Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BI2615

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
24-04-2009
Datum publicatie
29-04-2009
Zaaknummer
BK 49/08 OZB
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is van mening dat de opgelegde aanslagen niet passen in de afspraken die destijds tussen belanghebbende en de gemeente Y zijn gemaakt in het kader van de verhuizing in 1999 van L naar K.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/973
FutD 2009-0963
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

kenmerk: 08/00049 en 08/00050

uitspraakdatum: 24 april 2009

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, gevestigd te Z, belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaken met de nummers AWB 07/302 en 07/303 van de rechtbank Groningen van 24 januari 2008 in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Y,

de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Belanghebbende heeft ter zake van het perceel a-straat te Z een aanslag in de onroerende-zaakbelasting (gebruikersbelasting) voor het jaar 2003 (dagtekening 31 augustus 2005) en een aanslag in de onroerende-zaakbelasting (gebruikersbelasting) voor het jaar 2004 (dagtekening 30 april 2005) ontvangen.

1.2 Bij uitspraken van 10 mei 2006 heeft de heffingsambtenaar de tijdig ingediende bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.3 Bij uitspraak van 24 januari 2008, verzonden op 25 januari 2008, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) de daartegen door belanghebbende ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Aldaar is geprocedeerd zoals weergegeven in de uitspraak van de rechtbank.

1.4 Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld. Het beroepschrift (met bijlage) is op 29 februari 2008 ingekomen. De heffingsambtenaar heeft op 6 juni 2008 een verweerschrift in hoger beroep (met bijlagen) ingediend. Op 4 maart 2009 is van de zijde van belanghebbende nog een fax ingekomen.

1.5 De eerste meervoudige kamer van het hof heeft de zaak behandeld ter zitting van 9 maart 2009. Ter zitting is verschenen A als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door de heer B, (penningmeester), mevrouw C (voorzitter D), de heer E (oud-voorzitter van D) en mevrouw F (secretaris G). Namens de heffingsambtenaar is verschenen mevrouw H, bijgestaan door de heer I en J.

1.6 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast.

2.1 Belanghebbende is gebruiker van de onroerende zaak, gelegen in K te Z, bestaande uit een clubgebouw met kleedkamers (485 m²), een kantine (448 m²), infrastructuur (470 m²) en grond (1150 m²).

2.2 In 1999 is belanghebbende (samen met andere verenigingen) verhuisd van L naar K.

3. Het geschil en de standpunten van partijen in hoger beroep

3.1 Belanghebbende is van mening dat de opgelegde aanslagen niet passen in de afspraken die destijds tussen belanghebbende en de gemeente Y zijn gemaakt in het kader van de verhuizing in 1999 van L naar K. Volgens belanghebbende is in het kader van deze afspraken door de gemeente Y aan belanghebbende en de overige gebruikers van K uitdrukkelijk de toezegging gedaan dat deze niet gepaard zou gaan met kostenstijgingen voor de diverse verenigingen die dienden te verhuizen. De ongeclausuleerde toezegging dat vanaf 1999 geen verhoogde aanslagen zouden worden opgelegd is volgens belanghebbende bevoegd gedaan door de heer M van de gemeente Y, die als zodanig was belast met de verhuizing naar K. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot het opdragen aan de heffingsambtenaar een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak van het hof.

3.2 De heffingsambtenaar stelt dat niet aan belanghebbende is toegezegd dat er na de verhuizing geen verhoging van het gebruikersdeel van de onroerende zaakbelasting zou plaatsvinden. Voorts ontkent de heffingsambtenaar dat de heer M de door belanghebbende gestelde toezegging heeft gedaan. Voor zover dat toch zo zou zijn stelt de heffingsambtenaar dat de heer M daartoe niet bevoegd was. De heffingsambtenaar is van opvatting dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond moet worden verklaard.

3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil in hoger beroep

4.1 Uit de aan het verweerschrift in hoger beroep gehechte notulen blijkt niet dat is toegezegd dat er na de verhuizing in 1999 geen verhoogde aanslagen onroerende-zaakbelasting aan belanghebbende zouden worden opgelegd. Uit die notulen blijkt wel dat de "WOZ-premie" onderwerp van gesprek is geweest, maar de door belanghebbende gestelde toezegging wordt in die notulen door de heer M juist uitdrukkelijk ontkend.

4.2 Op grond van de diverse verklaringen die ter zitting zijn afgelegd van de kant van belanghebbende kan het hof, gelet op de tegenspraak van de zijde van de heffingsambtenaar, evenmin concluderen dat door de heer M of anderen namens de gemeente Y aan belanghebbende toezeggingen zijn gedaan met betrekking tot het beperken of niet opleggen van de aanslagen onroerende-zaakbelasting. Deze toezegging kan -naar het oordeel van het hof- niet worden afgeleid uit de mededeling van de gemeente dat de verhuizing niet met een kostenverhoging gepaard zou gaan. Deze mededeling is immers, gelet op de veelheid aan kosten bij een verhuizing, te algemeen van aard en daarnaast duidelijk in strijd met de inhoud van de hiervoor genoemde notulen. Belanghebbende heeft in dit verband slechts tegengeworpen dat het uitgangspunt voor de verhuizing steeds is geweest 'nieuw voor oud'. Het hof acht dit onvoldoende om tot een ander oordeel te komen en sluit zich aan bij het onder 4.6 gegeven oordeel van de rechtbank.

4.3 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof

verklaart het hoger beroep ongegrond en

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld op 24 april 2009 door mr. G.M. van der Meer, raadsheer en voorzitter, mr. J. Huiskes, raadsheer, en mr. dr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, raadsheer, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. Braaksma en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen op 29 april 2009

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.