Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BI4879

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-05-2009
Datum publicatie
26-05-2009
Zaaknummer
24-000002-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging van onvoorwaardelijke werkstraf en voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid ter zake van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Strafmatiging toegepast wegens schending van de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 24-000002-04

parketnummers eerste aanleg: 17-085008-03 en 17-086082-02

Arrest van 26 mei 2009 van het gerechtshof Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 23 december 2003 in de oorspronkelijk onder de parketnummers 17-085008-03 en 17-086082-02 afzonderlijk aangebrachte, maar ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde strafzaken, hierna te noemen respectievelijk zaak A en zaak B, tegen:

[verdachte],

geboren op [1966] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het hierboven genoemde vonnis, in de gevoegde zaken, vrijgesproken ter zake van het in zaak B ten laste gelegde en wegens het in zaak A primair ten laste gelegde misdrijf veroordeeld tot een hoofdstraf en een bijkomende straf, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 12 mei 2009, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het in zaak B ten laste gelegde, kan de verdachte daarin niet worden ontvangen.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het in zaak A primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen vervangende hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, voor zover dat voor hoger beroep vatbaar is, vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is in zaak A ten laste gelegd dat:

primair

verdachte op of omstreeks 2 november 2002, te of nabij [plaats 1] (althans in de gemeente [gemeente]), als verkeersdeelnemer, te weten als bestuurder van een motorrijtuig, daarmee, komende uit de richting van [plaats 2] en gaande in de richting van [plaats 1], rijdende over de linker rijstrook van de noordelijke rijbaan van de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straat], zich zodanig heeft gedragen, dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend, met een aanmerkelijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor motorrijtuigen toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur, in ieder geval met een (veel) te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, heeft gereden, en toen zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn motorrijtuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of in plaats van op normale wijze die rijstrook te blijven volgen, met het door hem bestuurde motorrijtuig (zeer) krachtig heeft geremd en/of naar rechts is uitgeweken of naar rechts heeft gestuurd, om een aanrijding of botsing met een zich voor hem bevindend ander motorrijtuig, die - met een (aanzienlijk) lagere snelheid als het door hem bestuurde motorrijtuig - in dezelfde richting over die linker rijstrook van die (noordelijke) rijbaan reed te voorkomen, en daarbij of daarna in een slip is geraakt en/of de macht over het stuur verloren hebbende met het door hem bestuurde motorrijtuig in, gezien zijn rijrichting, de rechts naast die (noordelijke) rijbaan gelegen berm en/of een daarnaast gelegen slootje is geraakt of terechtgekomen en (vervolgens) over de kop is geslagen en (uiteindelijk) op de kop geheel of gedeeltelijk op die (noordelijke) rijbaan tot stilstand is gekomen, waardoor, althans mede waardoor, één of meer inzittenden van het door hem bestuurde motorrijtuig, (respectievelijk) [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], geheten, zwaar lichamelijk letsel, te weten (respectievelijk) die [slachtoffer 1] een sleutelbeenluxatie, twee gebroken ribben en een (af)gebroken nekwervel en/of die

[slachtoffer 2] een gebroken rug en een gebroken sleutelbeen en/of die [slachtoffer 3] drie gebroken lende- of ruggewervels, een gebroken sleutelbeen, vier gebroken ribben, een ingeklapte long en een darmperforatie, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van een strafoplegging aan verdachte

verdachte op of omstreeks 2 november 2002, nabij [plaats 1] (althans in de gemeente [gemeente]), als bestuurder van een motorrijtuig, daarmee, komende uit de richting van [plaats 2] en gaande in de richting van [plaats 1], met een aanmerkelijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor motorrijtuigen toegestane maximumsnelheid van

100 kilometer per uur, in ieder geval met een (veel) te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, heeft gereden over de linker rijstrook van de noordelijke rijbaan van de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straat], en toen zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn motorrijtuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of in plaats van op normale wijze die rijstrook te blijven volgen, met het door hem bestuurde motorrijtuig (zeer) krachtig heeft geremd en/of naar rechts is uitgeweken of naar rechts heeft gestuurd, om een aanrijding of botsing met een zich vóór hem bevindend ander motorrijtuig, die - met een (aanzienlijk) lagere snelheid als het door hem bestuurde motorrijtuig - in dezelfde richting over die linker rijstrook van die (noordelijke) rijbaan reed te voorkomen, en daarbij of daarna in een slip is geraakt en/of de macht over het stuur verloren hebbende met het door hem bestuurde motorrijtuig in de rechts naast die (noordelijke) rijbaan gelegen berm en/of een daarnaast gelegen slootje is geraakt of terechtgekomen en (vervolgens) over de kop is geslagen en (uiteindelijk) op de kop geheel of gedeeltelijk op die (noordelijke) rijbaan tot stilstand is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Bewezenverklaring

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op de [straat] te [plaats 1] op de linker rijstrook reed en dat hij een vóór hem op de linker rijstrook langzamer rijdende automobilist heeft geseind met zijn koplampen, (het hof begrijpt: teneinde deze automobilist te bewegen ruimte te maken op de linker rijstrook) waarna die automobilist van de linker rijstrook naar de rechter rijstrook is gereden.

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat hij vervolgens heeft opgetrokken naar een snelheid van 120 tot 130 kilometer per uur waar volgens hem een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur gold en dat het op dat moment druk was op de weg. Voorts heeft de verdachte aangevoerd dat hij de in de tenlastelegging beschreven uitwijkmanoeuvre heeft moeten uitvoeren teneinde een aanrijding of botsing te voorkomen met een andere, vóór hem rijdende automobilist, die plotseling, zonder de richtingaanwijzer te gebruiken, invoegend van rechts naar links, van rijbaan veranderde en daardoor vlak vóór de auto van de verdachte opdoemde, op het moment dat de verdachte eerstgenoemde automobilist wilde inhalen.

De verdachte heeft erkend dat hij onvoorzichtig heeft gereden, maar heeft aangevoerd dat hij wel oplettend was, dat hij niet onverantwoord hard heeft gereden en dat hij niet verkeerd heeft gehandeld.

Het hof overweegt het volgende met betrekking tot het bewijs.

Uit het proces-verbaal van verkeersongevalsanalyse blijkt dat ter plaatse waar het ongeval zich heeft afgespeeld destijds een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur gold. Gelet op de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij reed met een snelheid van 120 tot 130 kilometer per uur en dat het op dat moment druk was op de weg, alsmede gelet op de omstandigheid dat het op dat moment donker was en aldus sprake is geweest van een verminderd zicht en overzicht op de weg, heeft de verdachte derhalve gereden met een veel te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse.

Het hof onderschrijft voorts niet de lezing van de feitelijke gebeurtenissen met betrekking tot de aanleiding voor het ontstaan van het ongeval zoals de verdachte die heeft geschetst, maar gaat uit van de volgende gang van zaken:

De automobilist voor wie de verdachte is uitgeweken, is blijkens het strafdossier [automobilist 1] geweest. [automobilist 1] heeft bij de politie verklaard dat hij zijn richtingaanwijzer naar links heeft aangedaan, dat hij naar de linker rijstrook heeft gestuurd en dat hij reed met een snelheid van ongeveer 70 kilometer per uur. [automobilist 1] heeft tevens verklaard dat hij al enige tijd op de linker rijstrook reed, dat hij het geluid van piepende banden en een harde klap hoorde en dat hij vervolgens heeft gezien dat hij rechts gepasseerd werd door een auto die tijdens het passeren over de kop sloeg. Het hof begrijpt dat dit de door de verdachte bestuurde auto is.

De automobilist die de verdachte wilde inhalen, is blijkens het strafdossier [automobilist 2] geweest. [automobilist 2] heeft bij de politie verklaard dat hij op dat moment rijdend op de linker rijstrook een inhaalmanoeuvre uitvoerde en dat vlak vóór hem een andere auto op de linker rijstrook reed, die de richtingaanwijzer naar links had ontstoken. Het hof begrijpt dat dit de door [automobilist 1] bestuurde auto is. Op het moment dat [automobilist 2] zijn inhaalmanoeuvre had voltooid en van de linker rijstrook naar de rechter rijstrook reed, heeft [automobilist 2] door middel van zijn achteruitkijkspiegel gezien dat een andere auto dan de auto die hij had ingehaald begon te slingeren en van de weg raakte. Het hof begrijpt dat dit de door de verdachte bestuurde auto is.

De verklaringen van [automobilist 1] en [automobilist 2] worden ondersteund door de getuigenverklaringen van verdachtes medepassagiers [getuige], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Gelet op het bovenstaande, in onderlinge samenhang bezien, is geen sprake geweest van een plotseling van rijbaan veranderende automobilist die plotseling voor de auto van de verdachte is opgedoemd. Die automobilist,[automobilist 1], bevond zich immers reeds enige tijd op de linker rijstrook. Doordat de snelheid waarmee de verdachte reed beduidend hoger was dan de snelheid waarmee [automobilist 1] reed en de verdachte er kennelijk - gelet op de snelheid waarmee de verdachte reed - geen rekening mee had gehouden dat zich op de linker rijstrook nog een andere automobilist ([automobilist 1]) kon bevinden vóór de automobilist ([automobilist 2]) die de verdachte wilde inhalen, heeft de verdachte [automobilist 1] niet tijdig opgemerkt, namelijk eerst vlak nadat [automobilist 2] van de linker rijstrook naar de rechter rijstrook reed, kennelijk om ruimte te geven voor de inhaalmanoeuvre van de verdachte. De verdachte heeft zijn (inhaal)snelheid reeds verhoogd vóórdat hij zich ervan vergewist heeft dat de linker rijstrook voor hem verder vrij was. Aldus is sprake van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag van de verdachte.

Het hof acht op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

verdachte op 2 november 2002 te [plaats 1] als verkeersdeelnemer, te weten als bestuurder van een motorrijtuig, daarmee, komende uit de richting van [plaats 2] en gaande in de richting van [plaats 1], rijdende over de linker rijstrook van de noordelijke rijbaan van de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straat], zich zodanig heeft gedragen, dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer onvoorzichtig en onoplettend, met een veel te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse heeft gereden en toen zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn motorrijtuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en in plaats van op normale wijze die rijstrook te blijven volgen, met het door hem bestuurde motorrijtuig zeer krachtig heeft geremd en naar rechts heeft gestuurd, om een aanrijding of botsing met een zich voor hem bevindend ander motorrijtuig, die - met een aanzienlijk lagere snelheid als het door hem bestuurde motorrijtuig - in dezelfde richting over die linker rijstrook van die noordelijke rijbaan reed te voorkomen, en daarbij in een slip is geraakt en de macht over het stuur verloren hebbende met het door hem bestuurde motorrijtuig in, gezien zijn rijrichting, de rechts naast die noordelijke rijbaan gelegen berm en een daarnaast gelegen slootje is terechtgekomen en vervolgens over de kop is geslagen en uiteindelijk op de kop geheel of gedeeltelijk op die noordelijke rijbaan tot stilstand is gekomen, waardoor inzittenden van het door hem bestuurde motorrijtuig, respectievelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] geheten, zwaar lichamelijk letsel, te weten respectievelijk die [slachtoffer 1] een sleutelbeenluxatie, twee gebroken ribben en een (af)gebroken nekwervel en die [slachtoffer 2] een gebroken rug en een gebroken sleutelbeen en die [slachtoffer 3] drie gebroken lende- of ruggewervels, een gebroken sleutelbeen, vier gebroken ribben, een ingeklapte long en een darmperforatie werd toegebracht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld in zaak A onder primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

zaak A, primair -

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Het hof acht de verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de in hoger beroep op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder gelet op het volgende.

De verdachte heeft zeer onvoorzichtig en onoplettend gereden. Immers, de verdachte reed met een zodanig te hoge snelheid dat voor hem geen tijd en gelegenheid meer bestond om tijdig rekening te houden met en te anticiperen op de aanwezigheid van nog een andere verkeersdeelnemer op de linker rijstrook dan de verkeersdeelnemer die ruimte voor de verdachte vrijmaakte op de linker rijstrook.

Ten gevolge van het door de verdachte veroorzaakte verkeersongeval hebben, naast de verdachte zelf, drie mede-inzittenden zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Het hof neemt zonder meer aan dat de verdachte dit alles niet heeft gewild, maar acht hem hiervoor wel verantwoordelijk.

De verdachte is blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 16 februari 2009 niet eerder veroordeeld ter zake van het veroorzaken van een verkeersongeval.

Het hof heeft voorts rekening gehouden met de inhoud van de voorlichtingsrapportage van 10 juli 2003, die over de verdachte is opgemaakt door Reclassering Nederland, alsmede met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

Gelet op de ernst van het strafbare feit en de gevolgen daarvan, is een combinatie van een onvoorwaardelijke werkstraf en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid in beginsel passend en geboden. Deze strafmodaliteit komt overeen met de straffen die volgens landelijke oriëntatiepunten in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Het hof heeft tevens gelet op overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep,

nu het hof niet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld tot een uitspraak is gekomen. Het hoger beroep behoorde in dit geval op 23 december 2005 te zijn afgerond. Nu dit niet het geval is, is er gerekend vanaf die datum dus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim 41 maanden, welke overschrijding geheel toe te schrijven is aan een gebrek aan voortvarendheid van het ressortsparket in het - na aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 mei 2005 - voldoen aan de onderzoeksopdracht van het hof en het opnieuw ter zitting aanbrengen van de zaak. Van enige andere reden die de vertraging zou verklaren en rechtvaardigen, is niet gebleken.

Gelet op deze forse overschrijding van de redelijke termijn in de fase van de behandeling van het hoger beroep, ziet het hof aanleiding de werkstraf voor de duur van 160 uren die het hof voornemens was op te leggen, te matigen tot 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis en ziet het hof voorts aanleiding de onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden die het hof voornemens was op te leggen, op te leggen in voorwaardelijke vorm.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a (oud), 14b (oud), 14c, 22c (oud), 22d en 57 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 176 (oud) en 179 (oud) van de Wegenverkeerswet 1994.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

verklaart de verdachte niet ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het in zaak B ten laste gelegde;

vernietigt het vonnis, waartegen het beroep is gericht, voor zover dat voor hoger beroep vatbaar is, en in zoverre opnieuw recht doende:

verklaart het aan de verdachte in zaak A primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en de verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte als hiervoor vermeld in zaak A onder primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte [verdachte] tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderdtwintig uren, met het bevel dat, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van zestig dagen zal worden toegepast;

ontzegt aan de veroordeelde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van zes maanden;

beveelt dat de bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op de grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. L.T. Wemes en mr. H.K. Elzinga, in tegenwoordigheid van H. Kingma als griffier. Mr. Elzinga is buiten staat dit arrest te ondertekenen.