Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BI9843

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-06-2009
Datum publicatie
25-06-2009
Zaaknummer
BK 56/08 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of aan belanghebbende terecht een navorderingsaanslag is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/1550
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

kenmerk: 08/00056

uitspraakdatum: 19 juni 2009

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, wonende te Z,

belanghebbende

tegen de uitspraak in de zaak met nummer AWB 07/342 van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) van 28 januari 2008, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Assen,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Met dagtekening 10 november 2006 heeft de inspecteur aan belanghebbende een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PV) voor het jaar 2002 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.721. Gelijktijdig met voormelde aanslag heeft de inspecteur bij beschikking aan belanghebbende een bedrag van € 330 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Het tegen de navorderingsaanslag en de beschikking ingediende bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak van 19 januari 2007 ongegrond verklaard.

1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak van 28 januari 2008 het beroep ongegrond verklaard. Aldaar is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.

1.4. Tegen deze uitspraak is namens belanghebbende hoger beroep ingesteld. Het beroepschrift is op 11 maart 2008 bij het hof binnengekomen. Op 31 maart 2008 is de machtiging ontvangen. De inspecteur heeft op 20 juni 2008 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend. Partijen hebben vervolgens schriftelijk gerepliceerd en gedupliceerd.

1.5. Ter zitting van 27 april 2009 heeft het hof het hoger beroep behandeld. Op de zitting is verschenen de gemachtigde van belanghebbende de heer A. Namens de inspecteur is verschenen de heer B.

1.6. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. Belanghebbende is werkzaam bij C N.V. Hij heeft het gehele jaar 2002 een leaseauto van de werkgever ter beschikking gehad. De cataloguswaarde van deze auto is

€ 23.798. De leasetermijnen worden betaald door de werkgever.

2.2. Met ingang van 1 april 2001 heeft belanghebbende recht op een zogenoemde mobility allowance (moblititeitsvergoeding) van € 839,49 per maand. Dit bedrag is niet aan belanghebbende uitbetaald. Belanghebbende heeft hiervoor in de plaats gekozen voor een leaseauto. Nu belanghebbende heeft gekozen voor een auto met een leasetarief dat lager is dan de voor hem geldende mobiliteitsvergoeding, heeft hij recht op uitbetaling van het verschil van € 58,99 per maand. Deze uitbetaling betreft een bruto vergoeding die tot het belastbare loon is gerekend.

2.3. Voor het privé-gebruik van de auto heeft belanghebbende daadwerkelijk niets betaald aan de werkgever.

2.4. Belanghebbende heeft voor het jaar 2002 een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 29.289. In het belastbaar inkomen uit werk en woning heeft belanghebbende een bijtelling privé-gebruik van de auto van € 5.949 (25% van de cataloguswaarde van € 23.798) opgenomen. Als vergoeding voor het privé-gebruik heeft belanghebbende een bedrag van € 5.432 opgenomen. Volgens belanghebbende bestaat deze vergoeding uit de jaarlijkse mobiliteitsvergoeding (€ 839,49 per maand), verminderd met de jaarlijkse tot het belastbare loon gerekende mobiliteitsvergoeding (€ 58,99 per maand), waarna belanghebbende dit bruto jaarbedrag van € 9.366,- vervolgens heeft verminderd met 42% (marginaal IB/PH tarief).

2.5. Naar aanleiding van de beoordeling van de aangifte over het jaar 2003 heeft de inspecteur de aangifte over het jaar 2002 beoordeeld, en heeft de inspecteur een navorderingsaanslag opgelegd ter zake van de door belanghebbende in aftrek gebrachte eigen bijdrage voor het privé-gebruik van de auto van de werkgever.

3. Geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of aan belanghebbende terecht een navorderingsaanslag is opgelegd.

3.2. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. Hij stelt dat er geen sprake is van een nieuw feit in de zin van artikel 16, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Belanghebbende is van mening dat de inspecteur bij het beoordelen van de aangifte nader onderzoek had moeten doen naar de opgevoerde vergoeding voor het privé-gebruik van de auto. Hij wijst erop dat de aangifte van een collega op dit punt wel nader is onderzocht en dat de gestelde vergoeding vervolgens niet in aftrek is toegestaan. Hierover is geprocedeerd en in de uitspraak AWB 05/8033 van 17 oktober 2006, is de inspecteur door de rechtbank Den Haag in het gelijk gesteld. Onder verwijzing naar het gelijkheidsbeginsel stelt belanghebbende dat de inspecteur bij het beoordelen van zijn aangifte eveneens een onderzoek had moeten instellen.

3.3. De inspecteur beantwoordt voormelde vraag bevestigend. Hij stelt dat de aangifte geautomatiseerd is beoordeeld en dat daarbij is vastgesteld dat er geen nadere beoordeling door de inspecteur behoefde plaats te vinden. De aangegeven vergoeding voor privé-gebruik van de auto was niet dusdanig extreem dat daaraan getwijfeld had moeten worden. Ook maakte de aangifte verder een verzorgde indruk, zodat de inspecteur niet behoefde te twijfelen aan de juistheid van de gegevens.

3.4. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Artikel 16, eerste lid, AWR bepaalt dat indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting kan navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

4.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur niet over een zogenoemd nieuw feit beschikte. In de aangifte stonden, aldus belanghebbende, alle gegevens die voor de beoordeling van de juistheid daarvan, nodig waren.

4.3. De rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat de inspecteur op grond van vaste jurisprudentie bij het vaststellen van de aanslag mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is de inspecteur slechts gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. (hof: Dit uitgangspunt is recentelijk nog eens onderschreven door de Hoge Raad in het arrest van 9 januari 2009, nr. 07/10292, Vakstudie Nieuws 2009/3.7). De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de aangifte geen aanleiding gaf tot een inhoudelijk onderzoek en dat pas bij de aanslagregeling 2003 is gebleken dat er geen sprake was van een eigen bijdrage voor het privé-gebruik van de auto van de werkgever. Dit oordeel brengt mee dat sprake is van een nieuw feit in de zin van artikel 16, eerste lid, AWR. Het hof onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en neemt de daartoe in de uitspraak van de rechtbank onder 4.5 tot en met 4.8 gebezigde gronden over en maakt deze tot de zijne.

4.4. Ter zake van het niet aanstonds bij de aanslagregeling instellen van een onderzoek doet belanghebbende nog een beroep op het gelijkheidbeginsel. Belanghebbende wijst daarbij op een collega waarbij sprake was van een zelfde situatie en bij wie de inspecteur naar aanleiding van de aangifte wel een onderzoek heeft ingesteld.

4.5. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient belanghebbende te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, dat de inspecteur in gelijke gevallen een begunstigend beleid heeft gevoerd of een oogmerk van begunstiging heeft gehad waarvan ten aanzien van belanghebbende is afgeweken, dan wel dat in de meerderheid van gelijke gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. Niet in geschil is dat de inspecteur de post "betaalde bijdrage aan uw werkgever" bij belanghebbende en zijn collega inhoudelijk op dezelfde wijze heeft behandeld en dat deze behandeling in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen. Dit betekent dat belanghebbende zich voor wat betreft de beoordeling van de gestelde post niet met succes op het gelijkheidsbeginsel kan beroepen. Voor zover belanghebbende een beroep op het gelijkheidsbeginsel doet voor wat betreft het moment waarop de onderhavige post is gecorrigeerd, overweegt het hof dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van één van de situaties zoals die hiervoor zijn weergegeven en die voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel vereist zijn.

4.6. Nu belanghebbende ook voorts niets heeft aangevoerd op grond waarvan zijn hoger beroep dient te slagen, brengt het vorenoverwogene mee dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. Het hof zal om die reden de uitspraak van de rechtbank bevestigen.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld op 19 juni 2009 door mrs. G.M. van der Meer, voorzitter, H.L.C. Hermans en F.J.W. Drion, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Afschrift aangetekend aan partijen verzonden op 24 juni 2009

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.