcards.

[benadeelde 1] is als getuige gehoord ter terechtzitting van het hof van 27 juli 2009. Het hof heeft hem uitvoerig bevraagd over de gang van zaken op 15 juli 2007. De daaromtrent door de getuige afgelegde verklaringen komen het hof voor als consistent, authentiek en geloofwaardig, derhalve betrouwbaar. Daartegenover staan de verklaringen van verdachte, die voornamelijk worden gekenmerkt door complotgedachten en vermijdende antwoorden op concreet aan hem gestelde vragen.

Het hof heeft voorts gelet op het technisch bewijs voor de aanwezigheid van verdachte in het chalet. [benadeelde 1] heeft verklaard tijdens de worsteling een baseballpetje van het hoofd van de man te hebben geslagen. Dit in de gang van het chalet aangetroffen en door de Technische Recherche veiliggestelde voorwerp is onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut. De binnenrand ervan bleek celmateriaal (DNA) van verdachte te bevatten. Voorts heeft de Technische Recherche in de gang het mes aangetroffen. Op het heft daarvan werd eveneens celmateriaal van verdachte aangetroffen. Het bloed op het lemmet was afkomstig van [benadeelde 1].

Door de Technische Recherche is onder meer vastgesteld dat het bureau in de woonkamer zichtbaar was doorzocht, hetgeen ook gold voor het zich in het chalet bevindende kantoortje.

Voorts heeft de Technische Recherche geconstateerd dat de uitzethefboompjes van zowel het keukenraam als die van het toilet waren geforceerd.

Het hof heeft voorts gelet op de medische verklaring betreffende het letsel van [benadeelde 1] en de foto's van dat letsel. Daaruit blijkt dat er sprake was van brandwonden op de borst en snijwonden en -wondjes in de nek, onder het oor, op de linkerduim en de rechterpink en op beide armen van [benadeelde 1].

De echtgenote van [benadeelde 1], [benadeelde 2], heeft verklaard dat zij de onrust van de hond eveneens heeft waargenomen. Ze heeft ook gemerkt dat haar man opstond om naar het toilet te gaan. Ze ziet dan ineens vonken en hoort "geknetter" en lawaai. Ze staat op, doet het licht aan en loopt naar de gang. Ze ziet daar twee mannen vechten. Haar man roept dat ze de politie moet bellen. Ze ziet bloed aan de voorzijde van het lichaam van haar man.

Het hof stelt vast dat haar ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaring op enkele onderdelen afwijkt van de tegenover verbalisanten afgelegde verklaringen. Zo wist [benadeelde 2] bij de rechter-commissaris niet meer of zij de beide mannen heeft zien vechten. Zij weet nog wel dat zij de man "in een flits" heeft gezien in de gang en dat haar echtgenoot hevig bloedde uit zijn hals. Het hof acht de afwijkingen in haar bijna twee jaar na dato bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring ten opzichte van de direct na het incident afgelegde verklaringen niet van zodanige aard dat zij daarmee de lezing van [benadeelde 1] in essentie ondergraven.

Op grond van het vorenstaande, op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, voor zover hierna is aangegeven.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 15 juli 2007 te [plaats], gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met anderen, op een voor de nachtrust bestemde tijd (ongeveer 02:45 uur) uit een woning ([adres]), met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, geld, sieraden en andere goederen, toebehorende aan anderen dan aan verdachte en zijn medeverdachten, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen [benadeelde 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat verdachte die [benadeelde 1] onder stroom heeft gezet door middel van een stroomstootwapen en hem met een mes heeft gestoken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

diefstal vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de in hoger beroep op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft in de nachtelijke uren ingebroken bij een op een afgelegen locatie wonend echtpaar. Hij heeft zich daarbij niet alleen waardevolle goederen toege-eigend, maar ook niet geschroomd om geweld toe te passen, toen hij kennelijk onverwacht werd geconfronteerd met de aanwezigheid van de bewoners. Verdachte heeft de aangever [benadeelde 1] bij die confrontatie een stroomstootwapen op diens, niet door enige kleding beschermde, borst gezet, hetgeen bij aangever een heftige schrikreactie teweeg moet hebben gebracht. Voorts heeft verdachte [benadeelde 1] in de hals gestoken met een mes. Het moge duidelijk zijn dat een messteek in de halsstreek, kennelijk toegebracht tijdens een worsteling tussen aangever en verdachte, ook de halsslagader had kunnen raken. Verdachte heeft daarmee een groot risico genomen.

Uit de toelichting van [benadeelde 1] op zijn vordering als benadeelde partij komt naar voren dat zowel hij als zijn echtgenote last hebben (gehad) van deze overval. De verschijnselen duiden op een posttraumatisch stresssyndroom. Het echtpaar was er aanvankelijk van overtuigd dat het om een moordaanslag ging en dat verdachte het op hun beider leven had gemunt. Dat het nadien om een gewelddadig verlopen inbraak bleek te gaan, doet niet af aan het feit dat beiden zich ernstig aangetast hebben gevoeld en nog voelen in hun lichamelijke en psychische integriteit. Aangevers echtgenote is langdurig angstig geweest in haar eigen woning. Ter terechtzitting van het hof van 27 juli 2009 heeft [benadeelde 1] verklaard dat het met zijn echtgenote inmiddels beter gaat, maar dat hijzelf nu wekelijks een therapeutische behandeling ondergaat wegens een (verlaat) posttraumatisch stresssyndroom, terwijl hij nimmer eerder in zijn leven psychische klachten heeft gekend. Voor beiden is het leven sinds 15 juli 2007 ingrijpend veranderd.

Daartegenover staat de houding van verdachte, die naar de waarneming van het hof in hoofdzaak wordt gekenmerkt door verongelijktheid ten opzichte van het optreden van het justitiële apparaat en geenszins door enig gevoel van zelfinzicht of spijt over hetgeen hij anderen heeft aangedaan.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 24 december 2008, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten. In dit kader acht het hof het van belang om te vermelden dat verdachte zelf heeft verklaard reeds 25 jaar in te breken en daarin een grote bekwaamheid te hebben verworven.

Gelet op het vorenstaande acht het hof oplegging van een gevangenisstraf van substantiële duur aangewezen. Bij de bepaling van die duur acht het hof de in eerste aanleg opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf passend en geboden.

Benadeelde partij I

Uit het onderzoek ter 's hofs terechtzitting is gebleken, dat de benadeelde partij [benadeelde 1], wonende te [woonplaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zijn vordering ad € 34.134,76 in eerste aanleg gedeeltelijk is toegewezen en dat hij zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort. De benadeelde partij heeft zijn vordering gesplitst in een materieel deel ten bedrage van € 32.134,76 en een immaterieel deel ten bedrage van € 2.000,-.

Vaststaat dat door het bewezen verklaarde feit aan de benadeelde partij schade is toegebracht. Het immateriële deel van de vordering ten bedrage van € 2.000,- zal worden toegewezen, nu dit bedrag het hof als redelijk voorkomt.

Ten aanzien van het materiële deel overweegt het hof dat deze vordering grotendeels niet eenvoudig van aard is, met name omdat niet duidelijk is of, en zo ja welke van de gestolen goederen toebehoorden aan de benadeelde partij, dan wel aan zijn echtgenote, met wie de benadeelde partij buiten gemeenschap van goederen is gehuwd. Het hof zal dit deel van de vordering dan ook toewijzen voor zover uit de onderbouwing daarvan blijkt dat de betreffende goederen door de benadeelde partij zijn betaald en er aldus sprake is van de vereiste rechtstreekse schade. Dat geldt voor de beide trouwringen

(€ 3.682,54), een zegelring met briljanten (€ 2.085,-), een herenring (€ 250,-) en een collier met armband (€ 3.900,-). Dit leidt tot een toewijzing van het materiële deel van de vordering tot een bedrag van € 9.917,54.

Het hof is van oordeel, dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in zijn vordering in zoverre niet ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling dat de benadeelde partij zijn vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Het hof bepaalt tevens dat het toe te wijzen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

Gelet op het vorenstaande dienen de benadeelde partij en verdachte, als over en weer deels in het ongelijk gestelde partijen, ieder de eigen kosten te dragen van het geding en dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Benadeelde partij II

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is voorts gebleken, dat de benadeelde partij

C. de Vries (e.v. [benadeelde 1]), wonende te [woonplaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat haar vordering ten bedrage van € 400,- in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar gehele vordering tot schadevergoeding van rechtswege voort in hoger beroep.

Vaststaat dat door het bewezen verklaarde feit aan de benadeelde partij schade is toegebracht. Het gevorderde bedrag van € 400,- ter zake van geleden immateriële schade zal worden toegewezen, nu dit bedrag het hof als redelijk voorkomt. Het hof bepaalt tevens dat het toe te wijzen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van de ten behoeve van de benadeelde partijen toe te wijzen bedragen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f (oud), 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde beroep in zaak B;

vernietigt het vonnis, voor zover vatbaar voor hoger beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte in zaak A ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 1], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van elfduizend negenhonderdzeventien euro en vierenvijftig cent, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan en met dien verstande, dat indien één of meer van de mededaders van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen van het geding;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van elfduizend negenhonderdzeventien euro en vierenvijftig cent ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vierennegentig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, met dien verstande, dat indien één of meer van de mededaders van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 2], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van vierhonderd euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan en met dien verstande, dat indien één of meer van de mededaders van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van vierhonderd euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van acht dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, met dien verstande, dat indien één of meer van de mededaders van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. F.W.J. den Ottolander en mr. A.J. Rietveld, in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel als griffier, zijnde mr. Den Ottolander voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.