Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BI8756

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-06-2009
Datum publicatie
19-06-2009
Zaaknummer
BK 84/08 Inkomstenbelasting
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BL3625, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht premie voor de AOW heeft geheven van belanghebbende over het na het bereiken van de 65-jarige leeftijd genoten inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/1422
PJ 2009, 179
V-N 2009/43.1.3
FutD 2009-1320
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

kenmerk: 08/00084

uitspraakdatum: 12 juni 2009

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, wonende te Z,

belanghebbende

tegen de uitspraak in de zaak met nummer AWB 07/935 van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) van 12 maart 2008, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Assen,

de inspecteur

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Met dagtekening 9 januari 2007 heeft de inspecteur aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2005 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.873 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.969 (hierna: de aanslag). Het tegen deze aanslag ingediende bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak van 13 maart 2007 ongegrond verklaard.

1.2. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak van 12 maart 2008, verzonden op 13 maart 2008, het beroep ongegrond verklaard. Aldaar is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld. Het beroepschrift (met bijlage) is op 23 april 2008 bij het hof ingekomen. Op 9 mei 2008 is de machtiging ontvangen. De inspecteur heeft op 13 juni 2008 een verweerschrift (met bijlage) ingediend.

1.4. Ter zitting van 25 mei 2009 heeft het hof het hoger beroep behandeld. Op de zitting zijn verschenen belanghebbendes echtgenoot als gemachtigde, de heer A, en namens de inspecteur de heer B.

1.5. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. Belanghebbende is geboren op .. mei 19... Zij is gehuwd met A, geboren op .. augustus 19...

2.2. Belanghebbende heeft in het jaar 2005 vanaf 1 mei een AOW-uitkering genoten tot een bedrag van in totaal € 5.096. Op deze uitkering is geen loonheffing ingehouden. Naast deze uitkering heeft belanghebbende vanaf 26 mei 2005 tot een bedrag van in totaal € 777 een pensioen genoten van het ABP. Op dit pensioen is een bedrag van € 128 aan loonheffing ingehouden. Ander inkomen uit werk en woning heeft belanghebbende in het jaar 2005 niet gehad.

2.3. De inspecteur heeft van belanghebbende bij de onderhavige aanslag tijdsevenredig 5.96% aan premie voor de AOW geheven over belanghebbendes' belastbaar inkomen uit werk en woning.

3. Geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht premie voor de AOW heeft geheven van belanghebbende over het na het bereiken van de 65-jarige leeftijd genoten inkomen.

3.2. Belanghebbende beantwoordt de vraag ontkennend. Zij is van mening dat, nu AOW en pensioen zijn vrijgesteld van AOW-premie, de wetgever de onderhavige heffing niet heeft gewild. Het tijdsevenredige heffingspercentage acht zij daarom op haar situatie niet van toepassing. Zij verwijst in dit verband ook naar de toelichting bij het aangiftebiljet 2005 waaruit volgt dat geen AOW-premie meer betaald hoeft te worden wanneer de 65-jarige leeftijd is bereikt. Mocht dit anders zijn dan is belanghebbende van mening dat de wettelijke regeling onverbindend verklaard moet worden wegens onredelijk neveneffect.

3.3. De inspecteur beantwoordt de vraag bevestigend. Hij verwijst hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 9 september 2005, nr. 40 493.

3.4. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak - kort samengevat - overwogen dat belanghebbende een vraag aan haar heeft voorgelegd die de Hoge Raad in zijn arrest van 9 september 2005, nr. 40 493, reeds heeft beantwoord in voor belanghebbende ongunstige zin. Tevens heeft de rechtbank overwogen dat, nu de wet en regelgeving voor het onderhavige jaar overeenkomt met die in het door de Hoge Raad beslechte geval, er geen reden is anders te oordelen. De rechtbank voegt daaraan toe dat de wetgever uit praktische overwegingen en om reden van eenvoud heeft gekozen en ook mocht kiezen voor het - in sommige gevallen ruw uitwerkend - tijdsevenredige systeem en dat daarom belanghebbendes grieven ten aanzien van de onbillijkheid van de regelgeving haar niet kunnen baten. Het hof onderschrijft deze oordelen van de rechtbank en neemt de daartoe in de uitspraak van de rechtbank onder 4.1, 4.2 en 4.3 gebezigde gronden over en maakt die tot de zijne.

4.2. Belanghebbende kan worden nagegeven dat de wetgever had kunnen kiezen voor het heffingssysteem dat in één kalenderjaar twee keer een premie-inkomen van een 65-jarige wordt vastgesteld, maar hij koos uit praktische overwegingen voor een ander systeem: een gewogen premiepercentage dat wordt toegepast op het premie-inkomen over een kalenderjaar. Deze keuze mocht de wetgever gelet op het onder 4.1 overwogene maken, zodat het door belanghebbende als onredelijk aangeduide neveneffect niet tot onverbindend-heid van de toepasselijke regelgeving kan leiden.

4.3. In de toelichting bij het aangiftebiljet 2005/P staat onder het kopje 'Berekenen wat u moet betalen of terugkrijgt' het volgende:

'Speciale regels voor de berekening van de aanslag In een aantal gevallen gelden er speciale regels. Dat is het geval als u in 2005: - 65 jaar bent geworden; […] In de hiervoor genoemde gevallen kunt u de berekening met de rekenhulp niet zonder meer gebruiken.'

Het hof is van oordeel dat, gelet op de hiervoor weergegeven zinsnede, belanghebbende aan de eveneens in de toelichting vermelde zinsnede 'Als u 65 jaar of ouder bent, hoeft u geen AOW-premie meer te betalen' niet het in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen dat ten aanzien van haar het tijdsevenredige percentage niet van toepassing is. Daarbij merkt het hof op dat het tijdsevenredige percentage, gelijk de rechtbank heeft overwogen, juist een uitwerking is van de omstandigheid dat na de leeftijd van 65 jaar geen AOW-premie meer verschuldigd is. Hetgeen belanghebbende ter zitting heeft opgemerkt over de toelichtingen voor andere jaren, noopt niet tot een ander oordeel.

4.4. Al hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, kan evenmin tot het oordeel leiden dat de heffing van AOW-premie in het onderhavige geval achterwege moet worden gelaten. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond. Het hof zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mrs. G.M. van der Meer, voorzitter, G.W.B. van Westen en F.J.W. Drion, leden van de belastingkamer en op 12 juni 2009 in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Verzonden aan partijen op 17 juni 2009

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.