Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BI3137

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-05-2009
Datum publicatie
07-05-2009
Zaaknummer
24-002701-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Primair is ten laste gelegd poging tot doodslag (in het verkeer), subsidiair artikel 5 WVW.

Ten gevolge van de gedragingen van verdachte, bestuurder van een personenauto, is een motorrijder ten val gekomen. De gevolgen daarvan zijn relatief beperkt gebleven.

Gezien de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht - waarbij wordt gedoeld op de kwetsbare positie van een motorrijder ten opzichte van een automobilist, het gerezen verkeersconflict alsmede de snelheid van rond de 120 kilometer per uur waarmee beiden reden - dient de aan verdachte primair verweten gedraging te worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het raken van de door aangever bestuurde motor, dat verdachte op zijn minst genomen de aanmerkelijke kans op een dodelijke afloop voor lief heeft genomen. Op grond hiervan acht het hof het voor poging doodslag benodigde opzet bewezen.

De door de raadsman aangehaalde jurisprudentie acht het hof op deze zaak niet van toepassing, nu de door hem genoemde zaken alle betrekking hebben op het vraagstuk opzet en schuld in het verkeer, waarbij de slachtoffers willekeurige medeweggebruikers waren. Het cruciale verschil met de onderhavige strafzaak is dat verdachte zich bij uitsluiting heeft gericht op één specifieke medeweggebruiker, met wie hij op de weg in conflict was geraakt en waarbij verdachte het door hem bestuurde voertuig als wapen in de strijd heeft geworpen.

Oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden, 240 uren werkstraf en ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 15 maanden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 287
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2009, 119
JWR 2009/59
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002701-07

Parketnummer eerste aanleg: 19-830158-07

Arrest van 4 mei 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Assen van 23 oktober 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1977] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, een bijkomende straf opgelegd en een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij en daarbij een maatregel opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte voor het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering is doorgebracht. Voorts heeft de advocaat-generaal de ontzegging van de rijbevoegdheid gevorderd voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van de tijd die het rijbewijs reeds ingevorderd en ingehouden is geweest, en toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot het gevorderde bedrag van € 1.600,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 27 juni 2007, op de [snelweg], ter plaatse gelegen in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet, terwijl verdachte en genoemde [slachtoffer] zich met de door hen bestuurde motorvoertuigen met hoge, althans een behoorlijke snelheid, voortbewogen over de bovengenoemde weg, met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto, meermalen, althans

eenmaal, in de richting van en/of tegen de door die [slachtoffer] bestuurde motorfiets is gereden en/of die motorfiets heeft aangereden, tengevolge waarvan die [slachtoffer] met de door hem bestuurde motorfiets ten val is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, ter zake dat

hij op of omstreeks 27 juni 2007 te [plaats 1], als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg, de [snelweg], met hoge, althans een behoorlijke snelheid, met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto op zeer korte afstand van een voor hem op die weg rijdende motorfiets is gaan rijden en/of op het moment dat verdachte met zijn auto links naast die motorfiets reed, meermalen, althans eenmaal, een (plotselinge) zwenking(en) naar rechts heeft gemaakt, althans zijn motorrijtuig naar rechts heeft gestuurd, in de richting van die naast hem rijdende motorfiets en/of daarbij die motorfiets heeft geraakt, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Overwegingen omtrent het bewijs van het primair ten laste gelegde

Aan verdachte is primair ten laste gelegd dat hij met zijn personenauto een motorrijder heeft geraakt, hetgeen - gelet op de omstandigheden waaronder dit plaatsvond - volgens de tenlastelegging is aan te merken als een poging tot doodslag. Door en namens verdachte is - kort gezegd - aangevoerd dat er geen sprake is geweest van het voor een bewezenverklaring van (een poging tot) doodslag vereiste opzet. De aanrijding zou veroorzaakt zijn door een op dat moment noodzakelijke stuurcorrectie.

Uit de stukken en uit hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, leidt het hof de navolgende gang van zaken af.

Aangever, hierna te noemen [slachtoffer], rijdt over autosnelweg de [snelweg] in de richting van [plaats 2], komend uit de richting [plaats 3]. Hij bevindt zich met zijn motor, een Yamaha RN12, achter een vrachtwagen op de rechterweghelft van de (vierbaanse) snelweg. [slachtoffer] wil de vrachtwagen inhalen. In zijn achteruitkijkspiegel ziet hij de Renault van verdachte naderen. [slachtoffer] acht de afstand echter zodanig dat hij de vrachtwagen vóór de Renault op verantwoorde wijze kan inhalen. Als [slachtoffer] op de linkerrijstrook is, rijdt de Renault van verdachte zeer dicht achter hem en hij blijft dat doen. [slachtoffer] verklaart daarover: "Hij reed als het ware bijna op mijn nummerplaat". De bestuurder van de vrachtwagen, [getuige 1], verklaart: "Naar mijn inzicht kon zelfs mijn broodbakje niet meer tussen de beide voertuigen in." Deze getuige schat de snelheid van beide bestuurders op dat moment 130 à 140 kilometer per uur. Verdachte verklaart ter terechtzitting: "De motorrijder ging plotseling ook inhalen. Zijn manoeuvre was gevaarlijk. Ik claxonneerde."

[slachtoffer] stuurt onmiddellijk nadat hij de vrachtwagen is gepasseerd weer naar de rechter rijstrook. Verdachte doet dat ook en gaat vóór [slachtoffer] rijden. [slachtoffer] verklaart dat verdachte dat met een "snijdende beweging" deed.

Bovenomschreven verkeerssituatie lijkt de bron te zijn geweest van het ontstaan van een conflict tussen beide weggebruikers. De vrachtwagenchauffeur neemt gebarentaal waar tussen de beide bestuurders en ook verdachte verklaart daarover: "Vanaf dat moment escaleerde het". [slachtoffer] zou zijn middelvinger naar verdachte hebben opgestoken en een "keeldoorsnij-"gebaar hebben gemaakt. Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en zijn passagier [getuige 3], die vanaf de invoegstrook met hun Opel Vectra de snelweg op willen rijden, komt naar voren dat de bestuurder van de Renault, verdachte, die invoegpoging negeert. De achter hem rijdende motorrijder, [slachtoffer], wijkt wel uit naar links. [getuige 2] en [getuige 3] rijden dan achter [slachtoffer]. [slachtoffer] rijdt achter verdachte. Verdachte geeft later aan de betreffende invoegpoging niet te hebben opgemerkt, hetgeen erop lijkt te duiden dat zijn aandacht volledig was gericht op [slachtoffer].

Er volgt een tweede inhaalmanoeuvre. Verdachte en daarachter [slachtoffer] gaan daartoe naar de linkerrijstrook. Volgens de verklaring van [slachtoffer] zou verdachte daarbij geen richting hebben aangegeven. Tijdens het inhalen trapt verdachte op de rem. De remlichten van de Renault zijn waargenomen door de getuigen [getuige 2] en [getuige 3]. Verdachte zelf verklaart: "Op een gegeven moment was ik het zat en ik trapte op de rem, terwijl de motorrijder achter mij reed. Ik wilde hiermee bereiken dat hij zou ophouden met zijn handgebaren, dat de hele situatie zou ophouden".

[slachtoffer] verklaart: "Toen ik achter de groene Renault reed, trapte deze bestuurder zo plotseling op de rem dat ik snel naar rechts moest uitwijken om een aanrijding te voorkomen".

Vervolgens bevinden beide voertuigen zich op gelijke hoogte, verdachte op de linker rijstrook, [slachtoffer] op de rechter rechtstrook. [slachtoffer] erkent op dat moment gebaren naar verdachte te hebben gemaakt, waaronder een vinger tegen het hoofd.

[slachtoffer] ziet vervolgens dat de Renault van verdachte naar hem toe komt rijden. [slachtoffer] steekt daarop zijn linkerbeen uit om afstand te creëren, hetgeen ook kan worden geïnterpreteerd als een "schopbeweging". Verdachte stuurt terug naar links. Volgens de verklaring van [slachtoffer] kijken zij elkaar aan en geeft verdachte onmiddellijk daarna een ruk naar rechts. De Renault komt daarbij in aanraking met de motor, ten gevolge waarvan [slachtoffer] de macht over het stuur verliest en ten val komt. [slachtoffer] verklaart op dat moment tussen de 100 en 120 kilometer per uur te hebben gereden.

Getuige [getuige 2] verklaart daarover: "Ik zag dat de groene Renault een slinger naar rechts maakte. Hierdoor werd de motorrijder afgesneden. Hij moest uitwijken. Ik zag dat de motorrijder een schopbeweging maakte in de richting van de groene Renault. Voor mij was deze manoeuvre van de Renault zonder reden. Hierna reden de Renault en de motorrijder naast elkaar. Ik zag dat de Renault een behoorlijke slinger maakte in de richting van de motorrijder, nog heftiger dan de eerste. Ik zag dat de motorrijder door de Renault van de weg werd gereden. Ik zag dat de motorrijder met de motor over de kop vloog".

Getuige [getuige 3] verklaart: "Ik vind dit echt asociaal gedrag van de bestuurder van de Renault. Ik heb gezien dat hij bewust aan het stuur heeft getrokken".

Verdachte verklaart over die momenten onder meer: "Ik was aan het slingeren. Links van mij was de tunnelmuur. Ik schrok daarvan. Rechts van mij was de motorrijder. Ik zag dat de motorrijder zijn linkerbeen uitstak. In mijn beleving was de motorrijder zoveel naar links uitgeweken dat ik bijna tegen de muur van de tunnel aankwam. Als reactie daarop stuurde ik naar rechts. Op dat moment raakte ik de motorrijder. Ik had niet de bedoeling om hem te raken, maar alleen om de muur niet te raken". En ook: "Ik raakte de controle kwijt door het conflict".

Het hof heeft voorts gelet op het proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse d.d. 28 juni 2007, opgemaakt door betreffende dienst van de regiopolitie Drenthe. Uit de aftekening van de banden van de Renault op het wegdek blijkt een abrupte stuurbeweging van de linker- naar de rechterrijstrook. Na 24.40 meter bevond de Renault zich in zijn geheel op de rechterrijstrook, waar ook de Yamaha zich bevond. Hoewel het botspunt niet kon worden vastgesteld, kan uit de sporen worden afgeleid dat de aanrijding op de rechterrijstrook heeft plaatsgevonden. De Renault had schade aan het rechter achterportier. De rode laksporen zijn te herleiden tot de (schade aan de) Yamaha.

Uit de bij het proces-verbaal van de V.O.A. behorende bijlage, binnengekomen op 24 september 2007 en bevattende een situatieschets, blijkt dat de linkerwielen van de Renault van verdachte niet dichter bij de tunnelmuur zijn geweest dan 1.20 meter, van welke positie sprake was direct voorafgaand aan het moment van de (tweede) stuurbeweging naar rechts.

Al het vorenstaande in aanmerking nemende acht het hof aannemelijk geworden dat de irritatie tussen de beide weggebruikers is ontstaan tijdens de eerste inhaalmanoeuvre, waarbij de vrachtwagen van getuige [getuige 1] werd gepasseerd. Deze irritatie breidde zich door gedragingen over en weer in snel tempo uit tot een ernstig conflict. Verdachte heeft verklaard zich ervan bewust te zijn dat motorrijders kwetsbaardere verkeersdeelnemers zijn dan automobilisten. Niettemin is het verdachte geweest, die in het conflict de toon heeft gezet door met hoge snelheid zeer dicht achter [slachtoffer] te rijden en te claxonneren. Verdachte heeft [slachtoffer] daarmee geïntimideerd, in een gevaarlijke situatie gebracht en, kennelijk ook bij zichzelf, agressie opgewekt. Vanaf dat moment is verdachtes aandacht - zo wordt ook toegegeven - niet langer gericht geweest op de weg, de verkeersveiligheid en/of zijn medeweggebruikers, maar (vrijwel) uitsluitend op [slachtoffer].

Zo blijkt ook uit de tweede inhaalmanoeuvre. Verdachte remt zonder duidelijke reden, terwijl [slachtoffer] achter hem rijdt. Hij wilde naar eigen zeggen daarmee de (conflict)situatie beëindigen.

Het ligt voor de hand dat deze nieuwe intimidatie slechts bijdroeg aan een verdere escalatie.

Op de aan verdachte ter terechtzitting van het hof gestelde vraag waarom hij na de tweede inhaalmanoeuvre zonder noodzaak naast [slachtoffer] bleef rijden, met alle gevolgen van dien, heeft verdachte verklaard: "Ik voelde mij onder spanning gezet. Hij bleef doorgaan. Ik wilde van hem af. Ik kon mij daaraan op dat moment niet onttrekken". Dat verdachte vervolgens min of meer noodgedwongen tot tweemaal toe een (abrupte) stuurcorrectie moest maken enkel om de inmiddels links van hem verschenen tunnelmuur te ontwijken, acht het hof in het licht van het voorgaande niet aannemelijk, temeer daar de bijlage bij het proces-verbaal van de VOA, zoals hiervoor weergegeven, een minimale afstand tussen de muur en de Renault van verdachte heeft berekend van 1.20 meter en verdachte de gehele linkerrijstrook tot zijn beschikking had.

Het hof heeft daarbij ook gelet op de hiervoor aangehaalde verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3], die spreken van opzettelijke stuurbewegingen naar rechts. De raadsman heeft in dit verband betoogd dat getuigen volgens de wet slechts over hun eigen waarnemingen of ondervindingen dienen te verklaren zonder daaraan een conclusie te verbinden. Het hof is echter van oordeel dat beide getuigen op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van verdachtes handelen, binnen de context van het voor hen waarneembare conflict tussen beide weggebruikers en het daaraan voorafgaande verkeersgedrag van verdachte tot dergelijke - kwalificerende - uitspraken konden komen.

De abrupte, op het wegdek sporen achterlatende tweede stuurbeweging naar rechts kan het hof niet anders uitleggen dan dat deze was gericht op het raken van [slachtoffer]. Dat verdachte heeft verklaard de dood van [slachtoffer] in het geheel niet te hebben gewild, is niet in overeenstemming met zijn gedragingen.

Gezien de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht - waarbij wordt gedoeld op de kwetsbare positie van een motorrijder ten opzichte van een automobilist, het gerezen verkeersconflict alsmede de snelheid van rond de 120 kilometer per uur waarmee beiden reden -

dient de aan verdachte verweten gedraging te worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het raken van de door aangever bestuurde motor, dat verdachte op zijn minst genomen de aanmerkelijke kans op een dodelijke afloop voor lief heeft genomen. Op grond hiervan acht het hof het voor poging doodslag benodigde opzet bewezen.

De door de raadsman aangehaalde jurisprudentie acht het hof op deze zaak niet van toepassing, nu de door hem genoemde zaken alle betrekking hebben op het vraagstuk opzet en schuld in het verkeer, waarbij de slachtoffers willekeurige medeweggebruikers waren. Het cruciale verschil met de onderhavige strafzaak is dat verdachte zich bij uitsluiting heeft gericht op één specifieke medeweggebruiker, met wie hij op de weg in conflict was geraakt en waarbij verdachte het door hem bestuurde voertuig als wapen in de strijd heeft geworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat

hij op 27 juni 2007, op de [snelweg], ter plaatse gelegen in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet, terwijl verdachte en genoemde [slachtoffer] zich met de door hen bestuurde motorvoertuigen

met hoge snelheid, voortbewogen over de bovengenoemde weg, met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto in de richting van de door die [slachtoffer] bestuurde motorfiets is gereden en die motorfiets heeft aangereden, tengevolge waarvan die [slachtoffer] met de door hem bestuurde motorfiets ten val is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de in hoger beroep op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag in het verkeer. De wijze waarop een en ander plaatsvond is hiervoor onder de bewijsoverwegingen reeds uitvoerig uiteengezet. Het hof rekent het verdachte aan dat hij zich kennelijk zodanig heeft laten leiden door gevoelens van boosheid, frustratie, agressie en/of emotie, dat hij is overgegaan tot een daad die fataal had kunnen aflopen. Het mag wonderbaarlijk worden genoemd dat het slachtoffer, die met een snelheid van 120 kilometer per uur door verdachtes toedoen met zijn motor ten val kwam, "slechts" een zware hersenschudding en een aantal kneuzingen heeft opgelopen.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof tevens in aanmerking genomen dat ook het slachtoffer in enige mate heeft bijgedragen aan de verdere escalatie van het conflict. Hoewel hij door verdachte ernstig in gevaar werd gebracht, had hij zich in zijn non-verbale reacties wellicht kunnen beperken dan wel zich aan de ontstane situatie kunnen onttrekken. Overigens blijkt uit de toelichting die het slachtoffer geeft op zijn vordering als benadeelde partij onder meer dat hij last heeft van stress, prikkelbaarheid, vergeetachtigheid en duizelingen. Hij heeft na het ongeluk ongeveer zes weken niet of nauwelijks kunnen werken, is angstig geworden in het verkeer en wantrouwt medeweggebruikers.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatie- register van 9 februari 2009, waaruit blijkt dat verdachtes enige veroordeling ter zake van misdrijven in 2000 heeft plaatsgevonden. Het ging daarbij om een tweetal mishandelingen.

Het vorenstaande in aanmerking nemend is het hof van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf van na te melden duur een passende reactie is op het bewezen verklaarde feit. Anders dan in eerste aanleg is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd zal het hof deze straf geheel in voorwaardelijke vorm opleggen. Het hof overweegt daarbij dat verdachte er blijk van heeft gegeven in te zien dat hij een ernstige fout heeft gemaakt. Verdachte heeft tevens verklaard in het verleden problemen te hebben gehad met zijn "agressiehouding", voortkomend uit problematische familiebetrekkingen. Hij zegt daaraan hard en met resultaat te hebben gewerkt. Verdachte heeft een partner en een kind en werk als vrachtwagenchauffeur. Het komt het hof onwenselijk voor, dat verdachte thans daadwerkelijk een gevangenisstraf zou moeten ondergaan. Uit het oogpunt van repressie zal het hof daarom, naast voornoemde voorwaardelijke gevangenisstraf, aan verdachte een werkstraf opleggen van de maximale duur.

Wat de door de advocaat-generaal gevorderde ontzegging van de rijbevoegdheid betreft, heeft het hof een afweging gemaakt tussen enerzijds het belang voor verdachte bij het behoud van zijn rijbewijs en anderzijds de belangen van de verkeersveiligheid. Hoewel het hof zich realiseert dat verdachte in zijn beroepsmatig functioneren ernstig zal worden getroffen door een ontzegging, is het hof van oordeel dat de belangen van de verkeersveiligheid zwaarder moeten wegen, daarbij mede gelet op de ernst van het bewezen verklaarde feit en de verantwoordelijkheid die juist verdachte als beroepschauffeur in het verkeer draagt. In het verlengde hiervan ziet het hof evenmin aanleiding om - ten behoeve van verdachtes beroepsuitoefening - in plaats van een volledige rijontzegging een geclausuleerde ontzegging op te leggen. Het hof zal aan verdachte daarom een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen van na te melden duur.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij, [slachtoffer], wonende te [woonplaats] (Duitsland) zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat zijn vordering in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn gehele vordering tot schadevergoeding van rechtswege voort in hoger beroep.

De vordering is door of namens verdachte niet weersproken. Nu deze een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en het bedrag het hof niet onrechtmatig voorkomt, kan de vordering derhalve worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 1.600,-.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof zal voornoemd bedrag tevens toewijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c (oud), 22d, 36f (oud), 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van

acht maanden;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van tweehonderdveertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van honderdtwintig dagen zal worden toegepast;

bepaalt dat de tijd die door veroordeelde vóór deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag;

ontzegt aan de veroordeelde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van vijftien maanden;

beveelt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest op de duur van de ontzegging geheel in mindering wordt gebracht;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van duizend zeshonderd euro;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van duizend zeshonderd euro ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van zesentwintig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. L.T. Wemes, voorzitter, mr. S.H. Wachter en mr. A.J. Rietveld, in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel als griffier, zijnde mr. Wachter voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.