Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ4260

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-07-2009
Datum publicatie
30-07-2009
Zaaknummer
24-002014-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 vrijgesproken (onvoldoende bewijs van schuld aanwezig) en ter zake van overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot een geldboete en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.

Verweer, dat het hof alleen maar over de subsidiair ten laste gelegde overtreding en niet meer over het primair ten laste gelegde misdrijf mag oordelen, omdat de rechtbank verdachte van het primair ten laste gelegde misdrijf heeft vrijgesproken en het uitsluitend een appel van verdachte betreft, verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-002014-08

Parketnummer eerste aanleg: 17-885160-07

Arrest van 9 juli 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 31 juli 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1978] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], van [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. R.G. Riemersma, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een overtreding veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd, dat:

verdachte op of omstreeks 27 maart 2007,te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een vierwielig motorrijtuig (een personenauto van het merk BMW, type 520i U9) rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg(en), de [straat 1] en/of de [straat 2], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, doordat verdachte roekeloos, althans zeer, in elk geval aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam is geweest, aangezien verdachte op of ter hoogte van de in die [straat 1]

gelegen (zogenaamde) mini-rotonde, gezien zijn rijrichting, bij het naar rechts afslaan, teneinde zijn weg te vervolgen over de [straat 2], het door hem bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad en/of de macht over het stuur heeft verloren en/of in een slip is geraakt en/of (vervolgens) daarbij of daarna om zijn as is getold of gedraaid en/of (vervolgens) op het weggedeelte bestemd voor het verdachte over die [straat 2] tegemoetkomende verkeer is beland of terechtgekomen of uitgekomen en/of (vervolgens) is aangereden of (op)gebotst tegen een, in oostelijke

richting (in de richting van voornoemde mini-rotonde), over die [straat 2] rijdende bestuurster van een fiets, waardoor, althans mede waardoor, de bestuurster van die fiets, [slachtoffer] geheten, (zwaar) lichamelijk letsel, te weten een breuk in de 2e nekwervel werd toegebracht, althans zodanig (zwaar) lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

verdachte op of omstreeks 27 maart 2007, te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een vierwielig motorrijtuig (een personenauto, van het merk BMW, type 520i U9) daarmee heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg(en), de [straat 1] en/of de [straat 2], en toen op of ter hoogte van de in die [straat 1] gelegen (zogenaamde) mini-rotonde, gezien zijn rijrichting, bij het naar rechts afslaan, teneinde zijn weg te vervolgen over [straat 2], het door hem bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad en/of de macht over het stuur heeft verloren en/of in een slip is geraakt en/of (vervolgens) daarbij of daarna om zijn as is getold of gedraaid en/of (vervolgens) op het weggedeelte bestemdvoor het verdachte over die [straat 2] tegemoetkomende verkeer is beland of terechtgekomen of uitgekomen en (vervolgens) is aangereden of (op)gebotst tegen een, in oostelijke richting (in de richting van voornoemde mini-rotonde), over die [straat 2] rijdende bestuurster van een fiets, tengevolge, althans mede tengevolge, van welke aanrijding of botsing de bestuurster van die fiets, [slachtoffer] geheten, (zwaar) lichamelijk letsel, te weten een breuk in de 2e nekwervel, werd toegebracht en/of schade aan (een) goed(eren) is ontstaan.

Het hof leest de straatnaam "[straat 1]" in het primair ten laste gelegde verbeterd in "[straat 1]" en de straatnaam "[straat 2]" in het subsidiair ten laste gelegde verbeterd in "[straat 2]". Hier is telkens sprake van een kennelijke misslag. Door de verbeterde lezing wordt verdachte telkens niet in zijn belangen geschaad.

Bespreking gevoerd verweer

De raadsman van verdachte heeft ter zitting van het hof aangevoerd, dat het hof alleen maar over het subsidiair ten laste gelegde en niet meer over het primair ten laste gelegde mag oordelen, omdat de rechtbank verdachte van het primair ten laste gelegde heeft vrijgesproken en het uitsluitend een appèl van verdachte betreft.

Met betrekking tot dit verweer overweegt het hof als volgt.

Het is vaste rechtspraak, dat indien een verdachte is vrijgesproken van het primair ten laste gelegde misdrijf en is veroordeeld ter zake van de subsidiair ten laste gelegde overtreding, artikel 407, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering meebrengt, dat bij de vraag of hoger beroep open staat, rekening moet worden gehouden niet alleen met het deel van de tenlastelegging ter zake waarvan is veroordeeld, maar met al het (ook primair) ten laste gelegde waaromtrent de rechtbank een beslissing heeft gegeven. Het hof verwerpt dan ook het verweer.

Vrijspraak

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zodat hij daarvan vrijgesproken dient te worden. Met name heeft het hof niet de overtuiging bekomen dat verdachte schuld heeft aan het ongeval in de zin van het hem ten laste gelegde artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Het hof overweegt daartoe dat het onderzoek naar het ongeval, zoals weergegeven in het daarvan door [verbalisant] op 24 juli 2007 opgemaakte proces-verbaal, geheel ontoereikend is geweest. Zo is het door de verdachte bestuurde voertuig niet onderzocht, is niet onderzocht met welke snelheid de verdachte deze personenauto zou hebben

bestuurd en is de plaats van het ongeval in het geheel niet (technisch) onderzocht. Het onderzoek geeft onvoldoende inzicht in de omstandigheden die een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van het ongeval, alsmede de mate waarin en de wijze waarop verdachte daaraan heeft bijgedragen.

Het na de uitspraak in eerste aanleg opgemaakte proces-verbaal Verkeersongevalanalyse van 15 december 2008 - anderhalf jaar na het ongeval - voorziet naar het oordeel van het hof onvoldoende in de gebreken van het eerdere onderzoek. Weliswaar geeft het rapport, dat deels is gebaseerd op aannames en waarvan de feiten deels door verdachte zijn weersproken, een aanvulling daarop doch niet in die mate dat op grond daarvan de overtuiging is ontstaan dat de verdachte schuldig is aan het ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Bewezenverklaring

Het hof acht het subsidiair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande, dat:

verdachte op 27 maart 2007, te [plaats], als bestuurder van een vierwielig motorrijtuig, een personenauto, van het merk BMW, type 520i U9, daarmee heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de [straat 1] en de [straat 2], en toen op of ter hoogte van de in die [straat 1] gelegen zogenaamde mini-rotonde, gezien zijn rijrichting, bij het naar rechts afslaan, teneinde zijn weg te vervolgen over [straat 2], het door hem bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad en de macht over het stuur heeft verloren en in een slip is geraakt en op het weggedeelte bestemd voor het verdachte over die [straat 2] tegemoetkomende verkeer is uitgekomen en is aangereden tegen een, in oostelijke richting, in de richting van voornoemde mini-rotonde, over die [straat 2] rijdende bestuurster van een fiets, tengevolge van welke aanrijding de bestuurster van die fiets, [slachtoffer] geheten, zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk in de 2e nekwervel, werd toegebracht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de overtreding:

subsidiair:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen hoofd- en bijkomende straf gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dat feit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder gelet op het navolgende.

Verdachte heeft op 27 maart 2007 als bestuurder van een personenauto een verkeersongeval veroorzaakt. Hij heeft de door hem bestuurde auto op of ter hoogte van een mini-rotonde bij het naar rechts afslaan niet voortdurend onder controle gehad. Hij heeft de macht over het stuur verloren en is in een slip geraakt. Daardoor is hij op het weggedeelte bestemd voor het tegemoetkomende verkeer uitgekomen. Daarbij is hij tegen een bestuurster van een fiets, [slachtoffer], die op dat moment in de richting van die mini-rotonde reed, aangereden. Als gevolg van die aanrijding heeft die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk in de 2e nekwervel, opgelopen. Verdachte heeft door zijn rijgedrag de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.

Uit de bij het schrijven d.d. 23 juni 2009 van E. Hakze-van der Berg, medewerkster slachtofferinformatie bij het ressortsparket Leeuwarden, gevoegde ongedateerde schriftelijke slachtofferverklaring van genoemde [slachtoffer] blijkt, dat zij nog steeds niet is hersteld. Ze heeft nog veel pijnklachten en is niet alleen beperkt in haar huiselijke bezigheden, maar ook in haar werk. Volgens mededeling van de advocaat-generaal ter zitting van het hof werkt [slachtoffer] thans twee ochtenden in de week van telkens 5 uren. Volgens de advocaat-generaal kan [slachtoffer] meer uren werk niet aan, omdat ze dan "op" is.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 maart 2009 blijkt, dat verdachte eenmaal - in september 2005 - ter zake van een snelheidsovertreding een transactie heeft voldaan en voorts, dat hij niet eerder is veroordeeld.

Het hof houdt rekening met de omstandigheid dat verdachte kostwinner is voor het gezin met drie kinderen en daarbij afhankelijk is van zijn rijbewijs. Hij is werkzaam als glazenwasser bij een klein bedrijf en zit aldaar nog in een proeftijd. Hij heeft zijn rijbewijs nodig voor zijn werk, omdat hij voornamelijk zijn werkzaamheden als glazenwasser alleen en met een auto van zijn werkgever verricht.

Op grond van het vorenstaande, in samenhang beschouwd, acht het hof de oplegging van een geldboete van € 500,=, niet alleen passend, maar ook geboden. Daarnaast is het hof van oordeel, dat aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid dient te worden opgelegd van 3 maanden, zij het voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Gelet op verdachtes - geringe - financiële draagkracht ziet het hof aanleiding te bepalen dat verdachte de geldboete in vijf opeenvolgende tweemaandelijkse termijnen mag voldoen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 (oud), 24 (oud), 24a (oud) en 24c (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 (oud) en 179 (oud) van de Wegenverkeerswet 1994.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte subsidiair ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van vijfhonderd euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van tien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in vijf opeenvolgende tweemaandelijkse termijnen elk groot honderd euro;

ontzegt aan de veroordeelde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van drie maanden;

beveelt, dat de bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. Rietveld, voorzitter, mr. Sekeris en mr. Koers-van der Linden, in tegenwoordigheid van Boersma als griffier, zijnde mr. Koers-van der Linden voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.