Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ4732

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
31-07-2009
Datum publicatie
06-08-2009
Zaaknummer
BK 65/08 WOZ
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of de heffingsambtenaar het perceel voor de Wet WOZ terecht heeft aangemerkt als één onroerende zaak. Indien het hof deze vraag bevestigend beantwoordt, is vervolgens in geschil of de waarde van de onroerende zaak voor de Wet WOZ per peildatum 1 januari 2003 op een te hoog bedrag is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009, 1928 met annotatie van Groenewegen
FutD 2009-1680
Belastingblad 2009/1179

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

kenmerk: 65/08

uitspraakdatum: 31 juli 2009

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

Recreatievereniging "X", belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met nummer AWB 06/2867 van de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) van 8 februari 2008, in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Haren, de heffingsambtenaar

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) heeft de heffingsambtenaar bij beschikking van 31 augustus 2005 het perceel gelegen aan de a-straat 1 in de gemeente Haren (met kadastrale aanduiding 00000) vastgesteld op € 2.697.028. De waardebepaling is in één geschift met het aanslagbiljet onroerende-zaakbelastingen bekendgemaakt. Dit aanslagbiljet betreft de aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen 2005, eigenarenbelasting en gebruikersbelasting.

1.2 Het bezwaar tegen de onder 1.1 vermelde beschikking en aanslagen heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak van 2 november 2006 ongegrond verklaard.

1.3 Belanghebbende heeft op 7 december 2006 beroep ingesteld bij de rechtbank tegen de onder 1.2 vermelde uitspraak.

1.4 De rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak van 8 februari 2008, verzonden op 11 februari 2008, het beroep ongegrond verklaard. Aldaar is geprocedeerd zoals weergegeven in de voormelde uitspraak van de rechtbank.

1.5 Tegen de onder 1.4 vermelde uitspraak van de rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld. Het pro forma beroepschrift d.d. 18 maart 2008 (met bijlage) is op 21 maart 2008 door het hof ontvangen. Op 23 april 2008 heeft belanghebbende de gronden (met bijlagen) van het beroep ingediend. De heffingsambtenaar heeft op 20 juni 2008 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend. Vervolgens hebben partijen conclusies gewisseld. Voorafgaand aan de zitting heeft het hof op 18 juni 2009 een brief van de zijde van belanghebbende ontvangen.

1.6 Ter zitting van 29 juni 2009 heeft het hof het hoger beroep behandeld. Daarbij zijn verschenen namens belanghebbende mevrouw A (bestuurslid), mevrouw B (bestuurslid) en de heer C en namens de heffingsambtenaar de heren D en E, taxateur. Ter zitting heeft belanghebbende een pleitnota (met bijlagen) overgelegd en voorgelezen. De heffingsambtenaar heeft geen bezwaar gemaakt tegen de overlegging van de bijlagen.

1.7 Op 3 juli 2009 zijn op het ter zitting gedane verzoek van het hof van de zijde van belanghebbende nadere stukken ingekomen. De heffingsambtenaar heeft ter zitting aangegeven geen bezwaar daartegen te hebben. Een afschrift van die stukken is gezonden aan de heffingsambtenaar.

1.8 Van alle vermelde (en hierna nog te vermelde) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast.

2.1 Belanghebbende - volgens haar statuten genaamd Verblijfsrecreatievereniging "X"- is opgericht op .. januari 19... Zij stelt zich ten doel de belangen van de leden, welke belangen verband houden met de verblijfsrecreatie aan het b-meer, te behartigen. Zij stelt zich niet ten doel het maken van winst ter verdeling onder haar leden.

2.2 Een perceel in de gemeente Haren met kadastrale aanduiding 00000, groot 1 hectare en 40 are (hierna: het perceel) is in erfpacht uitgegeven aan belanghebbende. Het F heeft het perceel in eigendom. Het perceel omvat onder andere 35 verschillende zomerhuisjes, parkeerplaatsen, een toegangsweg en botenplaatsen. Een zwembad, detailhandel en horecagelegenheid zijn niet aanwezig. Ten behoeve van belanghebbende is een opstalrecht gevestigd.

2.3 Belanghebbende heeft 35 leden. Ten tijde van haar oprichting zijn aan de leden om niet gebruiksrechten uitgegeven. Een gebruiksrecht omvat het persoonlijke gebruik van een bepaald zomerhuisje, van de daaraan toe te rekenen grond van circa 225 m² alsmede van het gemeenschappelijke terrein (waaronder een toegangsweg en een gedeelte water met twee aanlegsteigers in het b-meer). Tevens omvat het gebruiksrecht een botenaanlegplaats en een autoplaats. De bij een zomerhuisje behorende grond is niet zichtbaar afgebakend.

2.4 De gebruiksrechten - en daarmee het lidmaatschap van belanghebbende - kunnen worden overgedragen. Degene die zijn/haar gebruiksrecht overdraagt, ontvangt daarvoor van het opvolgende (nieuwe) lid een vergoeding, zijnde een koopsom. Belanghebbende ontvangt daarvoor geen vergoeding. Over de toetreding van een (nieuw) lid beslissen alle leden. Het lidmaatschap eindigt door overlijden, door opzegging door het betreffende lid of door belanghebbende, of door royement. Ieder lid dient zich te houden aan de statuten, het huishoudelijke reglement, het terreinreglement en het boten- en autoplaatsenreglement. De statuten en het huishoudelijke reglement kunnen gewijzigd worden bij besluit van de algemene ledenvergadering, genomen met een meerderheid van ten minste 2/3 van het aantal uitgebrachte geldige stemmen.

2.5 Volgens het huishoudelijke reglement van belanghebbende - zoals dit ter zitting is aangegeven - is het een lid niet toegestaan het betreffende zomerhuisje te verhuren of in gebruik af te staan aan derden. Slechts kinderen of ouders van de leden mogen het zomerhuisje gebruiken of huren.

2.6 Het lidmaatschap van belanghebbende brengt mee dat jaarlijks een bedrag aan contributie moet worden betaald. Uit (onder andere) de contributie worden de kosten van belanghebbende gedekt. Deze kosten betreffen - zoals ter zitting is aangegeven - onder andere het onderhoud van het (gemeenschappelijke) terrein zoals de steigers, de beschoeiing, speelwerktuigen etc., de erfpacht, het bestuur en de lokale belastingen. De kosten worden hoofdelijk omgeslagen over de leden. De belastingen worden in verhouding tot de vastgestelde WOZ-waarden rechtstreeks verhaald op de leden. Op basis van een begroting van de kosten wordt de hoogte van de contributie bepaald.

2.7 Bij beschikking d.d. 31 augustus 2005 heeft de heffingsambtenaar het perceel aangemerkt als één onroerende zaak voor de Wet WOZ en de waarde vastgesteld op € 2.697.028. Deze beschikking is genomen ten aanzien van belanghebbende en bekendgemaakt in één geschrift met het aanslagbiljet onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 2005 (eigenaren- en gebruikersbelasting). De waardepeildatum is 1 januari 2003. De waardebeschikking geldt voor het tijdvak van 1 januari 2005 tot 1 januari 2007. Tegen die beschikking en tegen de aanslagen onroerende-zaakbelastingen 2005 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is ongegrond verklaard.

3. Het geschil

3.1 In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of de heffingsambtenaar het perceel voor de Wet WOZ terecht heeft aangemerkt als één onroerende zaak. Indien het hof deze vraag bevestigend beantwoordt, is vervolgens in geschil of de waarde van de onroerende zaak voor de Wet WOZ per peildatum 1 januari 2003 op een te hoog bedrag is vastgesteld.

3.2 Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het perceel ingevolge artikel 16, aanhef en onder e, van de Wet WOZ één onroerende zaak vormt. Kort samengevat voert zij hiertoe aan dat het beheer en het onderhoud van het terrein door belanghebbende een vorm van exploitatie is. Voor de waardering van het perceel wil belanghebbende dat de Taxatiewijzer Recreatieterreinen d.d. 15 november 2004 wordt toegepast. Hierbij doet zij een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende staat primair een waarde voor van € 414.867 en subsidiair een waarde van € 1.317.946.

Indien het hof de waardebepaling van de heffingsambtenaar volgt, is belanghebbende van mening dat het perceel niet in de zin van artikel 16, aanhef en onder e, van de Wet WOZ wordt geëxploiteerd.

Ter zitting heeft belanghebbende haar grief met betrekking tot het niet-horen ingetrokken.

3.3 De heffingsambtenaar stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat bij het nemen van de onderhavige waardebeschikking is gedwaald met betrekking tot de objectafbakening. Hij stelt dat de zomerhuisjes - zoals de handelwijze was voor 1 januari 2005 - afzonderlijk gewaardeerd hadden moeten worden. Voor zover het hof de objectafbakening juist acht, handhaaft de heffingsambtenaar zijn standpunt dat de waarde van het perceel per waardepeildatum 1 januari 2003 van € 2.697.028 niet te hoog is. Daarvoor verwijst hij naar het taxatierapport d.d. 9 juni 2008 van E, verbonden aan G bv. In dit rapport is de waarde bepaald op € 2.729.000 per waardepeildatum 1 januari 2003, het totaalbedrag van de waarden van de 35 zomerhuisjes.

3.4 Voor een meer uitgebreide weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Artikel 16 van de Wet WOZ, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

Voor de toepassing van de wet wordt als één onroerende zaak aangemerkt:

a. een gebouwd eigendom;

b. een ongebouwd eigendom;

c. een gedeelte van een in onderdeel a of onderdeel b bedoeld eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

d. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;

e. een geheel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen, of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan, of in onderdeel d bedoelde samenstellen, dat naar de omstandigheden beoordeeld één terrein vormt bestemd voor verblijfsrecreatie en dat als zodanig wordt geëxploiteerd.

4.2 Het onder 4.1 geciteerde onderdeel e is met ingang van 1 januari 2005 toegevoegd aan artikel 16 van de Wet WOZ. In de parlementaire behandeling is hierover onder andere het volgende opgemerkt:

"'De bestaande regels voor objectafbakening leiden er toe dat alle op recreatieterreinen gelegen onroerende recreatiewoningen en stacaravans met de bijbehorende (onder)grond, als afzonderlijke onroerende zaken worden aangemerkt, ook indien die woningen tot één eigendom behoren. Dit betekent in de praktijk dat voor al deze onroerende recreatiewoningen en onroerende stacaravans met de daarbij behorende grond de waarde afzonderlijk moet worden bepaald en vastgesteld en dat al deze objecten afzonderlijk worden betrokken in de heffing van de OZB en de waterschapsomslag gebouwd. Dit wordt niet doelmatig geacht in die gevallen waarbij al deze objecten behoren tot de eigendom of het zakelijk recht van één persoon.

De oplossingsrichting bestaat daarin dat de afbakening als afzonderlijke objecten achterwege blijft wanneer het gaat om een geheel van onroerende zaken, zoals recreatiewoningen en stacaravans, dat bijeengenomen een terrein vormt dat bestemd is voor verblijfsrecreatie en als zodanig wordt geëxploiteerd."

NvW, Kamerstukken II 2003/04, 29 612, nr. 7, blz. 2-3.

4.3 Naar het oordeel van het hof blijkt uit de onder 4.2 geciteerde parlementaire geschiedenis dat het de bedoeling van de wetgever is dat een terrein dat behoort tot het zakelijke recht van één persoon en bestemd is voor verblijfsrecreatie wordt aangemerkt als één onroerende zaak, mits dit terrein ook als zodanig wordt geëxploiteerd. Tussen partijen is niet in geschil dat het (onderhavige) perceel bestemd is voor verblijfsrecreatie. Nu dit standpunt van partijen geen blijk geeft van een rechtens onjuist standpunt zal het hof partijen daarin volgen. Tussen partijen is evenmin in geschil dat het perceel naar de omstandigheden beoordeeld één terrein vormt. De vraag die beantwoord moet worden is de vraag of het perceel bestemd voor verblijfsrecreatie door belanghebbende als zodanig wordt geëxploiteerd.

4.4 Naar het oordeel van het hof kan in de onderhavige situatie waarin de leden een in beginsel levenslang en persoonlijk gebruiksrecht hebben met betrekking tot (onder andere) een bepaald zomerhuisje en waarin bij overdracht van dit gebruiksrecht belanghebbende geen vergoeding ontvangt, niet gezegd worden dat belanghebbende het perceel exploiteert. De feiten wijzen veeleer op het kostendekkend beheer van het perceel door belanghebbende dan op een exploitatie door belanghebbende. Immers, belanghebbende gebruikt het perceel niet om er zelf enig voordeel mee te behalen. Het hof neemt daarbij in aanmerking het doel van belanghebbende (zie 2.1) en de onmiskenbare directe samenhang tussen de contributie en de kosten (zie 2.6). Ook de omstandigheid dat sprake is van een verregaande zeggenschap van belanghebbende over het gebruik van de zomerhuisjes anders dan door de leden (zie 2.5), leidt er naar het oordeel van het hof niet toe dat belanghebbende het perceel als zodanig exploiteert. Die zeggenschap dient namelijk - naar het hof aannemelijk acht - het belang van alle leden van belanghebbende.

4.5 Het vorenoverwogene leidt ertoe dat het perceel voor de Wet WOZ ten onrechte is aangemerkt als één onroerende zaak. Aan de beoordeling van de waardevaststelling komt het hof niet toe.

4.6 De slotsom is dat het hoger beroep doel treft en gegrond moet worden verklaard. De onderhavige WOZ-beschikking en de aan belanghebbende opgelegde aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen 2005 zullen vernietigd worden.

5. Proceskosten

Het hof acht termen aanwezig de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van haar (hoger) beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het hof bepaalt deze kosten op in totaal € 138, zijnde de reiskosten (€ 38) en verletkosten (€ 100) voor het bijwonen van de mondelinge behandeling van het (hoger) beroep door de heer C. Belanghebbende heeft in de bezwaarfase om een vergoeding ex artikel 7.15, tweede lid, van de Awb gevraagd. Aangezien er sprake is van een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid, leidt dit verzoek tot een tegemoetkoming in de kosten van de bezwaarfase ten bedrage van € 23, bestaande uit reiskosten (€ 3) en verletkosten (€ 20).

6. De beslissing

Het gerechtshof

vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

vernietigt de waardebeschikking d.d. 31 augustus 2005 van het perceel gelegen aan de a-straat 1 in de gemeente Haren;

vernietigt de aan belanghebbende opgelegde aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen d.d. 31 augustus 2005 ter zake van bovenstaand perceel;

veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van in totaal € 161; en

gelast de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van in totaal € 714 aan haar te vergoeden.

Aldus vastgesteld door prof.mr.dr. J.W. Zwemmer, voorzitter, mr. G.M. van der Meer en mr.dr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier. De beslissing is op 31 juli 2009 in het openbaar uitgesproken. De uitspraak is in verband met afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en door de griffier.

Afschrift aangetekend aan partijen verzonden op 5 augustus 2009

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.