Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BI4882

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-05-2009
Datum publicatie
26-05-2009
Zaaknummer
24-001920-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd, en handelen in strijd met artikel 3 onder C van de Opiumwet en vernieling. Oplegging van gevangenisstraf, mede gelet op specifieke recidive ter zake van de bewezen verklaarde feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 24-001920-08

parketnummers eerste aanleg: 17-880066-08 en 17-753070-08

Arrest van 26 mei 2009 van het gerechtshof Leeuwarden, meervoudige strafkamer,

op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 10 juli 2008 in de oorspronkelijk onder de parketnummers 17-880066-08 en 17-753070-08 afzonderlijk aangebrachte, maar ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde strafzaken, hierna te noemen respectievelijk zaak A en zaak B, tegen:

[verdachte],

geboren op [1956] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van de verdachte, mr. R.B. Schmidt, advocaat te Amsterdam.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het hierboven genoemde vonnis, in de gevoegde zaken, wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, heeft maatregelen opgelegd en heeft beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsman van de verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 12 mei 2009, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van zaak A onder 1, 2, 3 en 4 en ter zake van zaak B ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij geheel zal worden toegewezen en dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd.

Tenslotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de in beslag genomen voorwerpen, een hooivork en een mes, zullen worden onttrokken aan het verkeer.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is in zaak A ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 februari 2008, te [plaats 1], (althans) in de gemeente [gemeente], meermalen, althans éénmaal, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde perso(o)n(en) dreigend de woorden toegevoegd : "Ik steek je neer" en/of "Ik schiet je neer" en/of "Ik zal jullie afmaken", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

2.

hij op of omstreeks 17 februari 2008, te [plaats 2] en/of te [plaats 1], (in elk geval in de) gemeente [gemeente], [slachtoffer 3], meermalen, althans éénmaal, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde persoon (telefonisch) dreigend de woorden toegevoegd : "Ik ga je vermoorden", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens

een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

3.

hij op of omstreeks 17 februari 2008, te [plaats 3] en/of te [plaats 1], in elk geval in de gemeente [gemeente], meermalen, althans éénmaal, [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5],heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een hooivork, althans een scherp en/of puntig voorwerp, een of meer zwaaiende en/of prikkende beweging(en) gemaakt, richting die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] en/of (vervolgens) een/die hooivork, althans een/(dat) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp, op korte afstand van het gezicht, althans van het hoofd van die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] gehouden en/of (daarbij) die [slachtoffer 4] dreigend de woorden toegevoegd : "Zie je wel hoe scherp de punten zijn, daar kan ik jou en de paarden zo mee doodsteken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

4.

hij op of omstreeks 18 februari 2007, te [plaats 1], (althans) in de gemeente [gemeente], opzettelijk aanwezig heeft gehad in of bij een pand/woning gelegen aan de [adres]) (telkens) een hoeveelheid/hoeveelheden hennep, te weten ongeveer 106 hennepplanten, althans een aantal hennepplanten en/of delen daarvan, en/of in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

Aan de verdachte is in zaak B ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 december 2007, te [plaats 1], in de gemeente [gemeente],

opzettelijk en wederrechtelijk een pinapparaat, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Verweren van de raadsman

De raadsman van de verdachte heeft met betrekking tot het in zaak B ten laste gelegde aangevoerd dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard. Hiertoe is gesteld dat de tenlastelegging onvoldoende feitelijk is omschreven, nu daarin niet is aangegeven waaruit de daarin bedoelde vernieling heeft bestaan.

Het hof verwerpt dit verweer. De tenlastelegging bevat, naast de pleegdatum en de pleegplaats, een omschrijving van het goed in kwestie (een pinapparaat).

De gedraging van de verdachte die heeft geleid tot vernieling of beschadiging of het onbruikbaar worden van dat pinapparaat is weliswaar niet in de tenlastelegging omschreven - hetgeen in de regel de voorkeur had verdiend - maar één en ander leidt niet tot nietigheid van de dagvaarding in zaak B.

Uit het proces-verbaal van terechtzitting van de rechtbank Leeuwarden van 26 juni 2008 leidt het hof af dat er bij de verdachte, wanneer aan hem vragen worden gesteld inzake zaak B, niet de geringste onduidelijkheid bestaat met betrekking tot de vraag welk verwijt aan hem wordt gemaakt in die zaak. Derhalve is niet gebleken dat de verdachte door deze wijze van tenlastelegging in zijn verdedigingsbelang is geschaad.

De raadsman van de verdachte heeft voorts met betrekking tot het in zaak A onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat er onvoldoende bewijs is, nu de verdachte ontkent die feiten te hebben begaan en essentiële onderdelen van de aangiftes in die zaken geen bevestiging vinden in enig ander bewijsmiddel.

Het hof verwerpt dit verweer. Het verweer gaat uit van de veronderstelling dat essentiële onderdelen van de tenlastelegging steeds een dubbele bevestiging, bestaande uit twee elkaar ondersteunende bewijsmiddelen, behoeven. Die veronderstelling van de raadsman is onjuist, aangezien een dergelijke eis geen steun vindt in het recht.

De bewijsregels vereisen immers - wettelijke uitzonderingen daargelaten en voor zover hier van belang - in beginsel enkel dat de tenlastelegging in zijn geheel dient te worden bewezen aan de hand van twee bewijsmiddelen. Naar het oordeel van het hof bevat het strafdossier toereikende bewijsmiddelen om aan die eis te voldoen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het aan hem in zaak A, onder 1, 2, 3 en 4 en het in zaak B ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zaak A, feit 1 -

hij op 17 februari 2008 te [plaats 1] [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk deze [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik steek je neer" en "Ik schiet je neer" en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk deze [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik zal jullie afmaken", terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

zaak A, feit 2 -

hij op 17 februari 2008 te [plaats 2] [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde persoon telefonisch dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga je vermoorden", terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

zaak A, feit 3 -

hij op 17 februari 2008 te [plaats 3] [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een hooivork zwaaiende en prikkende bewegingen gemaakt, richting die [slachtoffer 4] en vervolgens die hooivork op korte afstand van het gezicht van die [slachtoffer 4] en die [slachtoffer 5] gehouden en daarbij die [slachtoffer 4] dreigend de woorden toegevoegd: "Zie je wel hoe scherp de punten zijn, daar kan ik jou en de paarden zo mee doodsteken", terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

zaak A, feit 4 -

hij op 18 februari 2007 te [plaats 1] opzettelijk aanwezig heeft gehad in of bij een woning gelegen aan de [adres]) telkens een hoeveelheid hennep, te weten ongeveer 106 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

zaak B -

hij op 18 december 2007 te [plaats 1], in de gemeente [gemeente], opzettelijk en wederrechtelijk een pinapparaat, toebehorende aan [benadeelde], heeft vernield.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld in zaak A onder 1, 2, 3, en 4 en in zaak B meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

zaak A, feiten 1 en 3, telkens -

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd, terwijl nog geen 5 jaren zijn verlopen sinds de schuldige een hem wegens bedreiging opgelegde gevangenisstraf heeft ondergaan;

zaak A, feit 2 -

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl nog geen 5 jaren zijn verlopen sinds de schuldige een hem wegens bedreiging opgelegde gevangenisstraf heeft ondergaan;

zaak A, feit 4 -

handelen in strijd met het in artikel 3 aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl nog geen 5 jaren zijn verlopen sinds de schuldige een hem wegens handelen in strijd met het in artikel 3 van de Opiumwet gegeven verbod opgelegde gevangenisstraf heeft ondergaan;

zaak B -

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort vernielen.

Strafbaarheid

Het hof acht de verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de in hoger beroep op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan en de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op 17 februari 2007 op diverse momenten schuldig gemaakt aan ernstige bedreiging(en) in woord en/of gebaar aan het adres van diverse personen.

De bedreigende handelingen die de verdachte heeft verricht veroorzaken veelal gevoelens van angst en onveiligheid bij degenen jegens wie die handelingen worden verricht. Blijkens de diverse aangiftes heeft de verdachte door het plegen van de hierboven bewezen verklaarde delicten daadwerkelijk gevoelens van angst en/of onveiligheid bij de aangevers opgewekt. De verdachte heeft er geen blijk van gegeven daarvan te zijn doordrongen.

De verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan het telen van hennep. Hij heeft een stof geproduceerd die schadelijk kan zijn voor de gebruikers van die stof. Het gebruik van de op lijst II van de Opiumwet voorkomende middelen - de hennepproducten - brengt risico's mee voor de gezondheid van gebruikers en veroorzaakt mede daardoor schade van velerlei aard in de samenleving. De verdachte heeft daaraan door zijn gedrag bijgedragen.

Daarnaast heeft de verdachte met de vernieling van het pinapparaat van de [benadeelde] te [plaats 1] inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van de [benadeelde] en die instelling aldus schade berokkend.

Uit het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 16 februari 2009 blijkt ten nadele van de verdachte dat hij ter zake van elk van de hierboven genoemde delicten eerder is veroordeeld en dat hij ook ter zake van andersoortige delicten veelvuldig is veroordeeld.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het strafdossier heeft kunnen blijken.

De informatie over die persoonlijke omstandigheden is echter zeer schaars, met name vanwege de omstandigheid dat de verdachte - ondanks de ook door het hof ter terechtzitting van 13 januari 2009 aan hem geboden gelegenheid - niet heeft willen meewerken aan enig onderzoek op dat gebied.

In een brief van Reclassering Nederland van 8 april 2008 is aan het arrondissementsparket Leeuwarden meegedeeld dat het niet mogelijk is over de verdachte te rapporteren:

"Dhr. [verdachte] is al vele jaren bekend bij de Reclassering Nederland en er zijn diverse verzoeken om rapportage gedaan. Er is ook meerdere keren psychiatrisch over hem gerapporteerd. Als diagnose is gesteld dat de heer [verdachte] lijdt aan de stoornis van Asperger, een autistische stoornis. Door deze stoornis kent hij alleen zijn eigen waarheid, is hij niet aanspreekbaar, niet leerbaar of trainbaar. Omdat niemand het in zijn ogen goed kan doen, ontaardt elk contact in verwijten, waarbij de heer [verdachte] schelden, intimideren en dreigen met geweld niet schuwt.

Wij zijn van mening dat de reclassering op geen enkele wijze nog een bijdrage kan leveren en willen onze medewerkers niet verder blootstellen aan het gedrag van de heer [verdachte]".

Gelet op deze omstandigheden ziet het hof zich gesteld voor een uiterst beperkte mogelijkheid om op adequate wijze rekening te kunnen houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Het hof acht, gelet op het bovenstaande, en uit het oogpunt van normhandhaving en vergelding de eis van de advocaat-generaal, inhoudende de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden noodzakelijk en geboden.

De door het hof ter zake van de in zaak A bewezen verklaarde feiten 1 t/m 4 gehanteerde strafmodaliteit strookt met de oriëntatiepunten voor straftoemeting die het hof hanteert met betrekking tot dergelijke strafbare feiten.

Ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen

Verbeurdverklaring

Met betrekking tot de in beslag genomen hooivork is uit het onderzoek ter terechtzitting komen vast te staan dat dit voorwerp toebehoort aan de verdachte en dat dit een voorwerp is met behulp waarvan de in zaak A onder 3 bewezen verklaarde feiten zijn begaan.

Als zodanig is deze hooivork vatbaar voor verbeurdverklaring.

Onttrekking aan het verkeer

Het hof is van oordeel dat het in beslag genomen mes dient te worden onttrokken aan het verkeer, omdat het een voorwerp betreft dat aan de verdachte toebehoort en bij gelegenheid van het onderzoek naar een door hem begaan strafbaar feit is aangetroffen, en van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Vordering van de benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat de vordering geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van de gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

De benadeelde partij heeft door het in zaak B bewezen verklaarde feit rechtstreekse schade geleden, welke schade aan de verdachte kan worden toegerekend. Het hof zal de vordering toewijzen nu deze niet is bestreden en deze het hof niet onredelijk of ongegrond voorkomt. De vordering van € 1.043,63 zal derhalve worden toegewezen.

Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade van € 1.043,63 die door het in zaak B bewezen verklaarde strafbaar feit is toegebracht en het belang van het slachtoffer ermee is gediend, zal aan de verdachte de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dit schadebedrag ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 36b (oud), 36c, 36f (oud), 43a, 57 (oud), 63 (oud), 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waartegen het beroep is gericht, en opnieuw recht doende:

verklaart het aan de verdachte in zaak A onder 1, 2, 3 en 4 en in zaak B ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en de verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte als hiervoor vermeld in zaak A onder 1, 2, 3 en 4 en in zaak B meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte [verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

verklaart verbeurd:

een hooivork;

verklaart aan het verkeer onttrokken:

een mes;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], gevestigd te [plaats 1], tot een bedrag van duizend drieënveertig euro en drieënzestig cent;

veroordeelt de verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van duizend drieënveertig euro en drieënzestig cent ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], gevestigd te [plaats 1];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van twintig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling, noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien de veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. L.T. Wemes en mr. H.K. Elzinga, in tegenwoordigheid van H. Kingma als griffier. Mr. Elzinga is buiten staat dit arrest te ondertekenen.