Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BI4995

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-04-2009
Datum publicatie
27-05-2009
Zaaknummer
107.002.102/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsplicht.

Verzekeringsvoorwaarden (auto) sluiten vergoeding uit bij overtreding art. 8 WVW.

Aanrijding in Duitsland.

Bloedonderzoek uitslag 0,33 0/00 maar daaraan voorafgaande blaastest wijst 0,66 0/00 aan.

Verzekeraar beroept zich ten onrechte op de ademanalyse.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2010, 37
Module Verkeer 2009/37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 28 april 2009

Zaaknummer 107.002.102/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

OVZ Verzekeringen U.A.,

gevestigd te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: OVZ,

advocaat: mr. J.V. van Ophem te Leeuwarden

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats]

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde]

advocaat: mr. P. Tuinman.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen

uitgesproken op 20 december 2006 en 15 augustus 2007, alsmede de rolbeslissing van 14 maart 2007, van de rechtbank Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 25 september 2007 is door OVZ hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen en de hiervoor aangeduide rolbeslissing,

met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 3 oktober 2007.

De conclusie van de memorie van grieven, waarbij een productie in het geding is gebracht, luidt:

"In conventie:

Dat het uw Hof moge behagen over te gaan tot gegrondbevinding van de grieven van appellante en recht doende bij arrest het bestreden vonnis van de Rechtbank Groningen van 15 augustus 2007, gewezen onder zaak- en rolnummer 89776 / HA ZA 06-862, te vernietigen en opnieuw rechtdoende , de in eerste aanleg ingestelde vorderingen van appellante alsnog toe te wijzen met veroordeling van geïntimeerden, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van beide instanties.

In reconventie:

Dat het uw Hof moge behagen over te gaan tot gegrondbevinding van de grieven van appellante en recht doende bij arrest het bestreden vonnis van de Rechtbank te vernietigen en geïntimeerde alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn reconventionele vordering, althans hem deze te ontzeggen, met veroordeling van geïntimeerde tot terugbetaling van hetgeen appellante uit hoofde van de in eerste aanleg gewezen vonnissen aan geïntimeerde heeft voldaan, alsmede haar veroordeling in de kosten van beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"Het is op bovenstaande gronden dat geïntimeerde, [geïn[geïntimeerde]] uw Gerechtshof verzoekt, appellante, OVZ, in haar beroep tegen het vonnis van de Rechtbank te Groningen op 15 augustus 2007 tussen partijen onder rolnummer 89776/HA ZA 06-862 gewezen, zowel in reconventie niet ontvankelijk te verklaren, althans haar dit te ontzeggen en het vonnis zowel in conventie als in reconventie (zo nodig met verbetering en/of aanvulling van gronden) te bekrachtigen, zulks met veroordeling van OVZ in de kosten van de beide instanties."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

OVZ heeft zes grieven opgeworpen.

De beoordeling

De ontvankelijkheid van het appel

1. De grieven richten zich niet tegen het tussenvonnis van 20 december 2006 zodat OVZ in haar hoger beroep tegen dit vonnis niet kan worden ontvangen. Ook tegen de rolbeschikking van 13 maart 2007 zijn geen grieven voorgedragen, zodat, noch daargelaten dat uit niets blijkt dat deze beslissing ook als vonnis moet worden aangemerkt, ook in dat hoger beroep OVZ niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Korte aanduiding van het geschil

2. Tegen de (uitgebreide) weergave van de feiten in het vonnis van 15 augustus 2007 - dat aan dit arrest is gehecht - zijn geen grieven voorgebracht. Het hof zal dan ook van die feiten uitgaan.

Zeer kort weergegeven gaat het in deze procedure om het volgende.

2.1. [geïntimeerde] had een motorrijtuigenverzekering (all risk) afgesloten bij OVZ. Artikel 20.13 van de polisvoorwaarden sluit dekking uit voor

"schade veroorzaakt indien de bestuurder van het motorrijtuig, ten tijde van de gebeurtenis onder zodanige invloed van alcoholhoudende drank ... verkeerde dat hij niet meer in staat moet worden geacht het motorrijtuig naar behoren te besturen.

Zodanig invloed wordt in ieder geval aanwezig geacht na:

- Een geconstateerde overtreding van art. 8 en/of art. 163 WVW;

- Een onherroepelijke veroordeling, op grond van art. 8 en/of art. 163 WVW;

- Een rijverbod opgelegd door een daartoe bevoegd ambtenaar."

2.2. [geïntimeerde] is op 23 september 2005 omstreeks 16.45 uur betrokken geweest bij een aanrijding op een parkeerterrein in Falken (Duitsland), waarbij aan een geparkeerde auto en aan de eigen auto schade is ontstaan voor respectievelijk € 4.476,19 en € 912,48 welke bedragen OVZ heeft vergoed.

2.3. De Duitse politie heeft op die dag eerst een blaastest afgenomen (om 17.40 uur) waarvan de uitslag (omgerekend) neerkwam op 0,66 promille en heeft het rijbewijs van [geïntimeerde] ingenomen. Vervolgens is om 19.40 uur een bloedproef afgenomen, waarvan de uitslag 0,34 promille was. [geïntimeerde] heeft het rijbewijs op 26 september 2005 teruggekregen van de politie.

2.4. OVZ heeft de uitgekeerde schadebedragen met een beroep op artikel 20.13 van de polisvoorwaarden teruggevorderd.

2.5. De rechtbank heeft de vordering van OVM afgewezen en geoordeeld dat geen sprake is van overtreding van artikel 8 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW), noch van het eerste lid van dat artikel. Het innemen van het rijbewijs is volgens de rechtbank geen zelfstandige uitsluitingsgrond. De rechtbank heeft OVZ het beroep op artikel 20.13 van de polisvoorwaarden ontzegd en haar vordering afgewezen.

2.6. OVZ heeft voorts de verzekering beëindigd en [geïntimeerde] laten registreren bij Stichting CIS en het Incidentenregister. Ten gevolge daarvan kon [geïntimeerde] bij geen enkele maatschappij een autoverzekering tegen normale voorwaarden sluiten. Bij kort-gedingvonnis van 28 juli 2006 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen OVZ veroordeeld tot ongedaanmaking van deze registratie. Hieraan heeft OVZ voldaan. [geïntimeerde] heeft op 15 november 2006 een nieuwe verzekering op normale voorwaarden afgesloten.

2.7. In reconventie heeft [geïntimeerde] vergoeding gevorderd van de extra premie die hij bij de - bijzondere - verzekeraar Rialto kwijt was vergeleken met een normale autoverzekering. Deze vordering is door de rechtbank toegewezen tot een bedrag van € 455,70.

Met betrekking tot grief I

3. In deze grief betoogt OVZ dat de rechtbank in haar vonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een geconstateerde overtreding van artikel 8 van de WVW.

Het hof stelt voorop dat de hoofdregel in de Nederlandse strafrechtsmachtsregeling het territorialiteitsbeginsel is, zoals dat is verwoord in artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht. De WVW vormt daar geen uitzondering op. Dit betekent dat de strafbepaling van artikel 8 WVW slechts betrekking heeft op in Nederland plaatsvindende gedragingen. Voor zover in de grief wordt betoogd dat [geïntimeerde] zich in Falken - dat zonder enige twijfel buiten de rijksgrenzen, namelijk nabij Eisenach in Thüringen in Duitsland is gelegen - artikel 8 WVW heeft overtreden, kan de grief niet slagen.

4. De algemene voorwaarden van OVZ, waaronder de uitsluitingsclausule van artikel 20.13, zijn zodanig opgesteld dat zij uitsluitend zien op de Nederlandse situatie. OVZ heeft betoogd dat in dit geval aansluiting gezocht moet worden bij artikel 8 WVW 1994 en dat reeds bepalend is de uitslag van de blaastest bij de Duitse politie.

5. Het hof verwerpt deze uitleg. Tussen partijen is niet in geding dat de materiële strafbepaling van artikel 8 WVW en het Duitse § 316 StGB vergelijkbaar zijn. Beiden verbieden het rijden onder invloed, waarbij voor volwassen, ervaren, bestuurders de grens op 0,5 promille ligt. Een redelijke uitleg van artikel 20.13 van de algemene voorwaarden brengt mee dat indien sprake was van een veroordeling in Duitsland wegens overtreding van § 316 StGB - dan wel van § 315c dat min of meer parallel loopt met het eerste lid van artikel 8 WVW- OVZ zich op de in dat artikel gegeven uitsluitingsgrond mocht beroepen. Naar Duits recht ten tijde van de aanrijding in Falken was uitsluitend de bloedproef - en niet een ademtest - toelaatbaar bewijs in rechte om vast te stellen of sprake is van overtreding van § 316 StGB. Het, volgens de ter plaatse geldende regels ingestelde, bloedonderzoek waarbij de, op de Duitse wettelijke regels berustende, terugrekenregel is toegepast, heeft als uitslag een bloedalcoholgehalte van 0,34 promille. Dit gehalte valt derhalve binnen de toegestane grens.

6. Voor de stelling van OVZ dat desondanks de blaastest maatgevend moet zijn, acht het hof geen grond aanwezig. Het betoog van OVZ dat de Duitse blaastest waarschijnlijk aan "alle (Europese) normen voldoet" is volstrekt ongemotiveerd en inhoudsloos. Dat de Duitse ademanalyseapparatuur voldoet aan de formele regels van artikel 4 van het (Nederlandse) Besluit alcoholonderzoeken en de daarop gebaseerde Regeling ademanalyse is niet gebleken, zodat uit de Duitse blaastest - ware de Nederlandse WVW in Duitsland van kracht geweest - niet kan worden afgeleid dat sprake is van een overtreding van artikel 8 WVW, tweede lid, dat immers als element kent dat sprake moet zijn van een onderzoek als krachtens die wet geregeld.

7. OVZ heeft voorts aangevoerd dat de Duitse ademtest een aanwijzing oplevert dat sprake is van een overtreding van artikel 8, eerste lid, van de WVW, waarvoor ook in het Duitse recht een equivalent bestaat, de Relative Fahruntüchtigkeit van § 315c StGB. Zowel naar Nederlands als naar Duits recht moet een dergelijke overtreding evenwel uit de concrete omstandigheden van het geval worden afgeleid. [geïntimeerde] heeft er terecht op gewezen dat uit het Duitse proces-verbaal (overgelegd als productie 7 bijlage 1 bij de conclusie van antwoord) van zodanige omstandigheden niet blijkt. De politie heeft uitsluitend een alcoholgeur waargenomen. Aan de spraak, oriëntatie, gang en stand van de ogen van [geïntimeerde] mankeerde volgens de Duitse politie niets, terwijl bij zijn stemming "ruhig, beherrscht" is aangekruist.

Ook dit betoog van OVZ mist doel.

8. De eerste grief faalt dan ook volkomen in al haar onderdelen.

Met betrekking tot grief II

9. Deze grief betreft het aantal glazen bier dat [geïntimeerde] voor het ongeval zou hebben gedronken. Deze grief kan, in het licht van wat hiervoor is overwogen, niet tot vernietiging van het vonnis leiden. De grief treft dan ook geen doel.

Met betrekking de grieven III en IV

10. In deze grieven betoogt OVZ dat de rechtbank ten onrechte het Duitse rijverbod niet heeft aangemerkt als zijnde door een daartoe bevoegde ambtenaar opgelegd.

Het hof overweegt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de inname van het rijbewijs van [geïntimeerde] door de Duitse politieambtenaren in afwachting van de resultaten van het bloedonderzoek, niet kan worden aangemerkt als een Nederlands rijverbod opgelegd door daartoe bevoegde Nederlandse ambtenaren, waartoe het hof verwijst naar hetgeen hiervoor onder 3 is overwogen.

Het hof deelt voorts het oordeel van de rechtbank dat deze inbeslagname van het rijbewijs, in afwachting van de resultaten van dit officiële bloedonderzoek, ook niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlands rijverbod als bedoeld in artikel 162 WVW. Dat laatste rijverbod mag alleen worden gegeven indien aan de bevoegde ambtenaar is gebleken dat de bestuurder onder zodanige invloed van - in dit geval - alcohol verkeert, dat hij onvoldoende in staat is een voertuig behoorlijk te besturen. Daarvan was evenwel geen sprake, waarbij het hof verwijst naar rechtsoverweging 7.

11. Ook deze grieven snijden geen hout.

Met betrekking tot de grief V

12. Deze grief keert zich tegen het oordeel dat het OVZ niet vrijstond de verzekering met [geïntimeerde] te beëindigen, waarbij zij zich beroept op artikel 9.3.2 van de polisvoorwaarden, dat bepaalt dat de verzekeraar binnen 30 dagen nadat zij een uitkering krachtens de verzekering heeft gedaan of heeft afgewezen, de verzekering mag opzeggen.

Het hof stelt vast dat OVZ in oktober 2005 heeft uitgekeerd (vonnis eerste aanleg onder 2.11) en dat zij eerst bij brief van 10 januari 2006 de polis heeft geroyeerd (zie vonnis eerste aanleg onder 2.12). De tussenliggende periode is meer dan 30 dagen, zodat de opzegtermijn voor OVZ was verstreken. De uitslag van de ademtest leverde, naar uit het voorgaande volgt, voor OVZ geen relevant nieuw feit op grond waarvan zij alsnog de uitkering mocht weigeren c.q. terugvorderen.

13. Ook deze grief treft geen doel.

Met betrekking tot grief VI

14. Deze grief keert zich tegen de toewijzing van de reconventionele vordering van [geïntimeerde]. OVZ gaat er daarbij - in het licht van het voorgaande ten onrechte - van uit dat zij de verzekering rechtsgeldig heeft opgezegd. Daarvan is evenwel, naar in de vorige overwegingen besloten ligt, geen sprake. Voor het overige ontbeert de grief zelfstandig belang.

15. Ook deze grief deelt het lot van de vorige.

Het bewijsaanbod

16. Het hof passeert het in algemene bewoordingen gestelde bewijsaanbod als onvoldoende specifiek.

De slotsom.

17. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd, met veroordeling van OVZ als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep, voor wat het salaris in hoger beroep betreft te begroten op 1 punt naar tarief II.

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart OVZ niet-ontvankelijk in het appel gericht tegen het tussenvonnis van 20 oktober 2006 en de rolbeschikking van 13 maart 2007;

bekrachtigt het vonnis van 15 augustus 2007 waarvan beroep;

veroordeelt OVZ in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 402,-- aan verschotten en

€ 894,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Kuiper en De Hek, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 28 april 2009 in bijzijn van de griffier.