Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ3952

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-07-2009
Datum publicatie
28-07-2009
Zaaknummer
24-000642-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van overtreding van artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren ten aanzien van de honden. Bewezenverklaring van overtreding van artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren ten aanzien van de paarden/pony's. Teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen honden en paarden/pony's. Ten aanzien van de in beslaggenomen paarden overweegt het hof dat van deze dieren ter gelegenheid van de inbeslagneming geen afzonderlijke gezondheidsverslag is opgemaakt. Volstaan is met een groepsbeoordeling van de inbeslaggenomen dieren. Daarmee kan het hof niet vaststellen in welke mate de gezondheidssituatie per dier zodanig is geweest dat het de (verstrekkende) straf van verbeurdverklaring rechtvaardigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-000642-09

Parketnummer eerste aanleg: 18-053047-04

Arrest van 27 juli 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1950] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. C.A. van Kooten-de Jong, advocaat te Montfoort.

Het arrest van de Hoge Raad

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 17 februari 2009 het arrest van dit gerechtshof van 23 maart 2007 ten aanzien van de vrijspraken van het onder 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde vernietigd. Het arrest van het hof was gewezen in hoger beroep van een vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 27 maart 2006. De door de advocaat-generaal ingestelde cassatie, zo concludeert de Hoge Raad, was niet gericht tegen de gegeven vrijspraken van de onder 1, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten. De Hoge Raad heeft de zaak in zoverre naar dit hof teruggewezen om, met inachtneming van zijn arrest, op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 9 maart 2007 en 13 juli 2009, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Geldigheid van de dagvaarding in hoger beroep

De raadsvrouw heeft bepleit dat de dagvaarding in hoger beroep voor de zitting van 13 juli 2009 nietig dient te worden verklaard. In de dagvaarding staat samengevat vermeld dat verdachte op voornoemde datum in hoger beroep terecht dient te staan ter zake van het hem in eerste aanleg ten laste gelegde. Dit is een onjuiste mededeling, nu slechts nog aan de orde is het ten laste gelegde onder 2 subsidiair en 3 subsidiair, aldus de raadsvrouw.

Het hof verwerpt het verweer. Uit het arrest van de Hoge Raad blijkt duidelijk ter zake van welke feiten de zaak is terug verwezen naar het hof. Verdachte en zijn raadsvrouw hebben er blijk van gegeven dat voor hen uit het arrest van de Hoge Raad duidelijk is welke feiten ter terechtzitting van 13 juli 2009 aan de orde zijn en dat de raadsvrouw hier ook van is uitgegaan bij het voorbereiding van de verdediging op de zitting van het hof. Verdachte is derhalve niet in zijn verdedigingsbelang geschaad.

Ontvankelijkheid van openbaar ministerie

De raadsvrouw heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte ter zake van het onder 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde, zoals aangegeven in haar pleitnota op pagina 2 en volgende onder 1, 2, 3 en 4.

Bij arrest van 23 maart 2007 heeft het hof reeds geoordeeld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Tegen dit oordeel is geen cassatiemiddel ingesteld en de Hoge Raad heeft het voornoemde arrest van dit hof slechts vernietigd voor zover dit betreft de vrijspraken van het onder 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde. Het oordeel van het hof over de ontvankelijkheid is derhalve onherroepelijk geworden. Derhalve zal het hof de gevoerde ontvankelijkheidsverweren niet verder bespreken.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen voor de onder 2 en 3 telkens subsidiair ten laste gelegde feiten tot een voorwaardelijke geldboete van € 250,- met een proeftijd van twee jaren en verbeurdverklaring van de in beslag genomen paarden en honden.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, voor zover aan hoger beroep onderworpen, vernietigen en in zoverre opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, voor zover in hoger beroep aan de orde, ten laste gelegd dat:

2 subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van februari t/m december 2004 te [plaats 1], althans in de gemeente [gemeente], als houder van een of meer dieren, te weten 17, althans een aantal paarden en/of pony's, aan dat/die dier(en) de nodige verzorging heeft onthouden, immers heeft hij toen aldaar die paarden en/of pony's welke te mager en/of ondervoed waren, althans in een slechte/matige conditie verkeerden, te weinig (voedselrijk) voedsel verstrekt en/of geen, althans onvoldoende (diergeneeskundige) hulp/verzorging verstrekt en/of doen verstrekken;

3 subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van februari t/m december 2004 te [plaats 1], althans in de gemeente [gemeente], als houder van een of meer dieren, te weten 7, althans een aantal, honden, aan dat/die dier(en) de nodige verzorging heeft onthouden, immers heeft hij toen aldaar die honden, welke vermagerd waren, onvoldoende (voedselrijk) voedsel verstrekt en/of onvoldoende (diergeneeskundig) verzorgd.

Vrijspraak van het ten laste gelegde onder 3 subsidiair

Verdachte heeft ontkend dat hij zijn honden de nodige verzorging en voeding heeft onthouden. De raadvrouw heeft bepleit verdachte vrij te spreken van dit feit.

Uit de bewijsstukken die zich in het dossier bevinden komt naar het oordeel van het hof duidelijk naar voren dat een aantal van de honden mager waren. Ten aanzien van de oorzaak waarom deze honden zo mager waren bevindt zich slechts één bewijsmiddel in het dossier.

Dit betreft een verklaring d.d. 16 december 2004, ondertekend door drs. [naam 1], dierenarts te [plaats 2]. Deze dierenarts komt tot de eindconclusie dat de door hem onderzochte 7 honden de broodnodige voeding en verzorging is onthouden.

Het hof is van oordeel dat de verwoorde eindconclusie niet wordt gedragen door de in de verklaring weergegeven bevindingen. Van iedere hond is door de dierenarts weliswaar vastgesteld dat deze (brood)mager is en van twee honden is vastgesteld dat deze een (lichte) oor- of ooginfectie hebben, maar in de verklaring wordt niet inzichtelijk gemaakt waarom dit tot de conclusie leidt dat dit is te wijten aan het verstrekken van te weinig voeding of verzorging. Er blijkt niet uit de verklaring dat enig onderzoek is verricht naar mogelijke andere oorzaken voor de omstandigheid dat de dieren te mager zijn of ontstekingen hebben.

Het hof kan de verklaring van voornoemde dierenarts voor zover deze ziet op de oorzaak van het mager zijn van de dieren niet gebruiken voor het bewijs nu op grond van het voorgaande de conclusie niet door het hof kan worden overgenomen.

Datzelfde geldt voor de zich in het dossier bevindende verklaring d.d. 13 december 2004 van [naam 2], dierenarts te [plaats 3], die concludeert dat de honden te mager zijn en dat die dieren de nodige verzorging is onthouden. Nu deze laatste conclusie op geen enkele wijze is onderbouwd net als de conclusie van drs. [naam 1] voormeld, acht het hof deze verklaring om dezelfde reden als hiervoor omschreven niet bruikbaar voor het bewijs.

De verklaringen van A.F. Paas en S.J. Lanters, beiden werkzaam als districtsinspecteur in dienst van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) dat zij zagen en voelden dat de honden te mager waren, kunnen slechts voor dit aspect bijdragen tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde en niet voor wat betreft de oorzaak van dit mager zijn. Daarbij wordt nog opgemerkt dat het opvallend is dat Paas heeft verklaard dat hij één van de onderzochte honden reeds tijdens eerdere inspecties had gezien, maar uit het dossier blijkt niet dat er tijdens die eerdere inspecties zorgen waren over de gezondheidstoestand van die hond of andere honden.

Nu een concreet bewijsmiddel voor het aan verdachte ten laste gelegde te weinig voedsel verstrekken aan deze honden en/of geen, althans onvoldoende, (diergeneeskundige) hulp/verzorging verstrekken of doen verstekken aan de honden, hetgeen geresulteerd zou hebben in de magerheid van de honden ontbreekt, acht het hof niet bewezen hetgeen onder 3 subsidiair aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging ten aanzien van het ten laste gelegde onder 2 subsidiair

De raadsvrouw heeft bepleit verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde onder 2 subsidiair, nu geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig is dat verdachte zijn paarden de nodige verzorging heeft onthouden. Door de dierenartsen is ondeugdelijk onderzoek verricht, nu slechts een groepsbeoordeling is gemaakt en niet ieder paard afzonderlijk is onderzocht. Voorts voldoen de door hen opgestelde onderzoeksrapporten niet aan de daaraan te stellen eisen. De onderzoeksrapporten zijn derhalve niet te gebruiken voor het bewijs.

Het hof overweegt dat [naam 3], dierenarts te [plaats 4] d.d. 14 december 2004 heeft verklaard dat de door hem onderzochte 17 paarden en pony's allemaal erg tot zeer ernstig vermagerd zijn, hoogstwaarschijnlijk ten gevolge van het onthouden van adequate voeding en een worminfectie van de maag en darmen. Gelet op de zeer slechte conditie van de dieren is de dierenarts van oordeel dat de nodige verzorging is onthouden. Alhoewel de verklaring van de dierenarts zeer summier is, acht het hof deze verklaring - bezien in samenhang met de verklaring van getuige [getuige], de processen-verbaal van de inspecteurs van de LID en de dierenartsen [naam 4] en [naam 2] - bruikbaar voor het bewijs.

[getuige], werkzaam als verzorger op het bedrijf van verdachte vanaf half oktober 2004 en ook nog op de dag van inbeslagneming, heeft samengevat verklaard dat de (later) in beslaggenomen paarden vanaf zijn eerste werkdag tot aan de dag van inbeslagneming te weinig voeding kregen, omdat er onvoldoende voer aanwezig was op het bedrijf. Het verweer van de raadsvrouw dat de verklaring van [getuige] niet bruikbaar is voor het bewijs, omdat deze verklaring niet betrouwbaar is aangezien [getuige] schizofreen is, wordt verworpen. Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld te zeggen dat bij [getuige] ten gevolge van een psychische aandoening ongebruikelijke percepties of gedachten, zoals wanen en hallucinaties zouden hebben bestaan, overweegt het hof, dat de door [getuige] waargenomen magerheid van verdachtes paarden steun vindt in tal van andere verklaringen. In dit licht bezien is het hof van oordeel dat de enkele omstandigheid dat [getuige] zou lijden aan een psychische aandoening zijn verklaring niet onbetrouwbaar maakt. Deze verklaring zal dan ook voor wat betreft het aspect dat hij heeft waargenomen dat verdachte zijn paarden te weinig te eten gaf gebruikt worden voor het bewijs.

Uit de processen-verbaal van de LID blijkt dat er in de maanden februari, april, september en oktober voorafgaand aan de inbeslagneming op 13 december 2004 inspecties zijn geweest op het bedrijf van verdachte. Daarbij is door de inspecteurs telkens vastgesteld dat er magere paarden en pony's op het bedrijf aanwezig waren en is verdachte geadviseerd de dieren meer voeding te geven. Dierenarts [naam 4] heeft in oktober 2004 reeds geconstateerd dat de paarden en pony's te schraal waren en dierenarts [naam 2] heeft op 13 december 2004 geconstateerd dat de door hem onderzochte paarden vermagerd zijn ten gevolge van onvoldoende voeding en onvoldoende ontwormen.

Op grond van deze bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn paarden onvoldoende heeft gevoerd en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde onder 2 subsidiair.

Verdachte heeft verklaard dat er enkele paarden en pony's, circa 3 stuks, door hem als zorgpaard worden aangemerkt, dat wil zeggen dat deze dieren reeds andere aandoeningen hadden en/of verwaarloosd door verdachte zijn aangekocht. Het hof zal deze dieren op grond van deze verklaring derhalve buiten de bewezenverklaring laten.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 2 subsidiair aan verdachte is ten laste gelegd, met dien verstande dat

hij in de periode van februari tot en met 13 december 2004 te [plaats 1], als houder van een aantal paarden en/of pony's, aan die dieren de nodige verzorging heeft onthouden, immers heeft hij toen aldaar die paarden en/of pony's welke te mager waren, te weinig (voedselrijk) voedsel verstrekt en/of doen verstrekken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

overtreding van artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

Strafbaarheid

Verdachte is strafbaar. Strafuitsluitingsgronden zijn niet aanwezig.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft in de periode van februari 2004 tot en met 13 december 2004 aan een aantal paarden de nodige verzorging onthouden door deze dieren onvoldoende (voedselrijk) voedsel te verstrekken. Aldus heeft hij het belang geschonden dat de wet beoogt te beschermen, te weten het welzijn van de dieren.

Uit een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 22 april 2009 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, zij het niet voor soortgelijke feiten.

Gelet op het vorenstaande acht het hof oplegging van een hogere dan de door de advocaat-generaal gevorderde geldboete een passende bestraffing. Dit vanwege het (grote) aantal verwaarloosde dieren. Het hof zal deze geldboete geheel voorwaardelijk opleggen, nu verdachte reeds financieel is getroffen, omdat zijn paardenfokkerij schade leed vanwege de inbeslagname van zijn paarden. Het opleggen van de voorwaardelijke geldboete heeft voorts (mede) tot doel om recidive door verdachte, die heeft verklaard nog steeds paarden en pony's te hebben, te voorkomen.

Het hof ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, zoals de raadsvrouw heeft betoogd.

Inbeslaggenomen dieren

honden

Op 13 december 2004 zijn onder verdachte 6 honden inbeslaggenomen, waaronder 5 kleine zwarte hondjes en 1 grotere zwarte hond. Verdachte heeft afstand gedaan van de inbeslaggenomen 5 kleine zwarte hondjes. Van de grotere zwarte hond heeft verdachte geen afstand gedaan. Tevens is onder verdachte op 15 december 2004 een hond van het ras Boerboel inbeslaggenomen.

Het hof zal de teruggave aan verdachte gelasten van de grotere zwarte hond en van de hond van het ras Boerboel, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

paarden

Op 13 december 2004 zijn onder verdachte 17 paarden/pony's in beslaggenomen. Eén van deze dieren, de dekhengst Excellenzie, is reeds eerder aan verdachte teruggegeven. Het beslag betreft derhalve nog 16 paarden en pony's.

Van deze dieren is ter gelegenheid van de inbeslagneming geen afzonderlijke gezondheidsverslag opgemaakt. Volstaan is met een groepsbeoordeling van de inbeslaggenomen dieren. Daarmee kan het hof niet vaststellen in welke mate de gezondheidssituatie per dier zodanig is geweest dat het de (verstrekkende) straf van verbeurdverklaring rechtvaardigt. Het hof zal daarom beslissen dat de nog resterende 16 dieren dienen te worden teruggegeven aan verdachte.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a , 14b , 14c, 23 24 , 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 37 en 122 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren zoals deze toepasselijk waren ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, voor zover voor hoger beroep vatbaar, en in zoverre opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 3 subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 2 subsidiair ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van vijfhonderd euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van tien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

beveelt, dat de geldboete niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

gelast de teruggave aan verdachte van:

- 16 paarden en/of pony's , inbeslaggenomen op 13 december 2004;

- een grote zwarte hond, inbeslaggenomen op 13 december 2004;

- een hond (Boerboel), inbeslaggenomen 15 december 2004.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. K. Lahuis, voorzitter, mr. H.J. Deuring en mr. F.W.J. den Ottolander, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Mulder als griffier, zijnde mr. Lahuis voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.