Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ4237

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
13-07-2009
Datum publicatie
30-07-2009
Zaaknummer
24-001767-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van huisvredebreuk veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een week.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-001767-08

Parketnummer eerste aanleg: 17-753282-08

Arrest van 13 juli 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 25 april 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1960] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte,

mr. H.J.J. Hendrikse, advocaat te Amsterdam.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsman van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het verdachte ten laste gelegde bewezen zal verklaren en hem ter zake zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 week.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 9 januari 2008, te [plaats], in de gemeente [gemeente], wederrechtelijk vertoevende in een woning gelegen aan of bij de [adres] en in gebruik bij de [naam], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd.

Verweer

De raadsman heeft zich - kort weergegeven - op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde omdat hij niet wederrechtelijk in de woning, die in gebruik was bij de [naam], vertoefde. De raadsman heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

Cliënt had, op basis van de tussen de [naam] en hem gesloten behandelovereenkomst, het recht om in de woning te vertoeven. Als het gaat om huisvredebreuk zijn er voorts in een geval als het onderhavige twee aanmaningen nodig om te vertrekken. De eerste dient om het wederrechtelijk vertoeven vast te stellen en de tweede om het niet verwijderen te constitueren.

Cliënt is pas op 9 januari 2008 om 08.00 uur aangezegd zich uit de woning te verwijderen. Kort daarop heeft hij de tweede aanmaning gekregen. Deze aanmaningen zijn zo kort op elkaar gedaan dat deze niet kunnen worden beschouwd als de vaststelling van het wederrechtelijk vertoeven en het constitueren van het zich niet-verwijderen. Hem is voorts niet schriftelijk meegedeeld dat hij zich uit de woning diende te verwijderen.

Uit de dossierstukken is het hof het volgende gebleken.

De [naam] hield zich bezig met opvang, begeleiding en hulpverlening aan met name mensen van Surinaamse afkomst die in Nederland in de problemen zijn geraakt. Verdachte maakte als cliënt deel uit van de bewoners van het pand van de Stichting. Aanvankelijk ging het goed met verdachte, maar sinds enkele weken vóór begin januari 2008 ging het bergafwaarts met hem. Hij begon begeleidend personeel en medebewoners te beledigen en te bedreigen. Het ging van kwaad tot erger. Hem is meermalen te verstaan gegeven dat hij, indien hij zijn gedrag niet zou aanpassen, uit het project zou worden verwijderd. Verdachte bleef zich echter onaangepast gedragen.

Naar aanleiding van het voorgaande werd besloten verdachte uit het project te plaatsen en hem op 9 januari 2008 om 08.30 uur terug te brengen naar Amsterdam. De politie en een beveiligingsbedrijf zijn hiervan op de hoogte gebracht.

Op 9 januari 2008 om 08.00 uur heeft de directeur van [naam] verdachte aangezegd zijn spullen te pakken en de woning te verlaten. Ondanks dat dit hem meermalen uitdrukkelijk is meegedeeld, bleef verdachte weigeren de woning te verlaten. Hierop is tegen 08.30 uur de politie te gebeld.

De directeur van de Stichting heeft, vergezeld van de politie, verdachte nogmaals meegedeeld zijn spullen te pakken en de woning te verlaten. Verdachte heeft daarop onder protest zijn spullen ingepakt, de woning verlaten en heeft plaatsgenomen in de gereedstaande auto die hem naar Amsterdam zou brengen.

Vervolgens is verdachte de auto uitgestapt, naar de woning gerend en de woning weer binnengegaan. In de woning is verdachte meermalen door de directeur van de Stichting en door de politie aangezegd de woning te verlaten. Hij weigerde desondanks de woning te verlaten. Daarop is verdachte aangehouden.

Artikel 7, tweede lid, van de behandelovereenkomst voor het Surivival-programma, houdt - voor zover van belang - het volgende in: 'In het geval dat er sprake is van (bedreiging) met geweld, intimidatie of agressie of van ongewenste intimiteiten jegens de hulpverlener is [naam] gehouden het hulpverleningsprogramma voor de cliënt te beëindigen.'

Op grond van het hiervoor opgenomen artikel, in samenhang bezien met het voorgaande, was er voor de [naam] een gegronde reden om verdachte van het programma uit te sluiten en uit de woning te zetten.

Uit het feit dat verdachte zijn spullen heeft gepakt en de woning heeft verlaten, valt af te leiden dat hem duidelijk was dat hij weg moest en dat er aan zijn verblijf bij de [naam] een einde was gekomen. Nadat verdachte uit de auto was gestapt en het pand weer was ingegaan, vertoefde hij wederrechtelijk in de woning. Toen hij vervolgens weigerde zich te verwijderen uit die woning, heeft hij zich dan ook schuldig gemaakt aan overtreding van het bepaalde in artikel 138, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Dat hem niet (tevens) schriftelijk was meegedeeld dat hij moest vertrekken, doet aan het voorgaande niet af. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 9 januari 2008, te [plaats], in de gemeente [gemeente], wederrechtelijk vertoevende in een woning gelegen aan of bij de [adres] en in gebruik bij de [naam], zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

wederrechtelijk vertoevende in een woning, bij een ander in gebruik, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder gelet op het navolgende.

Verdachte heeft op 9 januari 2008 inbreuk gemaakt op het huisrecht van de [naam] door niet op de vordering van de directeur van die Stichting aanstonds de woning te verlaten.

Uit een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 maart 2009, dat 28 pagina's beslaat, blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, onder meer tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de in eerste aanleg opgelegde en in hoger beroep door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf passend en geboden is en zal deze aan verdachte opleggen. Een andere, mildere strafvariant komt - gelet op verdachtes strafrechtelijke verleden - niet meer in aanmerking.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 63 (oud) en 138 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van één week.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. A.J. Rietveld, voorzitter, mr. P. Koolschijn en mr. S.J. van der Woude, in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers als griffier, zijnde mr. Van der Woude voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.