Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ4795

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-08-2009
Datum publicatie
07-08-2009
Zaaknummer
107.001.951/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Stoeipartij op het werk of onrechtmatige daad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 4 augustus 2009

Zaaknummer 107.001.951/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.S. Bauer, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde]

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.B Dijkema, kantoorhoudende te Leeuwarden.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 20 augustus 2008 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Ter voldoening aan de hem gegeven bewijsopdracht heeft [appellant] zelf als getuige een verklaring afgelegd en heeft hij [getuige 1] als getuige doen horen. In contra-enquête heeft [geïntimeerde] zelf als getuige een verklaring afgelegd en zijn [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6] als getuigen gehoord.

[appellant] heeft een memorie na enquête genomen, waarbij hij een tweetal producties heeft overgelegd. [geïntimeerde] heeft een antwoordmemorie na enquête genomen.

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. Het hof merkt allereerst op dat het proces-verbaal van de contra-enquête abusievelijk aangeeft dat die zitting op 19 maart 2008 is gehouden, terwijl dat in werkelijkheid op 19 maart 2009 is geschied. Het proces-verbaal wordt dienovereenkomstig verbeterd gelezen.

2. Bij tussenarrest van 20 augustus 2008 heeft het hof [appellant] opgedragen te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem op 21 oktober 2003 zodanig te mishandelen dat [appellant] dientengevolge het tibiaplateau in zijn linkerbeen heeft gebroken.

3. Bij de waardering van het door [appellant] bijgebrachte bewijs stelt het hof voorop dat uit art. 164 lid 2 Rv volgt dat hetgeen door een partij-getuige, op wie de bewijslast rust, is verklaard geen bewijs in zijn voordeel kan opleveren indien geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen, dat zij die partij-verklaring (voldoende) geloofwaardig maken. Bezien moet derhalve worden of de verklaring van [appellant], zijnde een partij-getuige in de hiervoor bedoelde zin, in voldoende mate wordt ondersteunt door aanvullend bewijs

4. Het hof stelt vast dat hetgeen [appellant] als partij-getuige heeft verklaard in de kern slecht enige ondersteuning vindt in hetgeen de getuige [getuige 1] heeft verklaard. Haar verklaring komt - voor zover van belang - op het volgende neer:

Op 25 oktober 2003 heb ik tijdens mijn bezoek aan [appellant] in het MCL aangegeven dat ik de volgende dag bij [geïntimeerde] op bezoek zou gaan. Ik heb dat ook gedaan en [geïntimeerde] liet mij binnen. Hij maakte zijn excuses en zei "sorry dat het zo gegaan is."Ik wist van [appellant] dat [geïntimeerde] het geslachtsdeel van [appellant] uit diens broek wilde halen en dat hij zei dat hij [appellant] aan zijn geslachtsdeel met een touwtje wilde ophangen. Ik heb [geïntimeerde] daarmee geconfronteerd en hij zei dat het een grapje was, rollendollen. [geïntimeerde] vertelde mij dat [appellant] hem heeft gevloerd en dat hij was opgestaan en tegenover [appellant] stond. Beide heren waren boos en stonden te trillen. [geïntimeerde] heeft toen een been om dat van [appellant] geslagen en hem scheef getrokken, waarbij het is gebeurd. Ik wist van [appellant] dat hij op het werk veel door [geïntimeerde] werd geplaagd.

5. [appellant] heeft weliswaar bij memorie na enquête nog een schriftelijke verklaring overgelegd van [getuige 7], maar deze verklaring houdt slechts in dat [appellant] door collega's waaronder [geïntimeerde] werd gepest en refereert op geen enkele wijze aan het gebeurde op 21 oktober 2003.

6. Daargelaten dat de verklaring van de getuige [getuige 1], gelet op haar vriendschappelijke relatie met [appellant] met de nodige voorzichtigheid moet worden gehanteerd, wordt hetgeen deze getuige omtrent aard en inhoud van het bezoek aan [geïntimeerde] heeft verklaard door [geïntimeerde] zelf volledig bestreden. [getuige 1] zou wel bij hem aan de deur zijn geweest, maar enkel om te vertellen dat hij [appellant] niet meer mocht bezoeken. Omtrent het gebeuren op de avond van 21 oktober 2003 geeft [geïntimeerde] als getuige een volstrekt andere lezing dan de getuige [getuige 1] uit zijn mond zegt te hebben opgetekend. De verklaring van [geïntimeerde] komt erop neer dat er sprake was van een stoeipartij, waarbij [appellant] eerst [geïntimeerde] op de grond heeft gewerkt en [appellant] en [geïntimeerde] vervolgens over en weer wat hebben staan duwen en trekken. Van een been om een been slaan zou geen sprake zijn geweest. [geïntimeerde] weet zich in zijn getuigenis omtrent de toedracht in essentie gesteund door hetgeen de (oog)getuigen [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] hebben verklaard, alsmede door wat de getuige [getuige 6] van [getuige 5] en een andere collega (mogelijk [getuige 4]) op die avond over de toedracht zegt te hebben gehoord toen [appellant] op de avond van 21 oktober 2003 bij hem de portiersloge werd binnengedragen.

7. Noch [geïntimeerde], noch een van de andere in contra-enquête gehoorde getuigen, maakt melding van een pesterij met een touwtje, waarover de getuige [getuige 1] spreekt en waarvan melding wordt gemaakt in het door [betrokkene] opgemaakte verslag hetwelk als productie 5 bij de conclusie van antwoord in eerste aanleg is overgelegd. In ieder geval is - nog daargelaten in hoeverre dat van belang zou zijn geweest - niet komen vast te staan dat er, behoudens het gedoe rondom een EHBO-formulier, een directe andere aanleiding was voor de stoeipartij waarvan alle in contra enquête gehoorde getuigen spreken.

8. Resumerend is het hof van oordeel dat het door [appellant] bijgebrachte aanvullende bewijs geheel, dan wel in zo belangrijke mate, door het in contra-enquête bijgebrachte bewijs wordt geneutraliseerd, dat het de verklaring van [geïntimeerde] niet in voldoende relevante mate kan ondersteunen, zodat diens verklaring niet tot bewijs kan dienen.

9. [appellant] is er derhalve niet in geslaagd het hem opgedragen bewijs te leveren. Hetgeen hij aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, komt ook in hoger beroep niet vast te staan, zodat de grieven, wat daar verder ook van zij, geen doel kunnen treffen.

De slotsom.

10. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (salaris advocaat: 3 punten tarief II).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 310,-- aan verschotten en € 2.682,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat en verklaart dit arrest op dit punt uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Kuiper en De Hek, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 4 augustus 2009 in bijzijn van de griffier.