Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ4285

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
24-07-2009
Datum publicatie
30-07-2009
Zaaknummer
BK 55/08 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende mocht vertrouwen op de juistheid van de voorlopige aanslag IB/PVV 2002. Eveneens is in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur aan belanghebbende bij het opleggen van de onderhavige aanslag terecht heffingsrente in rekening heeft gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/2052 met annotatie van Fase
FutD 2009-1758
V-N 2009/49.10

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

kenmerk: 55/08

uitspraakdatum: 24 juli 2009

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z, belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak nummer AWB 06/2859 van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) van 25 januari 2008, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen, de inspecteur.

1. Het ontstaan en de loop van het geding

1.1 Met dagtekening 23 september 2005 is aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (: IB/PVV) opgelegd voor het jaar 2002. De belastbare inkomens zijn vastgesteld op nihil en het te betalen bedrag is € 1.647 in verband met een bij voorlopige aanslag verleende teruggaaf. Gelijktijdig heeft de inspecteur bij beschikking een bedrag van € 162 aan heffingsrente vastgesteld.

1.2 Het namens belanghebbende gemaakte bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar d.d. 20 november 2006 ongegrond verklaard.

1.3 Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij uitspraak van 25 januari 2008, verzonden op 28 januari 2008, het beroep ongegrond verklaard. Aldaar is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.

1.4 Op 10 maart 2008 heeft het hof van de zijde van belanghebbende een hoger beroepschrift (met bijlage) ontvangen, gericht tegen de onder 1.3 vermelde uitspraak van de rechtbank. Een nadere motivering van het beroep (met bijlage) is namens belanghebbende op 9 april 2008 ingestuurd. Van de inspecteur is op 8 mei 2008 een verweerschrift in hoger beroep ontvangen.

1.5 Ter zitting van 11 mei 2009 heeft het hof het hoger beroep behandeld. Daarbij is met kennisgeving niemand van de zijde van belanghebbende verschenen. Namens de inspecteur is de heer A verschenen

1.6 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Voor de feiten verwijst het hof naar hetgeen onder 2.1 tot en met 2.5 is vermeld in de betreffende uitspraak van de rechtbank. Deze feiten staan op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, vast. Deze feiten zijn als volgt (waarbij de woorden 'eiseres' en 'verweerder' moeten worden gelezen als 'belanghebbende' respectievelijk ' de inspecteur':

''2.1 Eiseres, geboren op .. juni 19.., is gehuwd met B, geboren op .. september 19... Eiseres genoot in het onderhavige jaar geen inkomen.

2.2 Op 12 november 2003 heeft verweerder eiseres' aangifte IB/PVV voor het jaar 2002 ontvangen.

2.3 Met dagtekening 18 februari 2004 heeft verweerder aan eiseres een voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2002 opgelegd. Hierbij heeft verweerder de door eiseres verschuldigde IB/PVV berekend op nihil en heeft hij ter zake van de voor eiseres geldende algemene heffingskorting van € 1.647,-- een teruggave aan eiseres verleend.

2.4 Bij het opleggen van de (definitieve) aanslag IB/PVV voor het jaar 2002 bleek verweerder dat eiseres geen IB/PVV verschuldigd was, terwijl haar echtgenoot evenmin IB/PVV verschuldigd was. Deze op 23 september 2005 gedagtekende aanslag leidde tot een terug te betalen bedrag van € 1.647,--, bestaande uit de bij voorlopige aanslag uitbetaalde heffingskorting. Over dit bedrag heeft verweerder aan eiseres een bedrag van € 162,-- aan heffingsrente in rekening gebracht.

2.5 Eiseres' adviseur heeft verweerder niet verzocht om aan haar voor het jaar 2002 een nadere voorlopige aanslag IB/PVV op te leggen.''

3. Het geschil in hoger beroep

3.1 In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende mocht vertrouwen op de juistheid van de voorlopige aanslag IB/PVV 2002. Eveneens is in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur aan belanghebbende bij het opleggen van de onderhavige aanslag terecht heffingsrente in rekening heeft gebracht.

3.2 Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend. De inspecteur neemt het tegenovergestelde standpunt in. Belanghebbende meent - kort samengevat en zakelijk weergegeven - dat de inspecteur bij het opleggen van de voorlopige aanslag IB/PVV 2002 redelijkerwijs had moeten weten dat belanghebbende niet in aanmerking kwam voor de verhoging van de gecombineerde heffingskorting. Ter onderbouwing van haar standpunt dat de onderhavige aanslag achterwege moet blijven verwijst belanghebbende onder andere naar het arrest van de Hoge Raad van 7 december 2007, nr. 44.096. Met betrekking tot de heffingsrente stelt zij zich op het standpunt dat de heffingsrente niet neutraal van karakter is. Volgens haar houdt de hoogte van de heffingsrente geen gelijk tred met de rente die een belastingplichtige kan ontvangen van een handelbank. De in rekening gebrachte heffingsrente vormt dan ook een bonus voor de inspecteur op het ten onrechte uitbetalen van de algemene heffingskorting, aldus belanghebbende.

3.3 De inspecteur stelt zich onverkort op het standpunt dat het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de terugbetaling van de verhoging van de gecombineerde heffingskorting juist is. Eveneens meent hij dat aan belanghebbende terecht heffingsrente in rekening is gebracht.

3.4 Voor een weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank met betrekking tot de terugbetaling van de heffingskorting op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het hof verwijst hiervoor naar de rechtsoverwegingen 4.1 tot en met 4.5 van de uitspraak van de rechtbank en maakt deze overwegingen tot de zijne.

4.2 Belanghebbende stelt dat de inspecteur op grond van het dossier van belanghebbende bij het opleggen van de voorlopige aanslag IB/PVV 2002 had moeten concluderen dat zij niet in aanmerking kwam voor de algemene heffingskorting. Nu kennisneming van haar dossier (en dat van haar echtgenoot) blijkbaar achterwege is gebleven en gekozen is voor een snelle, klaarblijkelijke geautomatiseerde verwerking, van de aangifte dienen de gevolgen daarvan voor rekening van de inspecteur te blijven, aldus belanghebbende. Naar het oordeel van het hof treft dit betoog van belanghebbende geen doel. Aard en wijze van totstandkoming van een voorlopige aanslag staan, naar het oordeel van het hof, in de weg aan het door belanghebbende gewenste (grondige) onderzoek door de inspecteur. Voorlopige aanslagen scheppen een grondslag voor het doen van vooruitbetalingen op de definitieve belastingschuld en plegen te worden vastgesteld aan de hand van niet of slechts zeer globaal door de inspecteur gecontroleerde gegevens. Voor een onderzoek naar of vergelijking met aangiften over eerdere jaren en voor een onderzoek naar de aangiften van haar echtgenoot

- zoal mogelijk - is geen plaats. Van bijzondere omstandigheden die daartoe nopen is in de onderhavige situatie niet gebleken. De door belanghebbende aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad is te dezen niet relevant aangezien die jurisprudentie navorderingsaanslagen betreft. In die jurisprudentie geeft de Hoge Raad namelijk uitleg aan artikel 16, eerste lid, van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), terwijl in het onderhavige geval de aanslag is opgelegd met toepassing van artikel 11 van de AWR.

4.3 Met betrekking tot belanghebbendes beroep inzake de heffingsrente overweegt het hof het volgende.

De gedingstukken geven geen blijk van de omstandigheid dat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen de onder 1.1 vermelde beschikking heffingsrente. De inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar d.d. 20 november 2006 evenmin iets opgemerkt met betrekking tot de in rekening gebrachte heffingsrente. Pas bij de mondelinge behandeling van het beroep door de rechtbank is de heffingsrente als geschilpunt naar voren gebracht. De rechtbank heeft dit geschilpunt in haar uitspraak opgenomen en het beroep ter zake van dit geschilpunt (en ter zake van de andere geschilpunten) ongegrond verklaard. Het hof is van oordeel dat het wettelijke stelsel met betrekking tot het maken van bezwaar tegen een beschikking waarbij heffingsrente is vastgesteld, geen aanknopingspunt biedt voor de opvatting dat een zodanig bezwaar zonder meer geacht moet worden besloten te liggen in het bezwaar tegen de aanslag en in de uitspraak op bezwaar. Nu echter de rechtbank wel aldus heeft gehandeld en de inspecteur ter zitting van het hof heeft ingestemd met deze gang van zaken, zal het hof het beroep tegen de heffingsrente zelf afdoen. Belanghebbende wordt niet geschaad door de wijze van afdoening door het hof (zie 4.4 hierna).

4.4 In de Kamerstukken II 2006/07, 30 804, nr. 22 is de motie van het Tweede Kamerlid Crone opgenomen. Deze motie luidt als volgt:

"De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

Constaterende, dat de heffingskortingen in de jaren 2002, 2003 en 2004 ongevraagd door de Belastingdienst zijn uitbetaald;

constaterende, dat deze uitbetaling ook geschiedde aan belastingplichtigen met te weinig belastingcapaciteit en zij er daardoor geen, of deels geen recht op hadden;

constaterende, dat de Belastingdienst uit het eigen computersysteem kon weten dat de toekenning in combinatie met het partnerinkomen niet klopte;

Constaterende, dat de Belastingdienst pas eind 2005 de teveel uitbetaalde bedragen heeft teruggevorderd verhoogd met te betalen heffingsrente;

Constaterende, dat de Regering de Kamer heeft toegezegd de heffingsrente op verzoek van de belastingplichtige achterwege te laten;

Verzoekt de Regering ruime bekendheid aan deze mogelijkheid te geven en daar waar mogelijk de betreffende belastingplichtigen hierover persoonlijk te benaderen;

En gaat over tot de orde van de dag,

Crone

Reactie van de minister

De motie vraagt terugbetaling van heffingsrente aan belastingplichtigen die ongevraagd in de jaren 2002, 2003 en 2004 ten onrechte de heffingskorting uitbetaald hebben gekregen van de Belastingdienst.

Heffingsrente wordt in het massale proces van de Belastingdienst automatisch in rekening gebracht als een te betalen aanslag wordt opgelegd. De massaliteit van de processen maakt het onmogelijk onder specifieke omstandigheden geen heffingsrente in rekening te brengen. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur kunnen er in bepaalde gevallen wel toe nopen dat in rekening gebrachte heffingsrente aan de belastingplichtige wordt teruggegeven. In die gevallen gebeurt dat bij aparte beschikking op verzoek van de belastingplichtige. In het voorlichtingsmateriaal zal de Belastingdienst expliciet gaan wijzen op deze mogelijkheid. Verder zal de Belastingdienst nagaan of het mogelijk is in het geval zoals bedoeld in de motie van de heer Crone mensen actief te wijzen op de mogelijkheid heffingsrente terug te vragen. In die zin zie ik de motie als een ondersteuning van het ter zake gevoerde beleid."

Gelet op de motie - die is aangenomen - en mede gelet op de uitlatingen van de staatssecretaris (zie de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 21 april 2006, TK 2005-2006, 30300 IXB, nr. 38) mag er, naar het oordeel van het hof, van worden uitgegaan dat de inspecteur gehouden is de in casu aan belanghebbende in rekening gebrachte heffingsrente op haar verzoek terug te geven. Immers, niet in geschil is dat aan belanghebbende, zonder een verzoek daartoe,de verhoging van de gecombineerde heffingskorting bij voorlopige aanslag is uitbetaald. De door de inspecteur ter zitting gestelde omstandigheid dat belanghebbende gebruik maakt van de diensten van een belastingadviseur mag aan de terugbetaling van heffingsrente, naar het oordeel van het hof, niet in de weg staan. Voormelde motie en brief van de staatsecretaris maken bovendien geen onderscheid naar het wel of niet gebruikmaken van de diensten van een professionele dienstverlener. Tot slot heeft de Belastingdienst wat betreft het onderhavige jaar er bewust voor gekozen om de verhoging van de gecombineerde heffingskorting bij voorlopige aanslag al te verlenen indien een belastingplichtige een laag of nihil inkomen heeft en een partner. Een koppeling met het inkomen van de partner is niet gemaakt, waardoor – zoals hier – fouten zijn ontstaan. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur daardoor niet zorgvuldig gehandeld en is er sprake van een onzorgvuldige aanslagregeling, zodat ook op die grond het in rekening brengen van heffingsrente niet op zijn plaats is.

4.5 Het vorenstaande brengt mee dat het hoger beroep van belanghebbende op het punt van de heffingsrente gegrond is. Het hof zal de uitspraak van de rechtbank vernietigen voor zover die betrekking heeft op de heffingsrente. De beschikking heffingsrente zal eveneens vernietigd worden.

5. De proceskosten

Het hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het hof stelt deze kosten voor het (hoger) beroep vast op € 966.

6. De beslissing

Het gerechtshof

vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover die ziet op de heffingsrente;

vernietigt de beschikking heffingsrente d.d. 23 september 2005;

veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 966 en wijst de Staat der Nederlanden aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen; en

gelast dat de Staat der Nederlanden het door belanghebbende betaalde griffierecht van in totaal € 145 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. G.M. van der Meer, voorzitter en raadsheer, mr. G.W.B. van Westen en prof. mr. J.J.M. Jansen, raadsheren-plaatsvervangers, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier. De beslissing is op 24 juli 2009 in het openbaar uitgesproken.

Afschrift aangetekend aan partijen

verzonden op 29 juli 2009

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.