Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BI2478

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-04-2009
Datum publicatie
28-04-2009
Zaaknummer
24-002505-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor overtreding van de artikelen 3, onder B en C van de Opiumwet en een mishandeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 5 weken en een werkstraf van 120 uren. Toewijzing vordering tenuitvoerlegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002505-08

Parketnummer eerste aanleg: 17-880118-08 en 17-081138-04 (tul)

Arrest van 28 april 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 10 oktober 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1974] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot straffen en op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal vrijspreken van het ten laste gelegde onder 2 primair, bewezen zal verklaren hetgeen ten laste is gelegd onder 1, 2 subsidiair en 3 en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 weken, met aftrek van voorarrest, waarvan 5 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal dienen te gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften van de reclassering. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één maand zal toewijzen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op verschillende data en/of tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 18 maart 2008, te of bij [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], en/of (elders) in het arrondissement Leeuwarden, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervaardigd en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervoerd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) 4-hydroxyboterzuur (GHB), zijnde 4-hydroxyboterzuur (GHB) (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 2 juli 2008, te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer], met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in elk geval met een voorwerp, in diens wang/kaak, althans in diens gezicht, heeft gestoken/gesneden/geprikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 2 juli 2008, te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in elk geval met een voorwerp, in diens wang/kaak, althans in diens gezicht heeft gestoken/gesneden/geprikt, in elk geval het gezicht van die [slachtoffer] heeft geraakt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 2 juli 2008, te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van 120 milliliter, althans een hoeveelheid 4-hydroxyboterzuur (GHB), zijnde 4-hydroxyboterzuur (GHB) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Vrijspraak

Het hof acht niet bewezen hetgeen onder 2 primair aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 18 maart 2008, te [plaats], in de gemeente [gemeente], meermalen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft vervaardigd en bereid en verkocht en afgeleverd en verstrekt, telkens een hoeveelheid 4-hydroxyboterzuur (GHB), zijnde 4-hydroxyboterzuur (GHB) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2 subsidiair:

hij op 2 juli 2008, te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), met een puntig voorwerp in diens wang heeft geprikt, waardoor deze letsel heeft bekomen;

3.

hij op 2 juli 2008, te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van 120 milliliter 4-hydroxyboterzuur (GHB), zijnde 4-hydroxyboterzuur (GHB) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2 subsidiair en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2 subsidiair: mishandeling;

feit 3: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid

Verdachte is strafbaar. Strafuitsluitingsgronden zijn niet aanwezig.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich in de periode van 1 januari 2008 tot en met 18 maart 2008 schuldig gemaakt aan het medeplegen van het handelen in strijd met artikel 3 onder B van de Opiumwet door GHB te produceren onder andere ten behoeve van de verkoop. Daarnaast heeft verdachte zich op 2 juli 2008 schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet door een hoeveelheid van 120 milliliter GHB aanwezig te hebben.

De strafwaardigheid van deze feiten is gelegen in de ernstige bedreiging die het gebruik van GHB voor de volksgezondheid vormt en de met dit gebruik gepaard gaande criminaliteit.

Op 2 juli 2008 heeft verdachte zich te [plaats] voorts schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer], door deze [slachtoffer] met een puntig voorwerp in de wang te prikken. Door zo te handelen heeft verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat uit een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 23 december 2008 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, waaronder ook geweldsdelicten en een overtreding van de Opiumwet.

De raadsman heeft bepleit aan verdachte een werkstraf en eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen in plaats van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte zal binnenkort beginnen met een behandeling bij de AFPN op vrijwillige basis. Deze behandeling zal bestaan uit 20 sessies. Voorts heeft verdachte recent zijn lasdiploma gehaald en wordt hij geholpen om een baan te vinden. Daarnaast heeft verdachte sinds kort een omgangsregeling met zijn dochter. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal er toe kunnen leiden dat de vorderingen die verdachte maakt om zijn leven op orde te brengen teniet gedaan zullen worden, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dat gelet op de justitiële documentatie van verdachte de vraag rijst of verdachte thans nog in aanmerking behoort te komen voor een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof heeft kennisgenomen van een tweetal voorlichtingsrapporten van Verslavingszorg Noord Nederland d.d. 13 mei 2008 en 2 oktober 2008, waaruit blijkt dat verdachte in het kader van eerder opgelegd reclasseringstoezicht gemotiveerd werkt aan zijn problemen, onder andere door het volgen van een behandeling op vrijwillige basis bij de AFPN voor zijn agressieproblematiek. De verslavingsreclassering heeft meegedeeld verdachte nog een kans te willen bieden om te werken aan zijn problemen, teneinde te voorkomen dat hij (opnieuw) zal recidiveren.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde toezicht door de verslavingsreclassering en een werkstraf van na te melden duur dient te worden opgelegd.

Tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de rechtbank Leeuwarden d.d. 15 september 2005, is veroordeelde veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting van het hof is voormeld vonnis onherroepelijk geworden op 30 september 2005. De proeftijd is ingegaan op 30 september 2005. De officier van justitie heeft op 7 augustus 2008 gevorderd dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van voormelde gevangenisstraf, omdat veroordeelde zich voor het einde van voormelde proeftijd heeft schuldig gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.

Nu gebleken is dat veroordeelde de hiervoor bewezen verklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd, zal het hof op grond van het vorenstaande de vordering tenuitvoerlegging toewijzen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 22c (oud), 22c, 22d, 57 (oud), 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 1, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2 subsidiair en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van vijf weken;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van die instelling;

draagt genoemde instelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

bepaalt dat dit toezicht door genoemde instelling reeds tijdens de proeftijd kan worden beëindigd;

taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderdtwintig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van zestig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van de opgelegde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht;

gelast (in plaats van het geven van een last tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf de veroordeelde voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 15 september 2005) taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van zestig uren met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van dertig dagen zal worden toegepast.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. A.J. Rietveld, voorzitter, mr. S.H. Wachter en mr. W.F. van Zant, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Mulder als griffier, zijnde mr. Van Zant voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.