Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BI4921

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-04-2009
Datum publicatie
27-05-2009
Zaaknummer
107.000.785/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad.

Grootscheepse benadeling van een bedrijf door een free lance medewerker.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 28 april 2009

Zaaknummer 107.000.785/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats]

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna te noemen: [appellant]

toevoeging,

advocaat: mr. S.A. Roodhof, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde]

gevestigd te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden,

De inhoud van het tussenarrest d.d. 16 december 2008 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Ter rolle van 20 januari 2009 heeft [geïntimeerde] afgezien van het nemen van een akte, waarna partijen de stukken andermaal hebben overgelegd voor arrest.

De verdere beoordeling

1. In het dictum van het deelarrest d.d. 16 december 2008 heeft het hof aan de rechtsstrijd tussen partijen deels een eind gemaakt door [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn appel van de tussenvonnissen d.d. 12 juli 2002 en 18 oktober 2002, alsmede door het bekrachtigen van het eindvonnis d.d. 3 augustus 2005 voorzover het de daarin vervatte of besloten gelegen bedragen van respectievelijk € 33.000,-- aan buitengerechtelijke kosten en € 65.250,-- in hoofdsom betreft. Waar in het dictum van het deelarrest met betrekking tot het eindvonnis van de rechtbank niet de datum van 3 augustus 2005 doch die van 3 augustus 2003 is vermeld, berust zulks op een kennelijke verschrijving die het hof hierbij herstelt.

2. Dientengevolge dient het hof thans nog een oordeel te geven over de volgende onderdelen van de beslissing van de rechtbank in het eindvonnis:

- de door [geïntimeerde] van [appellant] gevorderde hoofdsom voorzover deze uitstijgt boven het in het deelarrest reeds toegewezen bedrag ad € 65.250,--;

- de wettelijke rente over het door [appellant] aan [geïntimeerde] uiteindelijk verschuldigde bedrag, te berekenen vanaf de dag van betaling van elke afzonderlijke nota tot aan de dag van algehele betaling;

- de afwijzing van het door [appellant] in reconventie gevorderde.

3. Aan [geïntimeerde] was gelegenheid geboden om bij akte haar - door [appellant] bestreden - stelling te onderbouwen dat zij gerechtigd is tot inning van het totale bedrag dat zij in hoofdsom van [appellant] vordert, nu [geïntimeerde] terzake heeft aangevoerd dat zij mede heeft te gelden als de rechtsopvolgster van de rechtspersonen van wie [appellant] ten onrechte (een deel van de) gelden heeft ontvangen. In dat verband was [geïntimeerde] verzocht aan te geven of zij het bewijs van een en ander wenst te leveren door het overleggen van bescheiden dan wel door het doen horen van getuigen.

4. Waar, als reeds aangegeven, [geïntimeerde] heeft afgezien van het nemen van een akte, wordt zij dientengevolge geacht haar stelling dat zij in hoofdsom gerechtigd is tot het meerdere boven hetgeen haar reeds in het deelarrest is toegewezen, te hebben laten varen. Voorzover aan [geïntimeerde] door de rechtbank bij eindvonnis dat meerdere is toegewezen, kan dat vonnis dan ook niet in stand blijven.

5. Mitsdien dient de wettelijke rente die [geïntimeerde] heeft gevorderd, te worden berekend over uitsluitend het reeds toegewezen bedrag ad € 65.250,--. Ook in zoverre kan het beroepen eindvonnis niet in stand blijven.

6. Met betrekking tot hetgeen [appellant] in prima in reconventie heeft gevorderd, heeft het hof in meergenoemd deelarrest in r.o. 14 reeds bindend beslist dat deze reconventionele vordering niet voor toewijzing in aanmerking kan komen, zodat de beslissing van de rechtbank dienaangaande thans dient te worden bekrachtigd. Wel zal het hof de door de rechtbank uitgesproken kostenveroordeling aanpassen in overeenstemming met hetgeen in de volgende rechtsoverweging is neergelegd.

7. Met betrekking tot de kostenveroordelingen overweegt het hof tenslotte als volgt.

Enerzijds staat thans vast dat een substantieel deel van de vordering die door [geïntimeerde] is ingesteld, niet kan worden toegewezen, doch anderzijds is de noodzaak tot het voeren van de onderhavige procedure het gevolg van de onrechtmatige daad van [appellant] en diens processuele opstelling. Nu is komen vast te staan dat [appellant] in totaal € 98.250,-- is verschuldigd aan [geïntimeerde], zal het hof dit bedrag ten grondslag leggen aan het toepasselijke tarief voor de te liquideren kosten in beide instanties. Aldus komt het hof uit op tarief V.

[appellant] zal dientengevolge als de in beide instanties in het ongelijk gestelde partij, in afwijking van de beslissingen van de rechtbank dienaangaande, worden verwezen in de kosten in prima in conventie ad vier punten in tarief V alsmede in de kosten in prima in reconventie ad 1 punt in tarief V, en daarnaast dient hij ook te worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep ad 3 punten in tarief V.

8. Met het bovenstaande is het belang van [appellant] bij de grieven uitgeput.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de rechtbank d.d. 3 augustus 2005, voorzover in het dictum daarvan sub 2 in hoofdsom méér is toegewezen dan het reeds bij deelarrest d.d. 16 december 2008 toegewezen bedragen ad € 65.250,--;

vernietigt voorts de toewijzing van de wettelijke rente over de gehele aan [geïntimeerde] toegewezen hoofdsom ad € 1.012.078,33;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst af het door [geïntimeerde] in hoofdsom gevorderde voorzover dat uitstijgt boven het reeds toegewezen bedrag ad € 65.250,--;

veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van de wettelijke rente over het bedrag ad € 65.250,-- vanaf de dag van betaling van elke daarop betrekking hebbende individuele nota tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] als volgt begroot:

in prima in conventie: € 4.600,18 aan verschotten en € 5.684,-- voor salaris;

in prima in reconventie: nihil aan verschotten en € 1.421,-- voor salaris;

in appel: € 5.731,-- aan verschotten en € 7.896,-- voor salaris;

bekrachtigt voor het overige het vonnis d.d. 3 augustus 2005, voorzover na het deelarrest van 16 december 2008 nog aan de orde;

verklaart dit arrest voorzover het de in het dictum vervatte veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Knijp, voorzitter, Jongbloed en Tjallema, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 28 april 2009 in bijzijn van de griffier.