Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BI3077

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-05-2009
Datum publicatie
06-05-2009
Zaaknummer
24-002176-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof verklaart bewezen dat verdachte heeft nagelaten aan de instantie die hem een uitkering verstrekte in gevolge de Wet werk en bijstand (volledig) te informeren over de handel in open-haardhout, die hij op commerciële basis voerde, zijn bijverdiensten als stratenmaker en over het feit dat hij een gezamenlijke huishouding voerde met zijn partner.

Ontkennende verdachte. Oplegging van twee weken gevangenisstraf en 140 uur werkstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002176-08

Parketnummer eerste aanleg: 17-618131-07

Arrest van 4 mei 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 1 september 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1960] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres 1],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. W. Spijkstra, advocaat te Beetsterzwaag.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot straffen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte voor het hem ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een werkstraf van 140 uren, subsidiair 70 dagen vervangende hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 24 augustus 2004 tot 22 februari 2007, te [plaats 1], (althans) in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten (artikel 65 van) de Algemene Bijstandswet en/of (artikel 17 van) de Wet werk en bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden, dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet en/of de Wet werk en bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte,

- zijn (volledige) werkzaamheden in de handel in open haard-hout en/of zijn

volledige inkomsten uit de handel in open haard-hout en/of

- zijn stratenmakerswerkzaamheden en/of zijn (volledige) inkomsten uit die

stratenmakerswerkzaamheden en/of

- het samenwonen, althans het voeren van een gezamenlijke huishouding, met

[getuige 1] ((meestal) op het adres de [adres 2] te [plaats 2]),

opzettelijk verzwegen voor (de afdeling Sociale Zaken van) de gemeente [gemeente].

Overwegingen omtrent het bewijs van het ten laste gelegde

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij niet (volledig) heeft voldaan aan zijn verplichting om de afdeling Sociale Zaken van de gemeente [gemeente] inlichtingen te verstrekken over zijn leef- en inkomenssituatie, terwijl hij niet alleen daartoe was gehouden ingevolge de bepalingen van de Wet werk en bijstand maar deze inlichtingen bovendien noodzakelijk waren voor de vaststelling van zijn recht op uitkering in gevolge die wet.

Het hem gemaakte strafrechtelijk verwijt bestaat uit drie onderdelen: het (gedeeltelijk) verzwijgen van de inkomsten die hij genoot uit zijn handel in open-haardhout, het verzwijgen van zijn inkomsten als stratenmaker en het verzwijgen van het feit dat hij een gezamenlijke huishouding voerde met [getuige 1].

Door en namens verdachte is ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep betoogd dat hij geen relevante feiten heeft verzwegen. Hij heeft in de ten laste gelegde periode nagenoeg elke maand € 30,- opgegeven als inkomsten die hij zou genereren uit zijn handel in open-haardhout. Verdachte heeft verklaard dat hij zich hobbymatig met die handel bezighield en er nauwelijks iets aan overhield. Het open-haardhout zou bestemd zijn voor familie en kennissen en gratis aan hen zijn geleverd. Bovendien werden geringe verdiensten vrijwel volledig teniet gedaan door onkosten: de dieselkosten van de tractor, de benzinekosten voor de motorzaag en voor zijn auto en - periodiek - de aanschaf van een nieuwe ketting voor zijn motorzaag.

De inkomsten uit zijn statenmakerswerkzaamheden gaf verdachte weliswaar niet als zodanig op, maar in de zomermaanden lag de houthandel stil en gold de ook in die periodes opgegeven € 30,- globaal als opgave van zijn inkomsten uit die stratenmakersactiviteiten, waarmee hij zich slechts incidenteel zou hebben bezig gehouden.

Voorts stelt verdachte niet te hebben samengewoond met [getuige 1]. Zij hadden weliswaar een - affectieve - relatie en hij bezocht haar regelmatig, doch zij behielden elk hun eigen woning, met alle kosten vandien. Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard in de ten laste gelegde periode éénmaal per week bij [getuige 1] te hebben overnacht.

Het hof overweegt hierover het navolgende.

Uit de stukken komt naar voren dat de houthandel van verdachte omvangrijker is geweest dan hij het hof wil doen voorkomen. Dit kan worden afgeleid uit de verklaringen van omwonenden en (betalende) afnemers en voorts uit het feit dat verdachte adverteerde op internet en in locale en regionale (dag)bladen. Daarnaast blijkt uit het dossier dat de vermelding van verdachte in het telefoonboek luidde: "[verdachte], Openhaardhout". Het hof heeft in dit verband ook gelet op de verklaringen van getuige [getuige 2], die verdachte jarenlang behulpzaam is geweest in de houthandel en daarvoor - in enigerlei mate - door verdachte werd betaald. Zulks wordt bevestigd door de echtgenote van voornoemde getuige. In het dossier bevinden zich tevens foto's van verdachte en [getuige 2], waarop te zien is dat zij doende zijn met hun open-haardhoutwerkzaamheden. Ook uit die foto's komt een meer dan "hobbymatige" omvang naar voren. Het hof is van oordeel dat het ging om werkzaamheden op commerciële basis. Voorts blijkt uit diverse verklaringen, waaronder die van verdachte zelf, dat hij het te verwerken hout om niet kreeg. Zo werden verdachtes diensten ingeschakeld door boeren die houtwallen gekapt wilden hebben en aannemers die op (ver)bouwplaatsen op in de weg staande bomen stuitten.

Daargelaten het feit dat het hof verdachtes verklaringen over zijn geringe inkomsten uit de houthandel ongeloofwaardig acht, was hij - gelet op het feit dat hij een uitkering ontving - gehouden zijn werkzaamheden, onkosten en verdiensten op controleerbare wijze te verantwoorden en wel op een aanzienlijk meer gedegen wijze dan louter de opgave van een vast bedrag van € 30,- aan inkomsten per maand. Aan het feit dat de gemeente [gemeente] wellicht - geheel of gedeeltelijk - op de hoogte was van het bestaan van de houthandel kon verdachte naar het oordeel van het hof niet de verwachting ontlenen dat hij zou zijn vrijgesteld van zijn inlichtingenplicht.

Dat geldt evenzeer voor zijn stratenmakerswerkzaamheden. Voornoemde getuige [getuige 2] verklaart dat zij in de maanden april tot oktober daarmee ongeveer € 300,- per persoon verdienden. Ten overstaan van verbalisanten heeft verdachte verklaard in die maanden ongeveer drie à vier klussen per maand te hebben, waaraan hij jaarlijks € 2.000,- à € 2.500,- overhield.

Voor wat betreft de gezamenlijke huishouding met [getuige 1] houdt het hof verdachte eveneens aan de verklaringen die hij na zijn aanhouding heeft afgelegd. Het hof heeft geen redenen om aan te nemen dat deze verklaringen - zoals verdachte ter terechtzitting van het hof heeft betoogd - niet in vrijheid zijn afgelegd, temeer daar zij volledig worden bevestigd door [getuige 1]. Zij heeft verklaard, zakelijk weergegeven: "Vanaf onze verloving, met kerstmis 2004, leven [verdachte] (verdachte) en ik wel de meeste tijd samen. Overdag hebben we onze eigen drukte, maar 's avonds en 's nachts zijn we bijna altijd samen. Ik kook het eten. We betalen elk voor onze huiselijke kosten. De kosten van levensonderhoud delen we. [verdachte] zijn kleren zijn ook grotendeels bij mij in huis. Ik was ze ook voor hem." Ook verdachte heeft ten overstaan van verbalisanten verklaard: "[getuige 1] en ik leven vanaf begin 2005 samen, de meeste tijd in [plaats 2], op [getuige 1] haar woonplek. 's Avonds en 's nachts zijn we hoofdzakelijk bij elkaar. [getuige 1] kookt voor ons het eten en doet voor mij de was. Ik haal en betaal ook wel eens de dagelijkse boodschappen. Ik wist wel dat ik ons samenwonen op had moeten geven, maar we hadden ook beiden nog onze eigen woning."

Het hof stelt vast dat de observaties van de Sociale Recherche - voor zover deze konden worden uitgevoerd - de door verdachte en [getuige 1] geschetste gang van zaken bevestigen.

Gelet op het vorenstaande ziet het hof geen aanleiding om het door verdachte ter terechtzitting ingenomen, andersluidende standpunt, noch de door hem geuite twijfel over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] te volgen. Het hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan, voor zover hieronder nader is weergegeven.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

hij in de periode van 24 augustus 2004 tot 22 februari 2007, in Nederland, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten (artikel 17 van) de Wet werk en bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl verdachte wist, dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte,

- zijn volledige werkzaamheden in de handel in open-haardhout en zijn volledige inkomsten uit

de handel in open-haardhout en

- zijn stratenmakerswerkzaamheden en zijn volledige inkomsten uit die stratenmakers-

werkzaamheden en

- het voeren van een gezamenlijke huishouding, met [getuige 1] (meestal) op het adres

de [adres 2] te [plaats 2],

opzettelijk verzwegen voor (de afdeling Sociale Zaken van) de gemeente [gemeente];

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

in strijd met een hem bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl dat feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de in hoger beroep op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft gedurende een periode van twee-en-een-half jaar opzettelijk nagelaten om de afdeling Sociale Zaken van de gemeente [gemeente], waarvan hij een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand ontving, in te lichten over zijn bijverdiensten en zijn woonsituatie. Waaruit deze nalatigheid bestond is hiervoor nader geëxpliciteerd in de overwegingen omtrent het bewijs van het ten laste gelegde. Verdachte heeft door zijn handelwijze een oneigenlijk gebruik gemaakt van een uit de algemene middelen gefinancierde voorziening die enkel een vangnet beoogt te zijn voor diegenen die niet in het eigen levensonderhoud kunnen voorzien.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 9 februari 2009, waaruit naar voren komt dat verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, zij het niet voor soortgelijke delicten.

Het vorenstaande in aanmerking nemende acht het hof de door de politierechter in eerste aanleg opgelegde en door de advocaat-generaal in hoger beroep gevorderde strafafdoening - een voorwaardelijke gevangenisstraf en daarnaast een werkstraf van na te melden duur - passend en geboden. Ten aanzien van de op te leggen voorwaardelijke vrijheidsstraf overweegt het hof dat het gegeven dat verdachte - blijkens de verklaringen die hij ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft afgelegd - niet doordrongen is gebleken van het strafwaardige van zijn gedragingen een zeker recidiverisico met zich brengt. De waarschuwende werking van een dergelijke straf beoogt verdachte van herhaling te weerhouden.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a (oud), 14a, 14b(oud), 14b, 14c, 22c (oud), 22d, 57 (oud) en 227b van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van twee weken;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderdveertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van zeventig dagen zal worden toegepast.

Dit arrest is gewezen door mr. L.T. Wemes, voorzitter, mr. S.H. Wachter en mr. A.J. Rietveld, in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel als griffier, zijnde mr. Wachter voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.