Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ4208

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-07-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
24-002007-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt wegens openlijke geweldpleging en mishandeling veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, en een taakstraf van 60 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002007-07

Parketnummer eerste aanleg: 18-650864-07

Arrest van 14 juli 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 27 juli 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1988] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans uit anderen hoofde verblijvende in PI Noord, gevangenis De Marwei te Leeuwarden,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. M. Wierts, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en een maatregel en heeft op de vordering van de benadeelde partij beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook indien deze inhouden dat verdachte zich onder behandeling van de AFPN dient te stellen. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot een bedrag van € 480,- met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 15 oktober 2006, gemeente [gemeente], met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, [straat], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde] en/of [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het slaan en/of stompen in het gezicht en/of het trappen en/of schoppen van die [benadeelde] en/of het slaan en/of stompen van die [slachtoffer 1];

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 15 oktober 2006, in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten

[benadeelde]) in het gezicht en/of op/tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of heeft getrapt en/of geschopt, en/of een persoon (te weten [slachtoffer 1]) heeft geslagen en/of gestompt waardoor voornoemde [benadeelde] en/of [slachtoffer 1] letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 7 december 2006, in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), meermalen, althans eenmaal, heeft geduwd en/of gestompt en/of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 19 april 2006, in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 3]),

- een arm om de nek en/of de hals heeft geslagen en/of

- in een houdgreep heeft genomen en/of

- tegen de grond heeft gewerkt en/of

- heeft geduwd (ten gevolge waarvan die [slachtoffer 3] ten val is gekomen),

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 15 oktober 2006, in de gemeente [gemeente], met anderen, op of aan de openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde] en [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het stompen in het gezicht en het trappen en/of schoppen van die [benadeelde] en het slaan en/of stompen van die [slachtoffer 1];

2.

hij op 7 december 2006, in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), meermalen heeft geduwd en gestompt en/of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

3.

hij op 19 april 2006, in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 3]),

- een arm om de nek en de hals heeft geslagen en

- in een houdgreep heeft genomen en

- tegen de grond heeft gewerkt,

waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

onder 1 primair:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

onder 2 en 3 telkens:

mishandeling.

Strafbaarheid

Omtrent verdachte is door H.A. Feringa, klinisch psycholoog, naar aanleiding van de ten laste gelegde feiten een psychologisch rapport d.d. 29 mei 2008 uitgebracht, welk rapport - zakelijk weergegeven - als conclusie inhoudt dat bij verdachte sprake is - en ook ten tijde van het ten laste gelegde was - van een gebrekkige ontwikkeling der geest-vermogens. Verdachte dient volgens Feringa als licht verminderd toerekeningsvatbaar te worden beschouwd.

Voorts is omtrent verdachte door T.W.D.P. van Os, psychiater, naar aanleiding van de ten laste gelegde feiten een psychiatrisch rapport d.d. 4 juni 2008 uitgebracht, welk rapport - zakelijk weergegeven - als conclusie inhoudt dat bij verdachte nog geen sprake is van een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens, maar wel van een beginnende persoonlijkheidsstoornis met een dreigend afglijden in een antisociale richting. Deze persoonlijkheidsproblematiek bestond ook reeds ten tijde van het ten laste gelegde. Verdachte dient volgens Van Os als licht verminderd toerekeningsvatbaar te worden beschouwd.

Gelet op de inhoud van voormelde rapporten kan het hof zich verenigen met de conclusies van de deskundigen Feringa en Van Os dat verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. Het hof neemt deze conclusies dan ook over en maakt die tot de zijne.

Nu niet is gebleken dat verdachte het ten laste gelegde in het geheel niet valt toe te rekenen en er ook anderszins geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht, acht het hof verdachte strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich in het jaar 2006 in een periode van bijna acht maanden driemaal schuldig gemaakt aan een geweldsdelict. Op 19 april 2006 heeft hij [slachtoffer 3] mishandeld door haar in een houdgreep te nemen en tegen de grond te werken, waar-door zij pijn heeft ondervonden. Op 15 oktober 2006 heeft hij tijdens de feestweek in [plaats] samen met anderen op de openbare weg geweld gepleegd tegen [benadeelde] en [slachtoffer 1]. Ten slotte heeft hij op 7 december 2006 [slachtoffer 2] mishandeld door hem te duwen en te stompen en/of te slaan ten gevolge waarvan [slachtoffer 2] letsel - te weten een gebroken neus - heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 27 april 2009. Hieruit blijkt dat verdachte zich na het plegen van de onderhavige feiten nog tweemaal schuldig heeft gemaakt aan een geweldsdelict. Ter zake van deze delicten is hij inmiddels onherroepelijk veroordeeld tot (deels voorwaardelijke) werkstraffen. Ter terechtzitting van het hof is voorts gebleken dat verdachte thans in voorlopige hechtenis zit op verdenking van - onder meer - betrokkenheid bij een tweetal vechtpartijen.

Het voorgaande rechtvaardigt in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof houdt echter ook rekening met het feit dat de onderhavige feiten inmiddels tussen de 2,5 en 3 jaar geleden zijn gepleegd, dat verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd en dat verdachte ter terechtzitting van het hof te kennen heeft gegeven graag een behandeling te willen ondergaan in verband met zijn agressieproblematiek. Met behulp van een jongeren-werker heeft hij naar eigen zeggen al twee intakegesprekken gehad bij de AFPN.

Gelet hierop - en rekening houdend met het strafadvies van de reclassering zoals neergelegd in het voorlichtingsrapport van 15 december 2008 - zal het hof conform de eis van de advocaat-generaal volstaan met oplegging van een werkstraf van na te melden omvang en een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarde die in het dictum is omschreven. De voorwaardelijke straf dient tevens als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat zijn vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en deels niet-ontvankelijk is verklaard. De benadeelde partij heeft zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Vast staat dat de benadeelde partij als direct gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit schade heeft geleden. Het hof is van oordeel dat deze rechtstreekse schade kan worden begroot op een bedrag van € 401,79, bestaande uit de posten loon-derving (€ 225,-) en no-claim (€ 255,- minus € 78,21 = € 176,79). Het hof zal de vordering derhalve toewijzen tot een bedrag van € 401,79, één en ander in dier voege, dat indien dit bedrag door één of meer van de mededaders geheel of gedeeltelijk wordt betaald, de verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij betreffende het bedrag van € 399,- ter zake van de mobiele telefoon niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in zoverre in zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling dat de benadeelde partij zijn vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Aangezien verdachte jegens voornoemd slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van het slachtoffer ermee is gediend, zal het hof voormeld toegewezen bedrag tevens toewijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel, met dien verstande dat indien dit bedrag door één of meer van de mededaders geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, de verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c (oud), 22d, 36f (oud),

57 (oud), 63 (oud), 141 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van twee maanden;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van die instelling, ook indien deze inhouden dat de veroordeelde zich onder behandeling dient te stellen bij de Ambulante Forensische Psychiatrie Noord-Nederland of een soortgelijke instelling;

draagt genoemde instelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van zestig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van dertig dagen zal worden toegepast;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij [benadeelde], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van vierhonderdéén euro en negenenzeventig cent;

met dien verstande, dat indien één of meer van de mededaders van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van vierhonderdéén euro en negenenzeventig cent ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] te [woonplaats];

met dien verstande, dat indien één of meer van de mededaders van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van acht dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. K. Lahuis, voorzitter, mr. G. Dam en mr. A.J. Rietveld, in tegenwoordigheid van mr. E. Hoekstra als griffier, zijnde mrs. Rietveld en Hoekstra voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.