Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BI3169

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-05-2009
Datum publicatie
07-05-2009
Zaaknummer
24-000228-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het OM wordt ten aanzien van feit 2 niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 416, derde lid Sv. Verdachte wordt ten aanzien van feit 1 wegens poging tot zware mishandeling veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand en een werkstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis. In plaats van een last tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, gelast het hof een werkstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000228-08

Parketnummer eerste aanleg: 18-655841-07 en 18-070613-04 (tul)

Arrest van 6 mei 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 28 januari 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1961] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis van een misdrijf vrijgesproken (feit 2) en wegens een misdrijf (feit 1) veroordeeld tot een geldboete van € 500,--, subsidiair tien dagen vervangende hechtenis, en heeft op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Het hof heeft verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep ten aanzien van feit 2

In eerste aanleg heeft de officier van justitie (onder meer) gevorderd dat de rechtbank de verdachte zou vrijspreken ten aanzien van feit 2. Verdachte is vervolgens vrijgesproken van feit 2. De officier van justitie heeft onbeperkt hoger beroep ingesteld en een appèlschriftuur ingediend. Daarin stonden echter geen grieven ten aanzien van de vrijspraak van feit 2 vermeld.

Het hof ziet op grond van voorgaande in deze zaak aanleiding met betrekking tot feit 2 toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, derde lid van het Wetboek van Strafvordering, nu door het openbaar ministerie geen schriftuur houdende grieven ten aanzien van dat feit zijn ingediend.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft - voor zover hier van belang - gevorderd dat het hof de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een maand gevangenisstraf. Voorts heeft zij gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de door de politierechter te Groningen d.d. 5 december 2005 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden zal worden toegewezen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover in hoger beroep nog van belang - (onder 1) ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 oktober 2007, in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- een of meerdere malen in het gezicht heeft gestompt, geslagen en/of geschopt,

- genoemde [slachtoffer] omver heeft geduwd tengevolge waarvan genoemde [slachtoffer] op een hekje viel,

- een of meerdere malen met een paal tegen het lichaam van genoemde [slachtoffer] heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 28 oktober 2007, in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]),

- een of meerdere malen in het gezicht heeft gestompt, geslagen en/of geschopt,

- genoemde [slachtoffer] omver heeft geduwd tengevolge waarvan genoemde [slachtoffer] op een hekje viel en/of

- een of meerdere malen met een paal tegen het lichaam van genoemde [slachtoffer] heeft geslagen,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het (onder 1) primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 28 oktober 2007, in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- in het gezicht heeft gestompt,

- genoemde [slachtoffer] omver heeft geduwd tengevolge waarvan genoemde [slachtoffer] op een hekje viel,

- en met een paal tegen het lichaam van genoemde [slachtoffer] heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

(primair:)

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straffen gelet op de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 28 oktober 2007 schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer]. Deze laatste zocht verdachte thuis op om verhaal te halen. Verdachte had even daarvoor de dochter van [slachtoffer] gedreigd de poten van haar hond te breken, omdat zij die uitliet in de nabije omgeving van verdachtes huis. Verdachte heeft door op deze manier te handelen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend Uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister d.d. 14 januari 2009 - meermalen is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten. Bovendien liep verdachte nog in een proeftijd van een aan hem opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Genoemde voorwaardelijke gevangenisstraf was mede bedoeld als stok achter de deur, zodat verdachte geen nieuwe strafbare feiten zou plegen. Verdachte heeft zich daarvan klaarblijkelijk niets aangetrokken.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat aan verdachte in beginsel een - door de advocaat-generaal gevorderde - onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Het hof ziet in dit geval echter redenen deze voorwaardelijk op te leggen. Daarnaast legt het hof een werkstraf op van na te melden duur.

Tenuitvoerlegging (18-070613-04)

Bij vonnis van de politierechter te Groningen d.d. 5 december 2005, is veroordeelde veroordeeld tot (onder meer) drie maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting van het hof is voormeld vonnis onherroepelijk geworden op 5 december 2005. De proeftijd is ingegaan op 20 december 2005. De officier van justitie heeft op 5 december 2007 gevorderd dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van voormelde gevangenisstraf, omdat veroordeelde zich voor het einde van voormelde proeftijd heeft schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

Nu gebleken is dat veroordeelde het hiervoor bewezen verklaarde feit heeft begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd, zal het hof op grond van het vorenstaande de vordering tenuitvoerlegging toewijzen, met dien verstande dat het hof in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf te geven, een werkstraf zal gelasten van na te noemen duur.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14g, 22c (oud), 22d, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP bij verstek:

verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep ten aanzien van

feit 2;

vernietigt het vonnis, voor zover aan hoger beroep onderworpen, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van één maand;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderd uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag;

gelast (in plaats van het geven van een last tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van drie maanden de veroordeelde voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Groningen van 5 december 2005) taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van honderdtachtig uren met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van negentig dagen zal worden toegepast.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. P. Koolschijn, voorzitter, mr. G. Dam en mr. J. Hielkema, in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen als griffier, zijnde mr. Dam voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.