Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ4372

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-07-2009
Datum publicatie
03-08-2009
Zaaknummer
107.002.075/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg overeenkomst. Wat zijn partijen overeengekomen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 28 juli 2009

Zaaknummer 107.002.075/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

gevestigd te [plaats],

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. P. van der Sluis, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

Gemeente Groningen,

zetelend te Groningen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: de gemeente,

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 23 juli 2008 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Ter voldoening aan de haar gegeven bewijsopdracht heeft [appellant] haar directeur [betrokkene 1] alsmede haar financieel adviseur [betrokkene 2] als getuige doen horen. In contra-enquête heeft de gemeente haar voormalige medewerker/ambtenaar [betrokkene 3] als getuige voorgebracht.

[appellant] heeft een memorie na (contra-)enquête genomen, waarna de gemeente hetzelfde heeft gedaan.

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. Bij bedoeld tussenarrest heeft het hof [appellant] toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat tussen haar en de gemeente is overeengekomen dat [appellant] over de periode 1 november 2005 tot en met 20 oktober 2006 voor het showterrein geen huurpenningen behoefde te betalen;

2. Bij de beoordeling van het bewijs stelt het hof voorop dat in artikel 164 Rv ligt besloten dat de verklaring van een partijgetuige (op wie de bewijslast rust) geen bewijs in haar voordeel kan opleveren indien geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij die partijverklaring voldoende geloofwaardig maken.

3. Het hof stelt vast dat de getuige [betrokkene 1] als een partijgetuige als hiervoor bedoeld moet worden aangemerkt, zodat moet worden bezien of die verklaring voldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen.

4. De getuige [betrokkene 2] heeft, zoals blijkt uit zijn eigen verklaring en bevestigd wordt door de getuige [betrokkene 3], [appellant] in het onderhavige onderhandelingstraject met de gemeente, na een eerste (telefonische) contact tussen de gemeente en [appellant], bijgestaan. Hij verklaart dat het steeds de insteek van de onderhandeling is geweest dat [appellant] de beide terreinen, dus ook het showterrein, nog gedurende vijf jaar om niet zou mogen gebruiken en dat er uiteindelijk op dat punt een deal is getroffen voor de periode van een jaar. [betrokkene 2] geeft daarbij aan dat het [betrokkene 3] duidelijk moet zijn geweest dat hij en [appellant] daarbij het oog hadden op beide terreinen.

5. [betrokkene 3] verklaart zeker te weten dat het bij de onderhandelingen omtrent het voortgezette gebruik om niet enkel ging om het bedrijfsterrein. Hij geeft aan dat het showterrein nooit onderwerp van gesprek is geweest voor wat betreft huur om niet.

6. Nu beide getuigen op het hof een betrouwbare indruk hebben gemaakt en er geen reden is meer geloof te hechten aan de ene dan aan de andere verklaring, moet worden vastgesteld dat beide verklaringen elkaar op het meest essentiële punt tegenspreken en elkaar derhalve in zoverre neutraliseren. Daarbij merkt het hof op dat de verklaring van [betrokkene 2], dat het [betrokkene 3] duidelijk moet zijn geweest dat ook het showterrein onderdeel was van de deal om niet voor een jaar deugdelijke onderbouwing mist, zodat niet kan worden uitgesloten dat partijen in de onderhandelingen elkaar hebben misverstaan.

7. Van voldoende ondersteuning van de verklaring van de partijgetuige [betrokkene 1] op essentiële punten is onder de gegeven omstandigheden geen sprake, zodat diens verklaring geen bewijs in het voordeel van [appellant] kan opleveren. Derhalve moet worden geconcludeerd dat het bewijs niet is geleverd.

Slotsom

8. Het beroepen vonnis dient te worden bekrachtigd. [appellant] zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep (salaris advocaat in hoger beroep: 2,5 punt tarief III).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van 23 augustus 2007, waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente op € 251,-- aan verschotten en € 2.895,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest voor wat de proceskosten veroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Rowel-van der Linde en Kuiper, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 28 juli 2009 in bijzijn van de griffier.