Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BI5184

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-05-2009
Datum publicatie
28-05-2009
Zaaknummer
107.002.629/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijs van wijze waarop erfdienstbaarheid is uitgeoefend plus bewijs mogelijke verjaring van de erfdienstbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 12 mei 2009

Zaaknummer 107.002.629/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. J.M.E. Hamming, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [geïntimeerde 2],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden].,

advocaat: mr. R. Glas, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de rolbeslissing van 29 maart 2005, alsmede de vonnissen uitgesproken op 5 oktober 2005, 2 augustus 2006, 25 oktober 2006, 18 juli 2007 en 27 februari 2008 door de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 25 april 2008 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van de vonnissen d.d. 25 oktober 2006 en 27 februari 2008 met dagvaarding van [geïntimeerden]. tegen de zitting van 14 mei 2008.

[appellante] heeft een memorie van grieven genomen.

De conclusie van de dagvaarding, tevens houdende de grieven en een vermeerdering van eis, luidt:

"bij arrest, voor zoveel wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. de door de rechtbank te Leeuwarden in conventie en reconventie gewezen vonnissen tussen partijen d.d. 25 oktober 2006 en 27 februari 2008 (kenmerk 68181 HAZA 05-71), vernietigt, en, opnieuw recht doende, de vorderingen van geïntimeerden in conventie alsnog afwijst en die van appellante in reconventie, verder te noemen [appellante], alsnog toewijst;

2. [geïntimeerden]. veroordeelt om op straffe van een dwangsom van € 500,- voor elke dag dat dit vonnis niet nageleefd wordt, het door hen op het perceel van [appellante] aangelegde pad op eigen kosten te verwijderen en de tuin van [appellante] zoveel mogelijk in oude staat (voor aanleg van het pad) te herstellen;

3. Met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instanties en met veroordeling van geïntimeerden tot terugbetaling van de reeds door of namens appellante betaalde bedragen ter zake de proceskostenveroordeling in eerste aanleg ad € 3.041,60 in conventie en € 904,- in reconventie, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van betaling door of namens [appellante] tot aan de dag der algehele voldoening."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerden]. verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad het tussenvonnis van 2 augustus 2006 en het eindvonnis van 27 februari 2008 door de Rechtbank Leeuwarden tussen partijen gewezen onder zaak-/rolnummer 68181 HAZA 05-171 desnoods onder verbetering of aanvulling van gronden, te bekrachtigen, althans de aangevoerde grieven ongegrond te verklaren, alsmede [appellante] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, althans haar deze te ontzeggen, met veroordeling van [appellante] bij arrest uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van dit geding."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellante] heeft twee grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. [appellante] heeft geen grieven aangevoerd tegen het vonnis van 25 oktober 2006, zodat zij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar hoger beroep voor zover dat is gericht tegen dit vonnis.

2. [geïntimeerden]. hebben geen bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis in hoger beroep, terwijl deze naar 's hofs oordeel ook niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde.

Het hof zal derhalve uitgaan van de gewijzigde eis van [appellante].

3. Nu [appellante] geen grieven heeft aangevoerd tegen de door de rechtbank in r.o. 2.1 tot en r.o. 2.4 van het vonnis van 5 oktober 2005 vastgestelde feiten, zal ook het hof van die feiten uitgaan.

4. Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1. [appellante] en [geïntimeerden]. zijn buren.

4.2. [appellante] is sinds 1995 eigenaar van de woning gelegen aan de Meeuwenlaan 68 te Sneek. Zij heeft de woning gekocht van haar vader. [appellante] woont al sinds 1986 in de woning; zij was na het overlijden van haar moeder in dat jaar bij haar vader ingetrokken. In de leveringsakte d.d. 8 september 1995 is onder meer het volgende vermeld:

Het bij deze overgedragen perceel wordt belast met de erfdienstbaarheid van voet- en kruipad over het achtererf ten behoeve van de naastleger (perceel V) om te komen van - en naar de openbare straat. Het pad zal voorzover bij de percelen V en VI gemeenschappelijk in gebruik, massaal in onderhoud zijn, het overige deel is in onderhoud bij het gebruikmakende perceel.

4.3. De rechtsvoorgangers van de vader van [appellante], [betrokkene 1]. (een oom en een tante van [appellante]), hadden de eigendom van het perceel Meeuwenlaan 68 bij akte van 1 februari 1966 verkregen van de gemeente Sneek. Zij hebben daarop de thans bestaande woning gebouwd. In de leveringsakte was de erfdienstbaarheid van voet- en kruipad opgenomen, op precies dezelfde wijze als aangehaald in r.o. 2.2.

4.4. [geïntimeerden]. zijn sinds 8 december 2003 eigenaar van de woning gelegen aan de Meeuwenlaan 66 te Sneek. Zij hebben de woning gekocht van [betrokkene 2]. In de leveringsakte is onder meer het volgende vermeld:

Het bij deze overgedragen perceel wordt bevoorrecht met de erfdienstbaarheid van voet- en kruipad ten laste van de naastleger perceel VI om te komen van- en naar de openbare straat. Het pad zal voorzover bij de percelen V en VI gemeenschappelijk in gebruik, massaal in onderhoud zijn, het overige deel is in onderhoud bij het gebruikmakende perceel.

4.5. In de akte waarbij het recht van erfdienstbaarheid ten gunste van het perceel Meeuwenlaan 66 is gevestigd d.d. 1 februari 1966, is de erfdienstbaarheid omschreven op precies dezelfde wijze als aangehaald in r.o. 2.4.

4.6. Aan de achtertuin van het perceel van [appellante] (Meeuwenlaan 68) grenst een strook grond dat uitkomt op de Ooievaarslaan. Dit stukje grond was tot 30 december 1974 in eigendom bij de gemeente Sneek; tot die datum liep er een pad over de strook grond.

4.7. Op 30 december 1974 is de grond verkocht en geleverd aan [betrokkene 3], eigenaar van het naastgelegen perceel gelegen aan de Ooievaarslaan 47. [betrokkene 3] heeft de strook grond bij zijn tuin getrokken en het pad is opgeheven.

4.8. De percelen naast Meeuwenlaan 68 waren aanvankelijk onbebouwd. In 1975 zijn hier woningen gebouwd. Deze bebouwing sloot aan op de bestaande woningen aan de Meeuwenlaan. De woning gelegen aan de Meeuwenlaan 70, dus naast de woning van [appellante], is vanaf 1975 tot 1988 bewoond geweest door [betrokkene 4].

5. [geïntimeerden]. hebben in deze procedure gevorderd - in essentie samengevat - dat het hen volgens de leveringsakte van 8 september 1995 toekomende recht van erfdienstbaarheid van voet- en kruipad door [appellante] wordt gerespecteerd.

[appellante] heeft in reconventie gevorderd, primair een verklaring voor recht dat de bedoelde erfdienstbaarheid door verjaring teniet is gegaan, en subsidiair dat de erfdienstbaarheid zal worden opgeheven.

De rechtbank heeft, na het wijzen van verschillende tussenvonnissen, het horen van getuigen en het inwinnen van een deskundigenbericht, de vorderingen in conventie van [geïntimeerden]. toegewezen en de vorderingen in reconventie van [appellante] afgewezen.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen richten zich de grieven van [appellante].

6. Tussen partijen is primair in geschil de locatie van het voet- en kruipad waarop de erfdienstbaarheid ziet. Volgens [geïntimeerden]. is het betreffende pad gelegen aan de zijkant van de woning van [appellante], dus tussen de woning van [appellante] en Twijnstra door, op het perceel van [appellante]. Dit betekent dat het pad van de achtertuin van [appellante] via de zijtuin loopt naar de voorzijde van het perceel van [appellante], waar het uitkomt op de Meeuwenlaan.

[appellante] stelt daar tegenover - onder verwijzing naar de leveringsakte van 8 september 1995 en die van 1 februari 1966, waar sprake is van 'het achtererf'- dat het pad op haar perceel (uitsluitend) achter haar woning loopt en uitkomt op een vroeger bestaand openbaar pad dat naast de woning gelegen aan de Ooievaarslaan 47 (over de in r.o. 2.5 bedoelde strook grond) liep, en uitkwam op de Ooievaarslaan. Ook stelt zij dat via het pad over haar achtererf een grasstrook bereikbaar was die aanwezig was tussen haar perceel en het voorheen onbebouwde naastgelegen weiland (thans: Meeuwenlaan 70).

7. Bij de bepaling van de inhoud van een erfdienstbaarheid is in de eerste plaats beslissend de akte van vestiging van de erfdienstbaarheid, waarbij het aankomt op de in de akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in de akte gebruikte bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte (HR 13 juni 2003, NJ 2004, 251).

Nu de aktes van vestiging van de erfdienstbaarheid op respectievelijk het heersende en het dienende erf d.d. 1 februari 1966 niet gelijkluidend zijn, kunnen daaraan geen beslissende conclusies worden ontleend over de (geobjectiveerde) partijbedoeling. Het hof is dan ook met de rechtbank van oordeel dat het aankomt op de wijze waarop de erfdienstbaarheid is uitgeoefend (r.o. 4.1 van het tussenvonnis van 5 oktober 2005).

Het hof is eveneens met de rechtbank van oordeel, dat de bewijslast dat de erfdienstbaarheid te goeder trouw geruime tijd en zonder tegenspraak is uitgeoefend op de door [geïntimeerden]. gestelde wijze - via een pad dat loopt over de zijkant van het perceel van [appellante] en uitkomt op de Meeuwenlaan, - ligt bij [geïntimeerden]., nu zij immers deze stelling ten grondslag hebben gelegd aan hun vordering.

8. Na getuigen te hebben gehoord heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 2 augustus 2006 geoordeeld dat [geïntimeerden]. geslaagd zijn in het hun opgedragen bewijs. Tegen deze beslissing richt zich grief 1.

9. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat uit de verklaringen van met name [betrokkene 5] (vroeger woonachtig op Meeuwenlaan 68), [betrokkene 3] (woonachtig op Ooievaarslaan 47), [betrokkene 4] (vroeger woonachtig op Meeuwenlaan 70) , [betrokkene 2] (vroeger woonachtig op Meeuwenlaan 66), genoegzaam naar voren komt dat vanuit het perceel Meeuwenlaan 66 ([geïntimeerden].) een pad kon worden betreden dat liep door de achtertuin van het perceel van [appellante], dat uitkwam op een (zand)pad dat gelegen was naast de woning Meeuwenlaan 68 ([appellante]) en vervolgens naar de Meeuwenlaan liep. Ook [b[betrokkene 6] en [appellante] zelf hebben verklaard dat dit pad bestond.

Voorts is het hof van oordeel dat eveneens in toereikende mate is komen vast te staan dat dit pad over het perceel van Meeuwenlaan 68 liep, en dus niet naast dat perceel. Hiertoe is met name te verwijzen naar de verklaring van [betrokkene 4] en [betrokkene 2].

10. Aan het voorgaande doen naar 's hofs oordeel onvoldoende af de verklaringen van [betrokkene 6], [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], nu deze getuigen niets hebben verklaard waaruit is af te leiden dat onjuist is dat (in ieder geval) in de jaren 60' en '70 sprake was van een pad als omschreven in r.o. 7.

Zulks volgt evenmin uit de verklaringen van [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6], waarop [appellante] zich in de toelichting op grief 1 beroept, nu hun verklaring betrekking heeft op de periode vanaf 1 mei 1981.

11. Ter onderbouwing van haar verweer op verjaring heeft [appellante] zich op beroepen de begroeiing die zich thans ter plaatse van het pad bevindt.

In het kader van het hier aan de orde zijn punt - de vraag of in voldoende mate is komen vast te staan dat er een pad liep over de zijkant van het perceel van [appellante], uitkomend op de Meeuwenlaan - overweegt het hof dat uit de metingen en constateringen van de deskundige [deskundige], blijkend uit het proces-verbaal van descente en comparitie d.d. 24 augustus 2007, naar voren komt dat naast de woning van [appellante] aanwezige beplanting - gemiddeld en met enige marges - tussen de 20 en 30 jaar oud is. Dit betekent dat in ieder geval niet aannemelijk is geworden dat deze beplanting van meet af, dat wil zeggen: vanaf 1966, ter plaatse aanwezig was.

12. Tenslotte overweegt het hof dat naar zijn oordeel ook uit de door [appellante] in het geding gebrachte foto's niet op overtuigende wijze blijkt dat er nooit een pad is geweest op het perceel van [appellante], naast de woning en uitkomend op de Meeuwenlaan.

13. Nu [appellante] in hoger beroep geen nader bewijs heeft aangeboden en het hof ook ambtshalve geen reden ziet voor nadere bewijslevering, komt het hof tot de conclusie dat [geïntimeerden]. geslaagd is in het hun opgedragen bewijs. Dit betekent dat genoegzaam is komen vast te staan dat de erfdienstbaarheid te goeder trouw geruime tijd en zonder tegenspraak is uitgeoefend op de door [geïntimeerden]. gestelde wijze, namelijk via een pad dat loopt over de zijkant van het perceel van [appellante] en uitkomt op de Meeuwenlaan, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit de inhoud van de erfdienstbaarheid is.

Grief 1 faalt daarmee.

14. Grief 2 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank, neergelegd in het eindvonnis van 27 februari 2008, dat [appellante] er niet in is geslaagd te bewijzen dat de erfdienstbaarheid teniet is gegaan door verjaring. Daarbij gaat het om een periode van 20 jaar dat het pad ongebruikt zou moeten zijn geweest.

15. Van belang in de toelichting op de grief van [appellante] is met name de leeftijd van de prunus, door de deskundige geschat op 30 a 40 jaar. De deskundige heeft aangegeven dat de prunus is aangeplant als boomheester, en dat hij na 10 jaar zodanig moet zijn gegroeid dat hij het pad kan hebben belemmerd. Naar 's hofs oordeel is hiermee nog onvoldoende zeker dat het pad op het erf van [appellante] inderdaad niet begaanbaar was, vanaf in ieder geval 1986 of eerder, zoals [appellante] stelt. Nu bovendien door verschillende getuigen gemotiveerd is verklaard dat het pad in 1986 nog wel is gebruikt, en ook nog wel daarna - volgens [betrokkene 7] tot aan 1989/1990 en volgens [betrokkene 3] tot aan 1994/1995 - is het hof van oordeel dat uit de verschillende bewijsmiddelen in onvoldoende mate naar voren komt dat het pad gedurende een periode van 20 jaar niet gebruikt is geweest.

16. Met betrekking tot de duiding van de door [appellante] in het geding gebrachte foto's verwijst het hof naar hetgeen daarover hiervoor reeds is overwogen, in die zin dat daaruit niet kan worden afgeleid dat sprake was een in onbruik geraakt pad gedurende tenminste 20 jaar.

17. Nu, zoals gezegd, [appellante] geen nader bewijs heeft aangeboden en het hof geen aanleiding ziet ambtshalve bewijs op te dragen, is de conclusie hier dat [appellante] niet geslaagd is in het haar opgedragen bewijs.

Ook grief 2 faalt derhalve.

Slotsom

18. De grieven falen. Hierin ligt besloten dat ook hetgeen [appellante] bij vermeerdering van eis heeft gevorderd, zal worden afgewezen.

De bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk te stellen partij zal [appellante] worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep (tarief II, 1 punt).

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 25 oktober 2006;

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Leeuwarden van 2 augustus 2006 en 27 februari 2008;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerden]. tot aan deze uitspraak op € 303,-- aan verschotten en € 894,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

verklaart dit arrest voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. Streppel, voorzitter, De Bock en Verschuur, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 12 mei 2009 in bijzijn van de griffier.