Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BI2907

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-05-2009
Datum publicatie
04-05-2009
Zaaknummer
24-002577-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht het onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet bewezen. Het wettig bewijs voor het overhalen van de trekker van het pistool - essentieel om tot een bewezenverklaring te komen - ontbreekt. Verdachte wordt veroordeeld voor de onder 1 subsidiair ten laste gelegde bedreiging en het onder 2 en 3 ten laste gelegde munitie- en wapenbezit, tot jeugddetentie voor de duur van 256 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en voorts reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002577-07

Parketnummer eerste aanleg: 17-682020-07

Arrest van 4 mei 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 16 oktober 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1990] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. B. Klunder, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 20 januari 2009 en 21 april 2009, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van 78 dagen met aftrek van voorarrest en tot een jeugddetentie voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, en voorts reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 april 2007 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente],

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet een (geladen) pistool, althans een vuurwapen, (vanaf korte afstand) heeft gericht op de keel/hals en/of op het hoofd van die [slachtoffer], in elk geval (telkens) gericht op het lichaam van die [slachtoffer] en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, de trekker van dat pistool/vuurwapen heeft overgehaald, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 19 april 2007 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een (geladen) pistool, althans een vuurwapen, (vanaf korte afstand) gericht op de keel/nek en/of op het hoofd van die [slachtoffer], althans (telkens) gericht op het lichaam van die [slachtoffer] en/of (daaraan voorafgaand/daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "jij gaat met [bijnaam] om, daarom pop ik jullie allebei" en/of, zakelijk weergegeven, dat hij die [slachtoffer] zou vermoorden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, in elk geval opzettelijk dreigend zichtbaar voor die [slachtoffer] een (geladen) pistool, althans een vuurwapen, in zijn hand(en) heeft gehouden;

2.

hij op of omstreeks 19 april 2007 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], een vuurwapen van categorie III (onder 1), te weten een omgebouwd alarm- of startpistool, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 19 april 2007 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], munitie van categorie III, te weten twee scherpe patronen, kaliber 6.35 mm, (en aldus/althans geschikt voor het vuurwapen [omgebouwde alarm- of startpistool] zoals hiervoor genoemd onder 2.), voorhanden heeft gehad.

Vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Met de advocaat generaal en de raadsvrouw komt het hof echter tot een vrijspraak voor dit deel van de tenlastelegging, aangezien het wettig en overtuigend bewijs ervoor ontbreekt.

Het hof overweegt daartoe als volgt. Verdachte heeft de hem onder 1 primair ten laste

gelegde poging tot doodslag in alle stadia van het onderzoek ontkend. Aangever [slachtoffer] daarentegen heeft in zijn aangifte bij de politie verklaard dat verdachte tijdens een vechtpartij tussen hen beiden - waarbij [slachtoffer] op zijn rug op de grond lag en verdachte boven op hem lag - een pistool op zijn keel en hoofd heeft gericht. Voorts heeft [slachtoffer] verklaard dat verdachte daarbij twee keer de trekker van het pistool heeft overgehaald en dat hij dientengevolge twee keer een klik heeft gehoord.

De ooggetuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben bij de politie verklaard dat verdachte tijdens de vechtpartij [slachtoffer] met een pistool heeft bedreigd, maar geen enkele getuige heeft de verklaring van [slachtoffer] bevestigd dat verdachte ook daadwerkelijk de trekker van het pistool heeft overgehaald.

Op 27 april 2009 heeft het hof [slachtoffer] als getuige ter zitting gehoord. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij zich het gevecht niet meer herinnerde. Hij heeft het hele voorval naar eigen zeggen geblokt. Wel wist [slachtoffer] nog dat hij het pistool mee de school had ingenomen.

Het hof is van oordeel dat uit vorenstaande heeft te volgen dat het wettig bewijs ontbreekt nu de politieverklaring van [slachtoffer] niet door een ander bewijsmiddel wordt ondersteund, terwijl het overhalen van de trekker van het pistool als essentieel moet worden aangemerkt om tot een bewezenverklaring van de poging tot doodslag te kunnen komen.

Bewezenverklaring

Het hof acht het ten laste gelegde bewezen, met dien verstande, dat:

1.

subsidiair:

hij op 19 april 2007 te [plaats], [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een geladen pistool, vanaf korte afstand gericht op de keel en op het hoofd van die [slachtoffer], en daaraan voorafgaand deze dreigend de woorden toegevoegd: "jij gaat met [bijnaam] om, daarom pop ik jullie allebei";

2.

hij op 19 april 2007 te [plaats], een vuurwapen van categorie III onder 1, te weten een omgebouwd alarmpistool, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op 19 april 2007 te [plaats], munitie van categorie III, te weten twee scherpe patronen, kaliber 6.35 mm, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

1. subsidiair:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

2.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

3.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot munitie van categorie III.

Strafbaarheid

Omtrent verdachte zijn door dr. H.K. Meijer, psycholoog, en dr. C.J.F. Kemperman, psychiater, respectievelijk op 14 augustus 2007 en 22 augustus 2007 rapporten uitgebracht. Die rapporten houden als conclusie in - zakelijk weergegeven - dat het ten laste gelegde verdachte respectievelijk in enigszins en in verminderde mate kan worden toegerekend.

Het hof verenigt zich met voormelde conclusies en maakt die in zoverre tot de zijne dat het hof verdachte voor het bewezen verklaarde als verminderd toerekeningsvatbaar zal aanmerken.

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zowel bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht als aan wapenbezit. Ten laste van hem is bewezen verklaard dat hij op 19 april 2007 [slachtoffer] heeft bedreigd met zijn geladen, doch niet doorgeladen pistool.

De genoemde bedreiging heeft rond het middaguur plaatsgevonden op het plein van een school te [plaats]. Door in aanwezigheid van leerlingen, die [slachtoffer] te bedreigen, heeft verdachte niet alleen die [slachtoffer] ernstig in zijn gevoel voor veiligheid aangetast, maar ook het veiligheidsgevoel van ooggetuigen ernstig aangetast. De bedreiging heeft (aanvankelijk) tevens grote gevolgen gehad voor [slachtoffer], voor wat betreft zijn psychische gesteldheid.

Het hof is van oordeel dat de ernst van de feiten in beginsel een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf rechtvaardigt.

Uit het verdachte betreffende uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 9 februari 2009 blijkt, dat verdachte eerder ter zake een geweldsdelict is veroordeeld. Voorts heeft de raadsvrouw ter zitting van het hof medegedeeld dat verdachte voor het in het bezit hebben van een vuurwapen, gepleegd op 7 augustus 2008, op 2 april 2009 onherroepelijk is veroordeeld.

Het hof houdt rekening met de volgende persoonlijke omstandigheden.

Ter terechtzitting van het hof heeft [reclasseringswerker], reclasseringswerker bij de Reclassering Nederland, betoogd dat de kans op recidive - door schietincidenten die binnen de Antilliaanse gemeenschap te [plaats] hebben plaatsgevonden - voor verdachte levensgroot is als hij in [plaats] blijft wonen. Om recidive te voorkomen is het noodzakelijk dat verdachte uit [plaats] verhuist, aldus de reclasseringswerker. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij niet langer in [plaats] wil wonen en bezig is te verhuizen.

Het hof zal gelet op het voorgaande naast een onvoorwaardelijke jeugddetentie, tevens een voorwaardelijke jeugddetentie opleggen om te trachten verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw aan een (soortgelijk) strafbaar feit schuldig te maken. Het hof zal verdachte als bijzondere voorwaarde bij de voorwaardelijke straf, hulp en steun van Reclassering Nederland opleggen om hem te begeleiden en te helpen om een leven elders in Nederland op te bouwen.

Het bewezen verklaarde feit kan verdachte in verminderde mate worden toegerekend.

Op grond van het vorenstaande, in samenhang beschouwd, zal het hof verdachte veroordelen tot een deels voorwaardelijke jeugddetentie, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 63, 77a, 77g (oud), 77i, 77x (oud), 77y (oud), 77z (oud), 77aa en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde;

verklaart het verdachte onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot jeugddetentie voor de duur van tweehonderdzesenvijftig dagen;

bepaalt, dat een gedeelte van deze straf, groot honderdtachtig dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van die instelling;

draagt genoemde instelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

bepaalt dat dit toezicht door genoemde instelling reeds tijdens de proeftijd kan worden beëindigd;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de ten uitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. L.T. Wemes, voorzitter, mr. H.J. Deuring en

mr. W. Foppen, in tegenwoordigheid van A.L.H. Wilkens als griffier, zijnde

mr. Wemes en mr. Foppen voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.