Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BI5171

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-05-2009
Datum publicatie
28-05-2009
Zaaknummer
24-002774-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van mishandeling, terwijl het feit wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende en terzake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, alsmede wegens bedreiging met zware mishandeling en wegens wederspannigheid veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken met een proeftijd van twee jaren en een geldboete van € 500,00, subsidiair tien dagen vervangende hechtenis. De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen zijn toegewezen, al dan niet gedeeltelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002774-08

Parketnummer eerste aanleg: 17-754153-08

Arrest van 28 mei 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 4 november 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1951] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot straffen en beslist op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij alsmede de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken met een proeftijd van twee jaren, een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis alsmede een geldboete van € 500,-, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] geheel zullen worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 31 maart 2008, te [plaats], in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ambtenaar, te weten [benadeelde 1] (werkzaam bij de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde 1] (met kracht) met een schep tegen het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 31 maart 2008, te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [benadeelde 1], (werkzaam bij de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, (met kracht) met een schep tegen het lichaam heeft geslagen, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 31 maart 2008, te [plaats], in de gemeente [gemeente],

[benadeelde 1] en/of [benadeelde 2], (beiden) ambtenaar bij de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een schep in zijn hand(en) gepakt en/of (vervolgens) met die schep zwaaiende bewegingen in de richting van die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] gemaakt

en/of (daarbij) die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] dreigend de woorden toegevoegd : "anders sla ik jullie eruit", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

3.

hij op of omstreeks 31 maart 2008, te [plaats], in de gemeente [gemeente], toen (een) aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtena(a)r(en) verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en) had(den) aangehouden en had(den) vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die eerstgenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtena(a)r(en)verdachte trachtte(n) te geleiden.

Vrijspraak

Het hof acht niet bewezen hetgeen onder 1 primair aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten onder 1 subsidiair, 2 en 3 heeft begaan, met dien verstande dat:

1. subsidiair

hij op 31 maart 2008, te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [benadeelde 1], werkzaam bij de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, met een schep tegen het lichaam heeft geslagen, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.

hij op 31 maart 2008, te [plaats], in de gemeente [gemeente],

[benadeelde 1] en [benadeelde 2], beiden ambtenaar bij de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een schep in zijn handen gepakt en met die schep zwaaiende bewegingen in de richting van die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] gemaakt en daarbij die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] dreigend de woorden toegevoegd: "anders sla ik jullie eruit";

3.

hij op 31 maart 2008, te [plaats], in de gemeente [gemeente], toen aldaar dienstdoende politieambtenaren verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekte strafbare feiten hadden aangehouden en hadden vastgegrepen, althans vast hadden teneinde verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die eerstgenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtenaren verdachte trachtten te geleiden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 subsidiair, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1. subsidiair

mishandeling, terwijl het feit wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende en terzake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

2.

bedreiging met zware mishandeling;

3.

wederspannigheid.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft sinds 2000 regelmatig moeilijkheden met controles van toezichthoudende instanties. Op 31 maart 2008 waren ambtenaren [benadeelde 1] en [benadeelde 2] - werkzaam bij de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit - voor een (onaangekondigde) controle op het bedrijf van verdachte. Op een gegeven moment had verdachte genoeg van hun aanwezigheid op zijn bedrijf. Verdachte heeft een schep gepakt, en vervolgens met deze schep tegen het lichaam van die [benadeelde 1] geslagen. Door aldus te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van die [benadeelde 1] en [benadeelde 2], door met die schep zwaaiende bewegingen te maken en de woorden toe te voegen: 'anders sla ik jullie eruit'. Verdachte heeft op deze wijze gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij [benadeelde 1] en [benadeelde 2]. Voorts heeft verdachte zich verzet bij zijn aanhouding.

Het hof rekent het verdachte zwaar aan dat de gedragingen waren gericht tegen ambtenaren tijdens de uitoefening van hun beroep.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 6 maart 2009, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

De bewezen verklaarde feiten rechtvaardigen in beginsel een gevangenisstraf, zij het van korte duur. Teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, zal het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf van de door de advocaat-generaal gevorderde duur opleggen. Het hof is van oordeel dat er voorts aanleiding bestaat om een geldboete op te leggen zoals door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof heeft daarbij acht geslagen op verdachtes draagkracht, voor zover daarvan ter zitting in hoger beroep is gebleken.

Benadeelde partij [benadeelde 1]

Uit het onderzoek ter zitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat de vordering in eerste aanleg gedeeltelijk is toegewezen en dat de benadeelde partij zich binnen de grenzen van de eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

De benadeelde partij heeft, onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Groningen van 19 oktober 2007, LJN BB6714, de immateriële schade begroot op

€ 250,- , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

Het hof acht de vordering van € 250,- voor toewijzing vatbaar.

Gelet op het vorenstaande dient de verdachte, als in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Het hof zal voormeld bedrag tevens toewijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

Benadeelde partij [benadeelde 2]

Uit het onderzoek ter zitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd middels een voegingsformulier (d.d. 16 oktober 2008), maar dat de vordering niet ter zitting in eerste aanleg is behandeld. Dat op deze vordering geen beslissing is genomen is geenszins te wijten aan de benadeelde partij. De benadeelde partij heeft, nadat verdachte hoger beroep had ingesteld, via zijn gemachtigde per brief van 28 november 2008 laten weten dat ten onrechte de vordering niet is behandeld. Daaruit leidt het hof af dat de benadeelde partij zijn vordering handhaaft. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

De benadeelde partij heeft, onder verwijzing naar een uitspraak van de uit de ANWB Smartengeldgids, nr. 691 en 508, de immateriële schade begroot op € 350,- .

De vordering is van de zijde van verdachte niet weersproken. Het hof acht een bedrag van € 100,- voor toewijzing vatbaar.

Het hof is van oordeel, dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet van zo eenvoudige aard is, dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in haar vordering in zoverre niet ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat de benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient de verdachte, als (deels) in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Het hof zal voormeld bedrag tevens toewijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 36f, 57, 180, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 subsidiair, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van drie weken;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

een geldboete van vijfhonderd euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van tien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 1] p/a Algemene Inspectiedienst, gevestigd te [vestigingsplaats], tot een bedrag van tweehonderdvijftig euro;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [benadeelde 1] gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van tweehonderdvijftig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] p/a Algemene Inspectiedienst, gevestigd te [vestigingsplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijf dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 2], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van honderd euro;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [benadeelde 2] gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van honderd euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van twee dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. J. Hielkema, voorzitter, mr. G. Dam en mr. M.F.H.M. van Haastert, in tegenwoordigheid van mr. J. Brink als griffier, zijnde mr. Van Haastert voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.