Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ1674

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-07-2009
Datum publicatie
06-07-2009
Zaaknummer
24-000391-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is ter zake van overtreding van een bij artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, veroordeeld tot een geldboete van € 2.500, -. Tevens heeft het hof op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder bij vonnis opgelegde voorwaardelijke geldboete, beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000391-08

Parketnummer eerste aanleg: 17-885212-07 en 17-756132-06 (tul)

Arrest van 3 juli 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 29 januari 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren [1962] te[geboorteplaats] ([land]),

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. H.G.M. Littink, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot straffen en heeft op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen ter zake het hem onder 1 en 2 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van een verdachte, bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden d.d. 1 november 2006, voorwaardelijk opgelegde geldboete zal toewijzen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 28 september 2007, te [plaats 1], (althans) in de gemeente [gemeente 1], in de uitoefening van een beroep of bedrijf (te weten als exploitant van coffeeshop[naam1]gevestigd op of aan de [weg] aldaar), opzettelijk heeft vervoerd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan [getuige 1] en/of

[getuige 2], althans (een) perso(o)n(en), in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 1874 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 4 oktober 2007, te [plaats 2], (althans) in de gemeente [gemeente 2], in de uitoefening van een beroep of bedrijf (te weten als exploitant van

coffeeshop[naam2], gevestigd aan of bij de [wijk] aldaar), opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- (een) hoeveelhe(i)d(en) van (ongeveer) 972,5 gram hennep en/of henneptoppen,

in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram (van een materiaal bevattende) hennep en/of

- (een) hoeveelhe(i)d(en) van (ongeveer) 105,5 gram hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd, en/of

- een hoeveelheid van meer dan 30 gram (van een materiaal bevattende) hennep,

althans een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende een

gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van

hennep, waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj) (te weten

224 zogenoemde "joints"),

zijnde hennep en/of hasjiesj (telkens/elk) een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II.

Vrijspraak

Het hof acht niet bewezen hetgeen onder 1 aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Het hof acht het op grond van het voorhanden zijnde bewijsmateriaal, met name de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], met name niet bewezen dat verdachte (aan vorenbedoelde personen) opzettelijk een hoeveelheid hasjiesj heeft vervoerd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, dan wel deze hasjiesj aanwezig heeft gehad. De vorenbedoelde verklaringen zijn naar het oordeel van het hof (onderling) inconsistent en op essentiële punten vinden deze geen steun in andere bewijsmiddelen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 4 oktober 2007, te [plaats 2], in de uitoefening van een beroep of bedrijf (te weten als exploitant van coffeeshop [naam2], gevestigd aan de [wijk] aldaar), opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- een hoeveelheid van 972,5 gram hennep en/of henneptoppen, en

- een hoeveelheid van 105,5 gram hasjiesj,

zijnde hennep en hasjiesj telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

onder 2: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft op 4 oktober 2007 als exploitant van coffeeshop [naam2] te [plaats 2] een grotere hoeveelheid softdrugs als handelsvoorraad in zijn coffeeshop aanwezig gehad dan volgens zijn gedoogstatus was toegestaan. Verdachte heeft hierbij gehandeld vanuit financieel gewin.

Het hof heeft bij de straftoemeting voorts rekening gehouden met een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 20 maart 2009, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder is veroordeeld wegens soortgelijke opiumdelicten.

Anderzijds heeft het hof in zijn oordeel betrokken dat uit een proces-verbaal van politie is gebleken dat een deel van de gewogen handelsvoorraad onbruikbare hennepgruis, en ander afval zoals stengels, betreft.

Gelet op vorengaande zal het hof verdachte een geldboete opleggen van na te noemen hoogte. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met verdachtes financiële draagkracht, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden d.d. 1 november 2006, is veroordeelde onder meer veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 1.800, -, met een proeftijd van twee jaren. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting is voormeld vonnis onherroepelijk geworden op 15 november 2006. De proeftijd is op 16 november 2006 ingegaan. De officier van justitie heeft op 27 december 2007 gevorderd dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van voormelde voorwaardelijk opgelegde geldboete, omdat veroordeelde zich voor het einde van voormelde proeftijd heeft schuldig gemaakt aan onderhavige ten laste gelegde feiten. Ook de advocaat-generaal heeft de tenuitvoerlegging van voormelde straf gevorderd.

Nu is gebleken dat veroordeelde het hiervoor bewezen verklaarde feit heeft begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd, zal het hof op grond van het vorenstaande de tenuitvoerlegging gelasten van voormelde straf.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14g,

23 (oud), 24 (oud), 24c (oud) en 63 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 2 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van tweeduizend vijfhonderd euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijfendertig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

gelast de tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde bij vonnis van de politierechter te Leeuwarden van 1 november 2006 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten:

een geldboete van duizend achthonderd euro, met bevel voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van achtentwintig dagen zal worden toegepast.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. A.J. Rietveld, voorzitter, mr. K. Lahuis en

mr. P.W.J. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier.

- 6 - 24-000391-08