Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ1660

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-07-2009
Datum publicatie
06-07-2009
Zaaknummer
24-000175-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is ter zake van rijden onder invloed veroordeeld tot een geldboete van € 1.000, - en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-000175-09

Parketnummer eerste aanleg: 18-906170-08

Arrest van 3 juli 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 30 oktober 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1981] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. M.R. Holthinrichs, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen ter zake het hem ten laste gelegde tot een geldboete van € 1000, - (desgewenst te betalen in termijnen) met bevel, voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast, alsmede tot een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 5 juli 2008 te [plaats] als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 685 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 5 juli 2008 te [plaats] als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 685 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onder a van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 5 juli 2008 schuldig gemaakt aan overtreding van

artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 door in een personenauto door [plaats] te rijden, terwijl hij meer alcohol had genuttigd dan voor de bestuurder van een dergelijk voertuig is toegestaan. Door aldus te handelen heeft verdachte de verkeersveiligheid, daaronder begrepen de veiligheid van zijn medeweggebruikers, in gevaar gebracht.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 19 mei 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

Gelet op vorenstaande en de landelijke oriëntatiepunten ten aanzien van de straftoemeting bij dit soort delicten is in beginsel de oplegging van een straf en een bijkomende straf zoals door de rechter in eerste aanleg is opgelegd, passend.

Het hof zal echter - mede gelet op de persoonlijke belangen van verdachte bij het behoud van zijn rijbewijs - de rijontzegging slechts in voorwaardelijke zin opleggen, waarbij evenwel een geldboete van na te noemen hoogte zal worden opgelegd, zoals ook door de advocaat-generaal is gevorderd. Gelet op de financiële draagkracht van verdachte zal het hof daarbij bepalen dat verdachte deze geldboete in termijnen kan voldoen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 (oud) en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van duizend euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van twintig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in tien opeenvolgende éénmaandelijkse termijnen elk groot honderd euro;

ontzegt aan de veroordeelde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van zes maanden;

beveelt, dat de bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. A.J. Rietveld, voorzitter, mr. K. Lahuis en

mr. P.W.J. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier.

- 4 - 24-000175-09