Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BI8075

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-06-2009
Datum publicatie
15-06-2009
Zaaknummer
24-001921-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In eerste aanleg veroordeling wegens aanwezig hebben van grote hoeveelheid cocaïne, handel in cocaïne én voorbereidingshandelingen daartoe, en - kort gezegd - steunfraude. In hoger beroep veroordeling wegens aanwezig hebben van enkele grammen cocaïne, voorbereidingshandelingen t.b.v. handel in cocaïne en - kort gezegd - steunfraude. Daardoor aanmerkelijk lagere straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001921-08

Parketnummer eerste aanleg: 18-670098-08

Arrest - bij vervroeging - van 12 juni 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 10 juli 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1979] te [geboorteplaats],

thans verblijvende in PI Veenhuizen, De Fleddervoort ZBB te Veenhuizen,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mw. mr. G.J.M. van Spanje, advocaat te Amsterdam.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte wegens de feiten 1, 2, 3 en 4 primair zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden met aftrek van het voorarrest, en dat het hof de onder verdachte inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan hem zal teruggeven, met uitzondering van een geldbedrag van honderdveertig euro, dat zou moeten worden verbeurd verklaard, en een ID-kaart op naam van [naam] en een weegschaal SK-100 die zouden moeten worden onttrokken aan het verkeer.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd, dat:

1:

hij op of omstreeks 13 maart 2008, in de gemeente [gemeente 1], opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 400 gram en/of 4,6 gram, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2:

hij in of omstreeks de periode van 20 oktober 2006 tot en met 13 maart 2008, in de gemeente [gemeente 1] en/of [gemeente 2], althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3:

hij op of omstreeks 13 maart 2008, in de gemeente [gemeente 1], tezamen en in vereniging meteen ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, al dan niet met zijn mededader, opzettelijk

- ongeveer 1515 gram, althans een hoeveelheid, materiaal bevattende lidocaine, en/of

- ongeveer 820 gram, althans een hoeveelheid, materiaal bevattende fenacetine, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

4:

hij in of omstreeks de periode van 5 december 2006 tot en met 17 december 2007, in de gemeente [gemeente 2], in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een geschrift, (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten (telkens) een formulier (Maandelijkse verklaring WWB) van of vanwege de gemeente [gemeente 2], waarop opgave moest worden gedaan (onder meer) van de werkzaamheden en/of de inkomsten van verdachte over de periode waarop dat formulier betrekking had, (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, immers heeft verdachte (telkens) valselijk vermeld of doen vermelden (zakelijk weergegeven), dat verdachte in de periode waarop dat formulier betrekking had, geen inkomsten had genoten, en/of lagere en/of andere inkomsten had genoten, en/of (telkens) dat formulier van een handtekening, althans ondertekening, heeft voorzien, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 20 oktober 2006 tot en met 9 december 2007, in de gemeente [gemeente 2], in elk geval in Nederland, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 Wet werk en bijstand (WWB), (telkens) opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft verdachte (telkens) verzwegen en/of niet opgegeven dat hij gedurende bovengenoemde periode inkomsten had uit drugshandel en/of vermogen, in de vorm van geld en/of auto's, had.

Vrijspraak

Ten aanzien van de in feit 1 van de tenlastelegging genoemde hoeveelheid van ongeveer 400 gram cocaïne kan, gelet op de inhoud van het dossier en de behandeling ter zitting, naar het oordeel van het hof niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat het verdachte was die deze hoeveelheid aanwezig had. Het hof zal verdachte daarom in zoverre van het onder 1 ten laste gelegde vrijspreken.

Het hof acht evenmin bewezen hetgeen onder 2 en onder 4 primair aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3

Verdachte heeft aangegeven dat hij eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet en dat de aangetroffen versnijdingsmiddelen lidocaïne en fenacetine door hem zijn "overgehouden" uit die periode. Verdachte heeft geen redelijke verklaring gegeven voor het feit dat hij die middelen nog steeds in zijn bezit heeft en evenmin voor het feit dat er versnijdingsmiddel is aangetroffen in een blik dat volgens medeverdachte voor de geboorte van het kind van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in oktober 2007 in gebruik was als spaarpotje. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat verdachte die middelen voorhanden had met het oog op het daadwerkelijk gebruik van die middelen als versnijdingsmiddel.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1, 3 en 4 subsidiair aan verdachte is ten laste gelegd, met dien verstande dat:

1:

hij op 13 maart 2008, in de gemeente [gemeente 1], opzettelijk aanwezig heeft gehad 4,6 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3:

hij op 13 maart 2008, in de gemeente [gemeente 1], om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren en/of verstrekken van cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, opzettelijk

- ongeveer 1515 gram materiaal bevattende lidocaine, en

- ongeveer 820 gram materiaal bevattende fenacetine,

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit;

4:

subsidiair:

hij in de periode van 20 oktober 2006 tot en met 9 december 2007, in de gemeente [gemeente 2], in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 Wet werk en bijstand (WWB), telkens opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft verdachte niet opgegeven dat hij gedurende bovengenoemde periode vermogen, in de vorm van geld en auto's, had.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 3 en onder 4 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1.

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

3.

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

4 subsidiair.

in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl dat feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft niet alleen 4,6 gram cocaïne voorhanden gehad, maar hij had eveneens grote hoeveelheden van middelen, te weten ongeveer 1515 gram lidocaine en ongeveer 820 gram fenacetine, voorhanden, waarvan bekend is dat deze, naast gebruik in de medische wereld, veelal worden gebruikt als versnijdingsmiddel in cocaïne. Verdachte heeft die stoffen opzettelijk voorhanden gehad als versnijdingsmiddel in cocaïne. Gelet op de aangetroffen hoeveelheid van deze stoffen, moeten de bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen gericht zijn geweest op handel in een grote hoeveelheid cocaïne. De volksgezondheid wordt daarmee ernstig in gevaar gebracht.

Verdachte heeft voorts in de periode van 20 oktober 2006 tot en met 17 december 2007 nagelaten aan de gemeente [gemeente 2] te melden dat hij vermogen, te weten geld en auto's, had. Verdachte heeft het door het plegen van deze feiten voor de uitvoerende instantie van de Wet werk en bijstand niet goed mogelijk gemaakt om vast te stellen óf, en zo ja, in hoeverre hij recht had op een uitkering in het kader van deze wet.

Verdachte is blijkens het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 maart 2009 vóór het plegen van de bewezen verklaarde eerder ter zake van het plegen van strafbare feiten, waaronder overtreding van de Opiumwet, veroordeeld. Eerder opgelegde gevangenisstraffen van lange duur hebben verdachte er niet van weerhouden wederom strafbare feiten te plegen.

Op grond van het vorenstaande, in samenhang beschouwd, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden niet alleen gerechtvaardigd, maar ook noodzakelijk. Het hof zal die straf dan ook aan verdachte opleggen.

Verbeurdverklaring

Het door het hof verbeurd te verklaren voorwerp, een weegschaal SK-10, is daarvoor vatbaar. Immers, met behulp van dat voorwerp is het hiervoor onder 3 bewezen verklaarde feit begaan, terwijl uit het onderzoek ter zitting van het hof is gebleken, dat het toebehoort aan verdachte.

Voorlopige hechtenis

Gelet op de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht zal het hof de voorlopige hechtenis opheffen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 57 en 227b van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 2 en onder 4 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 1 en 3 en onder 4 subsidiair ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 3 en onder 4 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van acht maanden;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

verklaart verbeurd:

een weegschaal SK-100, kleur zilver (blz. 26);

gelast de teruggave aan verdachte van:

- een monitor, kleur zwart (blz. 34)

- een mobiele telefoon, Nokia 6210, kleur grijs (blz. 23)

- een mobiele telefoon, Nokia 6210, kleur zwart (blz. 23)

- een mobiele telefoon, Sony Ericsson J120I, kleur zwart (blz. 24)

- een mobiele telefoon, Motorola, kleur zwart (blz. 24)

- een zakmes, kleur bruin (blz. 24)

- een zakmes, oud, inklapbaar net houten handvat (blz. 25)

- een portemonnee (blz. 25)

- honderdveertig euro (€ 140,00) (blz. 25)

- een sleutelbos (blz. 26).

gelast de teruggave aan de rechthebbende, te weten de Staat der Nederlanden, van:

een ID-kaart op naam van [naam] (blz. 25);

Dit arrest is aldus gewezen door mr. G. Dam, voorzitter, mr. J. Hielkema en mr. H.K. Elzinga, in tegenwoordigheid van mr. A. Meester als griffier, zijnde mr. Elzinga voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.