Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BI3377

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-05-2009
Datum publicatie
08-05-2009
Zaaknummer
24-001570-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overtreding van artikel 107, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994. Namens de verdachte is aangevoerd dat hij ten tijde van de ten laste gelegde feiten wel in het bezit was van een Italiaans rijbewijs. Het hof overweegt hieromtrent, dat de betrokkene reeds vanaf 1994 zich in Nederland heeft gevestigd, zodat noch op grond van het bepaalde bij artikel 108, lid 1 aanhef en onder h (oud) juncto artikel 109 (oud) van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), noch op grond van artikel 108, lid 1 aanhef en onder h sprake is van een in Nederland geldig rijbewijs. Voorts is aangevoerd dat de inwisselverplichting gebaseerd op het bepaalde in artikel 108, onder h strijdig is met het uit het EU-recht voortvloeiende recht op vrij verkeer van personen. De Wegenverkeerswet 1994 is in zoverre onverbindend wegens strijd met het Europese recht. Het hof is van oordeel dat de berekening van de geldigheidsduur als weergegeven in artikel 108, eerste lid, aanhef en onder h WVW 1994 voldoet aan de vereisten van de Richtlijn 91/349/EEG, terwijl ook anderszins niet blijkt van strijd met die richtlijn of met de Richtlijn 2006/126/EEG (PB L403 van 30 december 2006) waaruit blijkt dat de EU-lidstaten elkaars rijbewijzen erkennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 147
VR 2010, 42
Module Rijbewijzen 2014/524
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Leeuwarden

Parketnummer: 24-001570-08

Parketnummer eerste aanleg: 18-500433-08

Arrest van 8 mei 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, enkelvoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Groningen van 3 juni 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1962] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte

mr. J. Pieters, advocaat te Sneek.

Het vonnis waarvan beroep

De kantonrechter heeft de verdachte bij het vonnis wegens een overtreding veroordeeld tot straffen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsman van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk gemachtigd te zijn

verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte is telastegelegd en verdachte zal veroordelen tot een geldboete van € 250,-, subsidiair 5 dagen hechtenis en een hechtenisstraf voor de duur van 2 weken, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Van de terechtzitting in eerste aanleg is geen proces-verbaal opgemaakt. Daarom kan het hof niet beoordelen of het onderzoek in eerste aanleg overeenkomstig de wet heeft plaatsgevonden en of het vonnis aan de wettelijke eisen voldoet. Het vonnis zal om deze reden worden vernietigd en het hof zal opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

dat hij op of omstreeks 1 december 2007, te en in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de [straatnaam], zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

Beoordeling verweren

Namens de verdachte is aangevoerd, dat hij zou moeten worden vrijgesproken, omdat hij ten tijde van de ten laste gelegde feiten wel in het bezit was van een Italiaans rijbewijs, welke hij in kopie heeft overgelegd en waaruit een geldigheidsduur blijkt in de periode van 24 september 2007 tot 13 januari 2016.

Het hof overweegt hieromtrent, dat de betrokkene reeds vanaf 1994 zich in Nederland heeft gevestigd, zodat noch op grond van het bepaalde bij artikel 108, lid 1 aanhef en onder h (oud) juncto artikel 109 (oud) van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), noch op grond van artikel 108, lid 1 aanhef en onder h sprake is van een in Nederland geldig rijbewijs.

Voorts is aangevoerd dat de inwisselverplichting gebaseerd op het bepaalde in artikel 108, onder h strijdig is met het uit het EU-recht voortvloeiende recht op vrij verkeer van personen. De Wegenverkeerswet 1994 is in zoverre onverbindend wegens strijd met het Europese recht. Daartoe wordt gerefereerd aan een tweetal uitspraken van het Europese Hof van Justitie, zaak C-253/01 (Krüger tegen Dienst Wegverkeer) en zaak C-193/94 (Chryssanthakopoulos).

De memorie van toelichting bij de wet van 9 december 2004, waarbij onder meer artikel 109 van de WVW 1994 is komen te vervallen en artikel 108 van die wet is gewijzigd (kamerstukken II 2003/4 29545, nr 3) houdt ten aanzien daarvan in:

"Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in zijn op 10 juli 2003 gewezen arrest in zaak C-246/00 geconcludeerd dat de in artikel 109 van de Wegenverkeerswet 1994 voorziene regeling inzake de registratie van door andere EU-lidstaten en EER-staten afgegeven rijbewijzen, waarvan de houder zich in Nederland heeft gevestigd, zich niet verdraagt met het in artikel 1, tweede lid, van richtlijn nr. 91/439/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs ([rijbewijsnummer]) neergelegde beginsel dat de lidstaten elkaars rijbewijzen dienen te erkennen. Weliswaar wordt de in de Wegenverkeerswet 1994 voorziene registratieregeling zonder onderscheid toegepast, vindt de maatregel zijn rechtvaardiging in dwingende redenen van algemeen belang - i.c. de verkeersveiligheid - en is de maatregel geschikt om de verwezenlijking van de met de maatregel nagestreefde doelen - het mogelijk maken van een effectieve controle en het zoveel mogelijk tegengaan van fraude - te waarborgen, doch de maatregel gaat naar het oordeel van het Hof van Justitie verder dan hetgeen noodzakelijk is om de nagestreefde doelen te bereiken. Ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie zal artikel 109 van de Wegenverkeerswet 1994 daarom dienen te vervallen. Artikel I onderdeel E, voorziet daarin.

Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest in zaak C-246/00 voorts geconcludeerd dat de in de Wegenverkeerswet 1994 voorziene wijze van berekening van de resterende geldigheidsduur in Nederland van door andere EU-lidstaten en andere EER-staten afgegeven rijbewijzen, waarvan de houder zich in Nederland heeft gevestigd, op zich geen schending vormt van het in richtlijn 91/439/EEG vervatte beginsel van onderlinge erkenning van rijbewijzen. Gezien deze conclusie van het Hof van Justitie kan de in de Wegenverkeerswet 1994 voorziene wijze van berekening, waarbij wordt uitgegaan van de datum waarop het betrokken rijbewijs is afgegeven in de lidstaat van herkomst, en niet van de datum waarop de betrokken houder zich in Nederland heeft gevestigd, worden gehandhaafd. In verband met het vervallen van de registratieregeling dient artikel 108, eerste lid, onderdeel h, echter opnieuw te worden geformuleerd. Artikel I, onderdeel D, voorziet daarin."

Uit een en ander blijkt, dat de berekening van de geldigheidsduur als weergegeven in artikel 108, eerste lid, aanhef en onder h WVW 1994 voldoet aan de vereisten van de Richtlijn 91/349/EEG, terwijl ook anderszins niet blijkt van strijd met die richtlijn of met de Richtlijn 2006/126/EEG (PB L403 van 30 december 2006) waaruit blijkt dat de EU-lidstaten elkaars rijbewijzen erkennen.

Bewezenverklaring

dat hij op 1 december 2007, te en in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de [straatnaam], zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de overtreding:

overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Het hof heeft zich bij het bepalen van de straf mede laten leiden door de in dezen toepasselijke "Richtlijn voor strafvordering, tarieven en feitomschrijvingen voor misdrijven, overtredingen en gedragingen als bedoeld in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften". In aanmerking genomen dat het onderhavige feit blijkens het uittreksel justitiële documentatie d.d. 16 januari 2009 binnen 4 jaar na afdoening van de eerste overtreding is gepleegd, acht het hof geen reden aanwezig om van de door de advocaat-generaal gevorderde straf af te wijken en zal daarom na te melden straf opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 107, 177 en 178 van de Wegenverkeerswet 1994.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van tweehonderdvijftig euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijf dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

veroordeelt hem tevens tot hechtenis voor de duur van twee weken, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. A. Dijkstra, in tegenwoordigheid van

mr. H.J. Samplonius als griffier.