Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BI3184

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-05-2009
Datum publicatie
07-05-2009
Zaaknummer
24-002143-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging nu het aannemelijk is geworden dat hij het bewezen verklaarde feit heeft begaan ter noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en onmiddellijk dreigend gevaar hiervoor. Naar het oordeel van het hof mocht verdachte zich in de gegeven situatie op deze wijze verdedigen. Het door verdachte gebruikte geweld is niet als disproportioneel aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002143-08

Parketnummer eerste aanleg: 19-606361-07

Arrest van 7 mei 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van

22 augustus 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1942] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.H. Mastenbroek, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en heeft op de vordering van de benadeelde partij beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen ter zake het hem primair ten laste gelegde tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering tot een bedrag van € 374,08 zal worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot eenzelfde bedrag.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 juli 2007 te [plaats], gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meerdere malen met een bougiesleutel op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 21 juli 2007 te [plaats], gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), meermalen met een bougiesleutel op het hoofd heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 21 juli 2007 te [plaats], gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), meermalen met een bougiesleutel op het hoofd heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

mishandeling.

Strafbaarheid

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting van het hof een beroep gedaan op noodweer, dan wel noodweerexces. Verdachte zou moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de verdediging.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof de volgende feitelijke gang van zaken vast. Op 21 juli 2007 ontstaat er een woordenwisseling tussen verdachte en aangever [slachtoffer]. Hierop duwt aangever verdachte weg en maakt een trappende beweging in de richting van het bovenlichaam van verdachte, waarbij aangever verdachte raakt. Vervolgens komt aangever in een bokshouding op verdachte af. Verdachte pakt hierop een bougiesleutel uit zijn broekzak en slaat hiermee in de richting van aangever, waarbij hij aangever op het lichaam en het hoofd raakt.

Gelet op het vorenstaande acht het hof het aannemelijk geworden dat verdachte

het bewezen verklaarde feit heeft begaan teneinde zichzelf te verdedigen tegen de

aanval van [slachtoffer], derhalve ter noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf

tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en onmiddellijk dreigend gevaar hiervoor. Naar het oordeel van het hof mocht verdachte zich in de gegeven situatie op deze wijze verdedigen. Het door verdachte gebruikte geweld is niet als disproportioneel aan te merken.

Verdachte is derhalve niet strafbaar voor het bewezen verklaarde feit, zodat hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter 's hofs terechtzitting is gebleken, dat de benadeelde partij,

[slachtoffer], wonende te [woonplaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zijn vordering in eerste aanleg niet is toegewezen en dat hij zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Nu aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd, terwijl evenmin artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt toegepast, dient de benadeelde partij, gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering, in zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, met veroordeling van de benadeelde partij in de kosten van het geding door verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte als voormeld onder subsidiair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart verdachte echter niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. O. Anjewierden en mr. E. Pennink, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier, zijnde mrs. Anjewierden en Pennink voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.