Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BI4805

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-05-2009
Datum publicatie
25-05-2009
Zaaknummer
24-001397-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een maand gevangenisstraf voorwaardelijk, een onvoorwaardelijke geldboete van 1500 euro alsmede een onvoorwaardelijk ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden wegen het weigeren van de bloedproef. Verdachte heeft zwaar onder invloed een auto bestuurd en heeft tengevolge van onverantwoord rijgedrag een verkeersongeval veroorzaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001397-08

Parketnummer eerste aanleg: 18-653983-07

Arrest van 25 mei 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 18 april 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1970] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. L.G. Mellens-Schrage, advocaat te Hoogezand.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 24 uren subsidiair 12 dagen vervangende hechtenis alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat

hij, op of omstreeks 06 juni 2007, te [plaats], als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en van wie het aannemelijk was dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk was, nadat hij de door een opsporingsambtenaar aan hem gevraagde toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van genoemde wet, niet had verleend, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of een daartoe bij regeling van de Minister van Justitie aangewezen ambtenaar van

politie, zich aan dat bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend;

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 6 juni 2007 te [plaats], als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en van wie het aannemelijk was dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid aanhef en onder a van de genoemde wet voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk was, nadat hij de door een opsporingsambtenaar aan hem gevraagde toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van genoemde wet, niet had verleend, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie zich aan dat bloedonderzoek te onderwerpen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft gelet op de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft hierbij in het bijzonder het navolgende in beschouwing genomen.

Op 6 juni 2007 heeft verdachte op de openbare weg een personenauto bestuurd na het gebruik van alcoholhoudende drank. Verdachte heeft met een onverantwoord hoge snelheid (van ca. 100 km/u zoals verdachte ter zitting van het hof heeft verklaard) door een (smalle) straat gereden. De wettelijke toegestane maximum snelheid is ter plaatse 50 km/u. Verdachte is tengevolge van zijn rijgedrag tegen een aldaar geparkeerde personenauto gereden met zoveel snelheid, dat de aangereden auto ook nog tegen de volgende geparkeerde auto is gebotst. Verdachte heeft aanzienlijke schade veroorzaakt aan deze voertuigen.

Verbalisanten hebben verdachte aangehouden op verdenking van het rijden onder invloed van alcohol, onder meer omdat hij rook naar alcohol, bloeddoorlopen ogen had, onvast ter been was en met een dubbele tong sprak.

Uit het voorlopig onderzoek uitgeademde lucht bleek dat het alcoholgehalte van verdachtes adem op dat moment wezenlijk hoger was dan de toegestane 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, te weten een F-indicatie van tenminste 650 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.

Verdachte is in verband met verwondingen per ambulance overgebracht naar het ziekenhuis te [plaats]. Daar heeft verdachte geweigerd zijn medewerking te verlenen aan het hem bevolen bloedonderzoek, zich daarbij heel specifiek beroepend op een soortgelijk gedrag van een vriend van hem.

Het weigeren van de bloedproef is naar het oordeel van het hof op zichzelf reeds een ernstig strafbaar feit. Daar komt in dit geval bij dat de weigering heeft plaatsgevonden nadat verdachte - naar aannemelijk is geworden - met tenminste het drievoudige van de toegestane hoeveelheid alcohol per liter uitgeademde lucht had deelgenomen aan het verkeer. Verdachte heeft vervolgens met een veel hogere dan de toegestane snelheid gereden. Door dat alles heeft verdachte niet alleen de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht, maar ook daadwerkelijk een ernstig ongeval veroorzaakt door in volle vaart tegen een geparkeerde auto aan te botsen. Dat de schade - afgezien van het letsel van verdachte zelf - beperkt is gebleven tot materiële schade is geenszins aan verdachte te danken.

Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting van het hof onvoldoende inzicht getoond in de verwerpelijkheid van zijn gedrag.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 9 april 2009 - veelvuldig is veroordeeld onder meer ter zake van soortgelijke strafbare feiten.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat de straf zoals bij vonnis van de politierechter opgelegd en zoals thans door advocaat-generaal gevorderd onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is gepleegd.

Het hof acht oplegging van een gevangenisstraf ter zake van een dergelijk misdrijf geïndiceerd. Het hof zal deze gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen teneinde verdachte ervan te weerhouden zich wederom schuldig te maken aan een dergelijk feit. Daarnaast acht het hof een forse onvoorwaardelijke geldboete op zijn plaats.

Het hof zal verdachte tevens een ontzegging van de rijbevoegdheid, van een door de advocaat-generaal gevorderde duur, opleggen.

Verdachte heeft ter zitting aangevoerd dat invordering van zijn rijbewijs zal meebrengen dat hij zijn werkzaamheden niet meer kan uitvoeren.

Nog daargelaten dat verdachte zulks in het geheel niet aannemelijk heeft gemaakt, is het hof van oordeel dat het maatschappelijk belang uit een oogpunt van verkeersveiligheid en normhandhaving prevaleert boven het belang van verdachte.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 (oud), 24 (oud) en 24c (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163 (Wegenverkeerswet 1994), 176 en 179 (oud) van de Wegenverkeerswet 1994.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van één maand;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

legt aan verdachte een geldboete op van duizend vijfhonderd euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van dertig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

ontzegt aan de veroordeelde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van twaalf maanden .

Dit arrest is aldus gewezen door mr. A.J. Rietveld, voorzitter, mr. S. Zwerwer en mr. S.J. van der Woude, in tegenwoordigheid van G.G. Eisma als griffier, zijnde mr. Van der Woude voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.