Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BI2741

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
29-04-2009
Zaaknummer
24-000200-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken ter zake van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 en ter zake van overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot een geldboete van € 750,-, subsidiair te vervangen door 15 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000200-08

Parketnummer eerste aanleg: 17-757107-07

Arrest van 29 april 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 22 januari 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1944] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. B. Korvemaker, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een geldboete van € 900,-, subsidiair te vervangen door 18 dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

verdachte op of omstreeks 1 mei 2007, onder of nabij [ 1plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], als verkeersdeelnemer, te weten, als bestuurder van een vierwielig motorrijtuig (een personenauto) daarmee heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straat], komende uit de richting van [plaats 2] en gaande in de richting van [plaats 3], zich zodanig heeft gedragen dat een aanzijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, doordat verdachte roekeloos, althans zeer, in elk geval aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettende en/of onachtzaam is geweest, aangezien verdachte met het door hem bestuurde motorrijtuig in of rijdende door een - gezien zijn rijrichting - flauwe naar rechts voerende bocht, niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, doch in plaats van op normale wijze de rijbaan van die weg te blijven volgen met het door hem bestuurde motorrijtuig geheel of gedeeltelijk is uitgekomen of terechtgekomen op het weggedeelte bestemd voor het hem over die weg tegemoetkomende verkeer, waarbij of waarna verdachte met het door hem bestuurde motorrijtuig is aangereden of (op)gebotst tegen (de linkerzijde van) een hem over die weg tegemoetkomend ander motorrijtuig (een bedrijfs-/bestelauto van het merk Ford, type Transit), althans (de linkerzijde van) een hem over die weg tegemoetkomend ander motorrijtuig (die bedrijfs-/bestelauto) heeft geschampt, en/of (vervolgens) (nagenoeg) frontaal is aangereden of (op)gebotst tegen een achter dat motorrijtuig (die bedrijfs-/bestelauto) rijdend vierwielig motorrijtuig (een personenauto, van het merk Opel, type Corsa), waardoor, althans mede waardoor, de bestuurster van die personenauto [slachtoffer] geheten, zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) een gebroken linker sleutelbeen en/of een gebroken rechter voorvoet, werd toegebracht, althans zodanig (zwaar) lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

verdachte op of omstreeks 1 mei 2007, onder of nabij [ 1plaats], althans in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een vierwielig motorrijtuig (een personenauto) daarmee heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straat], komende uit de richting van [plaats 2] en gaande in de richting [plaats 3], en toen met het door hem bestuurde motorrijtuig in of rijdende door een - gezien zijn rijrichting - flauwe naar rechts voerende bocht, niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, doch in plaats van op normale wijze de rijbaan van die weg te blijven volgen met het door hem bestuurde motorrijtuig geheel of gedeeltelijk is uitgekomen of terechtgekomen op het weggedeelte bestemd voor het hem over die weg tegemoetkomende verkeer, waarbij of waarna verdachte met het door hem bestuurde motorrijtuig is aangereden of (op)gebotst tegen (de linkerzijde van) een hem over die weg tegemoetkomende bedrijfs-/bestelauto (van het merk Ford, type Transit), althans (de linkerzijde van) een hem over die weg tegemoetkomend bedrijfs-/bestelauto heeft geschampt, en/of (vervolgens) (nagenoeg) frontaal is aangereden of (op)gebotst tegen een achter die die bedrijfs-/bestelauto rijdende personenauto (van het merk Opel, type Corsa), waarbij letsel aan (een) perso(o)n(en), te weten (in ieder geval) de bestuurster van laatstgenoemde personenauto, [slachtoffer] geheten, is toegebracht en/of schade aan (een) goed(eren) is ontstaan, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op de weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, of het verkeer op de weg werd gehinderd.

Vrijspraak

Met betrekking tot het primair ten laste gelegde overweegt het hof het volgende. Om ter zake van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 tot een veroordeling te komen is vereist dat verdachte zich roekeloos, of in elk geval zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen. Uit het dossier kan worden afgeleid dat de verdachte zonder duidelijk aanwijsbare oorzaak op enig moment met zijn auto op de - vanuit zijn rijrichting bezien - linkerrijbaan terecht is gekomen waardoor hij tegen twee hem tegemoetkomende voertuigen is gebotst.

Omtrent de oorzaak hiervan is niets met zekerheid vastgesteld, maar de meest waarschijnlijke verklaring is dat verdachte achter het stuur in slaap is gevallen.

Verdachte heeft daaromtrent aangegeven dat hij zich die dag wel wat vermoeid voelde, maar niet zodanig dat hij meende af te moeten zien van het deelnemen aan het verkeer. Voorts heeft verdachte verklaard zich in het verleden wel eens eerder niet goed te hebben gevoeld en dat hij de auto dan aan de kant zette. Als hij dat gevoel op het moment van het onderhavige geval had gehad, had hij de auto dan ook aan de kant gezet.

Nu van een bestuurder verwacht mag worden dat hij slechts dan aan het verkeer deelneemt als hij voldoende fit is, kan verdachte wel enig verwijt worden gemaakt dat hij is blijven rijden, maar naar het oordeel van het hof is de mate van dat verwijt in het onderhavige geval niet zodanig dat zulks tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde misdrijf kan leiden.

Wel is het hof van oordeel dat de mate van verwijt voldoende is om tot een bewezenverklaring te komen van de subsidiair ten laste gelegde overtreding.

Bewezenverklaring

Het hof acht ten aanzien van verdachte bewezen dat:

verdachte op 1 mei 2007, in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een vierwielig motorrijtuig (een personenauto) daarmee heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straat], komende uit de richting van [plaats 2] en gaande in de richting [plaats 3], en toen met het door hem bestuurde motorrijtuig in of rijdende door een - gezien zijn rijrichting - flauwe naar rechts voerende bocht, niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, doch in plaats van op normale wijze de rijbaan van die weg te blijven volgen met het door hem bestuurde motorrijtuig geheel of gedeeltelijk is uitgekomen op het weggedeelte bestemd voor het hem over die weg tegemoetkomende verkeer, waarbij of waarna verdachte met het door hem bestuurde motorrijtuig is gebotst tegen de linkerzijde van een hem over die weg tegemoetkomende bedrijfs-/bestelauto (van het merk Ford, type Transit) en vervolgens (nagenoeg) frontaal is gebotst tegen een achter die bedrijfs-/bestelauto rijdende personenauto (van het merk Opel, type Corsa), waarbij letsel aan een persoon, te weten de bestuurster van laatstgenoemde personenauto, [slachtoffer] geheten, is toegebracht en schade aan goederen is ontstaan, door welke gedraging van verdachte gevaar op de weg werd veroorzaakt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de overtreding:

subsidiair: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dat is begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte is met zijn auto op de verkeerde weghelft terecht gekomen, waardoor hij tegen een tweetal tegenliggers is gebotst. De bestuurster van één van deze twee voertuigen is hierdoor gewond geraakt en beide voertuigen zijn ernstig beschadigd. Door aldus te handelen heeft verdachte de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met een verdachte betreffend Uittreksel uit de Justitiële Documentatiedienst d.d. 26 januari 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake enig strafbaar feit.

Het hof acht een bestraffing in de vorm van een geldboete van na te melden hoogte passend, waarbij het hof rekening heeft gehouden met verdachtes financiële draagkracht, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Voorts zal het hof een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van na te noemen duur op leggen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 (oud), 24 (oud) en 24c (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 (oud) en 179 (oud) van de Wegenverkeerswet 1994.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte subsidiair ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van zevenhonderdvijftig euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

ontzegt aan de veroordeelde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van drie maanden;

beveelt, dat de bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

Dit arrest is aldus gewezen door mr. J. Hielkema, voorzitter, mr. O. Anjewierden en mr. J.F. Aalders, in tegenwoordigheid van mr. M. Koster als griffier, zijnde mr. Aalders voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.