Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ3778

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-07-2009
Datum publicatie
28-07-2009
Zaaknummer
200.026.852/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de man is het hof van oordeel dat de beantwoording van de vraag of het in dezen om een zogeheten "oud geval" of een zogeheten "nieuw geval" gaat wordt bepaald door hetgeen artikel II lid 1 WLA bepaalt. Het daarin voorkomende woord "toegekend" brengt mee dat de datum waarop de rechter voor het eerst de alimentatieverplichting (afgezien van die in het kader van eventuele voorlopige voorzieningen) heeft uitgesproken bepalend is. Niet de inschrijvingsdatum van de echtscheidingsbeschikking en evenmin de in de beschikking opgenomen datum van ingang van de betalingsverplichting is bepalend; deze laatste datum is (overgangsrechtelijk) alleen aan de orde voor de bepaling wanneer de termijn van vijftien jaren, waarvan in artikel II lid 2 WLA sprake is, is aangevangen. Het hof merkt terzijde op dat laatstgenoemd artikellid, dat betrekking heeft op zogeheten "oude gevallen", in lijn met hetgeen uit lid 1 van dat artikel volgt, rept van "een vóór de inwerkingtreding van deze wet gewezen rechterlijke uitspraak.

Wetsverwijzingen
Wijzigingswet Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (limitering van alimentatie na scheiding)
Wijzigingswet Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (limitering van alimentatie na scheiding) II
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2009/153

Uitspraak

Beschikking d.d. 21 juli 2009

Zaaknummer 200.026.852/01

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. G. Meijer, kantoorhoudende te Veendam,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.S. Visser, kantoorhoudende te Stadskanaal.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 25 november 2008 heeft de rechtbank Groningen de man

niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot wijziging van de beschikking van

7 juni 1994 van diezelfde rechtbank.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 24 februari 2009, heeft de man verzocht de beschikking van 25 november 2008 te vernietigen en opnieuw beslissende alsnog

I. te bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van 1 juni 2008 een bijdrage in de kosten van levensonderhoud dient te voldoen van € 386,- per maand, althans een zodanige bijdrage als het hof zal vermenen te behoren,

II. de alimentatieverplichting van de man met ingang van 13 juli 2009, althans met ingang van een door het hof te bepalen datum te beëindigen.

Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld is van de zijde van de vrouw geen verweerschrift binnengekomen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken.

De beoordeling

1. Bij beschikking van 7 juni 1994 van de rechtbank Groningen is - voor zover hier van belang - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is de man veroordeeld om vanaf de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw een bedrag van ƒ 900,- per maand te betalen. De echtscheidings-beschikking is op 13 juli 1994 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2. Op 1 juli 1994 is de Wet limitering alimentatie na scheiding (hierna: WLA) in werking getreden. Artikel II lid 1 WLA bepaalt dat deze wet alléén van toepassing is op de uitkeringen tot levensonderhoud die na de inwerkingtreding van deze wet door de rechter zijn toegekend of tussen partijen zijn overeengekomen. Artikel II lid 2, eerste volzin, WLA bepaalt dat de rechter, op verzoek van degene, die op grond van een vóór de inwerkingtreding van deze wet gewezen rechterlijke uitspraak verplicht is een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken, de verplichting beëindigt, indien deze op of na dat tijdstip vijftien of meer jaren heeft geduurd, tenzij hij van oordeel is dat de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van degene die tot de uitkering gerechtigd is kan worden gevergd.

3. Met de man is het hof van oordeel dat de beantwoording van de vraag of het in dezen om een zogeheten "oud geval" of een zogeheten "nieuw geval" gaat wordt bepaald door hetgeen artikel II lid 1 WLA bepaalt. Het daarin voorkomende woord "toegekend" brengt mee dat de datum waarop de rechter voor het eerst de alimentatieverplichting (afgezien van die in het kader van eventuele voorlopige voorzieningen) heeft uitgesproken bepalend is. Niet de inschrijvingsdatum van de echtscheidingsbeschikking en evenmin de in de beschikking opgenomen datum van ingang van de betalingsverplichting is bepalend; deze laatste datum is (overgangsrechtelijk) alleen aan de orde voor de bepaling wanneer de termijn van vijftien jaren, waarvan in artikel II lid 2 WLA sprake is, is aangevangen. Het hof merkt terzijde op dat laatstgenoemd artikellid, dat betrekking heeft op zogeheten "oude gevallen", in lijn met hetgeen uit lid 1 van dat artikel volgt, rept van "een vóór de inwerkingtreding van deze wet gewezen rechterlijke uitspraak (cursivering hof).

4. De uitkering tot levensonderhoud van de vrouw is toegekend bij beschikking van 7 juni 1994. Gelet op het bovenstaande gaat het hier dus om een zogeheten "oud geval". Daarop is artikel II lid 2 WLA van toepassing.

5. Gezien het bovenstaande heeft de rechtbank de man ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek, zodat de beschikking waarvan appel vernietigd dient te worden.

6. Een en ander brengt mee dat het verzoek van de man, gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep, door het hof in volle omvang dient te worden beoordeeld en dat daarbij in beginsel volledig acht moet worden geslagen op het door de vrouw in de procedure bij de rechtbank gevoerde verweer. De vrouw heeft het hof herhaaldelijk laten weten geen verweer te zullen voeren. Het is het hof niet duidelijk of de vrouw daarmee heeft beoogd te stellen dat het verzoek van de man naar haar inzien voor inwilliging in aanmerking komt, of dat het hof naar het inzien van de vrouw het verzoek van de man met inachtneming van haar in prima gevoerde verweer (maar zonder nadere toelichting in appel) dient te beoordelen.

Slotsom

7. Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

8. Gelet op het karakter van deze beslissing zal het hof tussentijds beroep in cassatie tegen deze beschikking openstellen.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Groningen van 25 november 2008, waarvan appel;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de man ontvankelijk in zijn inleidend verzoek tot wijziging van de beschikking van 7 juni 1994 van die rechtbank;

bepaalt dat van deze beschikking tussentijds appel in cassatie kan worden ingesteld;

en alvorens nader te beslissen:

bepaalt dat de vrouw uiterlijk op 22 oktober 2009 schriftelijk aan het hof en de man zal berichten:

a. of zij beroep in cassatie tegen deze beschikking heeft ingesteld, dan wel dat zij daar onvoorwaardelijk van afziet;

b. indien zij geen cassatie instelt, wat zij heeft beoogd te stellen, zoals in rechtsoverweging 6 hierboven omschreven.

Aldus gegeven door mrs. Melssen, voorzitter, Bosch en Jonkman, raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 21 juli 2009 in bijzijn van de griffier.