Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BI1592

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-04-2009
Datum publicatie
20-04-2009
Zaaknummer
24-002918-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tweetal schietpartijen op klaarlichte dag tijdens avondspits in Leeuwarden waarbij (ook) meermalen door auto van toevallige verkeersdeelnemer heen wordt geschoten.

Veroordeling wegens tweemaal medeplegen van poging tot moord en medeplegen van poging tot doodslag.

Bewijsverweer verworpen: Door het schieten door de voorruit, terwijl de bestuurder van die auto op de bestuurdersstoel zat, heeft verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van die persoon gehad.

Kwalificatieverweer (voortgezette handeling in plaats van meerdaadse samenloop) verworpen. De eerste schietpartij eindigde doordat het slachtoffer zich lopend uit de voeten maakte. Verdachte is daarna teruggegaan in de auto van zijn mededader. Besloten werd om (weer) achter het slachtoffer aan te rijden. Vanuit de rijdende auto werd verderop op het terrein van een tankstation nogmaals op het slachtoffer geschoten.

Beroep op noodweer (t.a.v. de poging tot doodslag) en extensief noodweerexces (t.a.v. de tweede poging tot moord) verworpen.

Hof legt, overeenkomstig de eis van de advocaat-generaal, 10 jaren gevangenisstraf op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002918-07

Parketnummer eerste aanleg: 17-880172-07

Arrest van 20 april 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 15 november 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1965] te [geboorteplaats],

verblijvende in PI Noord, gevangenis De Marwei te Leeuwarden,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. V. Senczuk, advocaat te Utrecht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en een maatregel, en heeft voorts op de vordering van de benadeelde partij beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte wegens de onder 1 primair, 2 en 3 primair tenlastegelegde feiten zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, dat het hof de vordering van de benadeelde partij geheel zal toewijzen, en dat het hof een schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van drieduizend driehonderdzevenenzeventig euro en vierennegentig cent, subsidiair zesenveertig dagen hechtenis aan verdachte zal opleggen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 14 mei 2007 te [plaats] (op/nabij de [straat 1]) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, met een pistool, althans een vuurwapen, een of meer kogel(s) heeft/hebben afgevuurd op die [slachtoffer 1] (waarbij die [slachtoffer 1] in de linkerhand werd geraakt) en/of aan die [slachtoffer 1] heeft/hebben toegevoegd de woorden "vandaag ga je dood [slachtoffer 1]" althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 14 mei 2007 te [plaats] (op/nabij de [straat 1]) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een pistool, althans een vuurwapen, meermalen, althans eenmaal een of meer kogel(s) heeft/hebben afgevuurd op die [slachtoffer 1] (waarbij die [slachtoffer 1] in de linkerhand werd geraakt) en/of aan die [slachtoffer 1] heeft/hebben toegevoegd de woorden "vandaag ga je dood [slachtoffer 1]" althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 14 mei 2007 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] (die zich aldaar bevond in een personenauto op de [straat 1]) van het leven te beroven, met dat opzet met een pistool, althans een vuurwapen, meermalen, althans eenmaal een of meer kogel(s) heeft/hebben afgevuurd op de personenauto waarin die [slachtoffer 2] zich bevond, en/of een of meer kogel(s) heeft/hebben afgevuurd door een of meer ruit(en) van de personenauto waarin die [slachtoffer 2] zich bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 14 mei 2007 te [plaats] (op/nabij het terrein van het Shell tankstation aan de [straat 2]) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, in een personenauto achter die [slachtoffer 1] is aangereden en/of met een pistool, althans een vuurwapen (vanuit een personenauto) meermalen, althans eenmaal een of meer kogel(s) heeft/hebben afgevuurd op die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 14 mei 2007 te [plaats] (op/nabij het terrein van het Shell tankstation aan de [straat 2]) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet in een personenauto achter die [slachtoffer 1] is aangereden en/of met een pistool, althans een vuurwapen (vanuit een personenauto) meermalen, althans eenmaal een of meer kogel(s) heeft/hebben afgevuurd op die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Overweging omtrent het bewijs

Namens de verdachte is aangevoerd dat het onder 2 ten laste gelegde feit niet kan worden bewezen omdat verdachtes opzet op de dood van de zich in de auto bevindende [slachtoffer 2] heeft ontbroken.

De advocaat-generaal heeft dit standpunt van de raadsman gemotiveerd bestreden.

Het hof overweegt naar aanleiding van dit verweer als volgt.

Hoewel verdachte ter terechtzitting van het hof heeft verklaard dat hij niet door de voorruit, maar door een van de achterste zijruiten aan de bestuurderszijde (de linkerkant) van de auto van [slachtoffer 2] heen heeft geschoten, staat naar het oordeel van het hof vast dat het verdachte is geweest die door de voorruit van de auto van [slachtoffer 2] heeft geschoten. Niet alleen is het zo dat alle zijruiten aan de bestuurderszijde van de auto (de zijde waar verdachte zich bevond) na de schietpartij nog intact waren, maar eveneens is de richting van het schot door de voorruit - gelet op de vervorming van die gelaagde ruit - van buiten naar binnen en van linksboven naar rechtsonder1. Daar komt bij dat verdachte zich wél, en zijn opponent [slachtoffer 1] zich niét op een zodanige plaats vóór de auto van [slachtoffer 2] heeft bevonden dat deze vanaf de linkerkant van buitenaf door de voorruit kan hebben geschoten.

Door aldus van buitenaf door de voorruit de auto in te schieten, terwijl [slachtoffer 2] zich op de bestuurdersstoel van die auto bevond, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 2] door zijn kogel dodelijk zou worden getroffen. Het hof acht derhalve het (voorwaardelijk) opzet van verdachte op de dood van [slachtoffer 2] bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht het onder 1 primair, 2 en 3 primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1 primair.

hij op 14 mei 2007 te [plaats] op de [straat 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool, kogels heeft afgevuurd op die [slachtoffer 1] waarbij die [slachtoffer 1] in de linkerhand werd geraakt en aan die [slachtoffer 1] heeft toegevoegd de woorden "vandaag ga je dood [slachtoffer 1]" althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 14 mei 2007 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 2] die zich aldaar bevond in een personenauto op de [straat 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een pistool, een kogel heeft afgevuurd op de personenauto waarin die [slachtoffer 2] zich bevond, die door een of meer ruit(en) van de personenauto waarin die [slachtoffer 2] zich bevond is heengegaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3 primair.

hij op 14 mei 2007 te [plaats] op het terrein van het Shell tankstation aan de [straat 2] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, in een personenauto achter die [slachtoffer 1] is aangereden en met een pistool vanuit een personenauto kogels heeft afgevuurd op die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair, 2 en 3 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1 primair en 3 primair telkens:

medeplegen van poging tot moord;

2:

medeplegen van poging tot doodslag.

Kwalificatieverweer

De raadsman van verdachte heeft ter zitting aangevoerd dat ten aanzien van de onder 1 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten sprake is van een voortgezette handeling in de zin van artikel 56, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft het hof verzocht bij de kwalificatie van de bewezen te verklaren feiten rekening te houden met dit artikel en de feiten 1 en 3 in geval van bewezenverklaring te kwalificeren als het eenmalig medeplegen van een poging tot moord.

Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende. Ter zake van de onder 1 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten is naar het oordeel van het hof sprake van twee verschillende feitencomplexen, die het gevolg zijn van twee afzonderlijke wilsbesluiten. De schietpartij op de [straat 1], voor de verkeerslichten bij de kruising met de [straat 2], is beëindigd doordat [slachtoffer 1] te voet vluchtte. Verdachte is toen nog wel enkele passen achter de vluchtende [slachtoffer 1] aangelopen, maar al snel liep hij terug naar de auto van zijn mededader ([mededader], hierna: [mededader]). Eenmaal in die auto besloten verdachte en [mededader] (weer) achter [slachtoffer 1] aan te rijden. Zij reden hierop achter [slachtoffer 1] aan, waarbij zij linksaf voormelde kruising opreden. Vervolgens hebben zij besloten de [straat 2] te verlaten door naar rechts te sturen en het terrein van een naast deze weg gelegen tankstation op te rijden, alwaar [slachtoffer 1] zich inmiddels bevond. Op dat terrein heeft verdachte vanuit de auto een drietal schoten in de richting van [slachtoffer 1] afgevuurd. Tegen deze achtergrond is naar het oordeel van het hof sprake van meerdaadse samenloop. Het verweer wordt op grond van het voorgaande verworpen.

Strafbaarheid

Namens verdachte is ter terechtzitting van het hof ter zake van het onder 2 ten laste gelegde een beroep gedaan op noodweer. De raadsman heeft hiertoe - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat verdachte zich in een ernstige noodsituatie bevond door de opgelopen schotverwondingen en het feit dat hij zich midden in een niet door hem gewilde schietpartij bevond waaraan hij zich op dat moment niet kon onttrekken. Voor zover het hof mocht oordelen dat hij de grenzen van proportionaliteit heeft overschreden doordat hij door een auto heen heeft geschoten waar zich iemand in bevond, voert verdachte aan dat hij zich door het schieten door de auto heen tegen de op hem schietende [slachtoffer 1] kon verweren. Gelet op de hevige gemoedstoestand waarin hij verkeerde kon, volgens verdachte, op dat moment niet van hem verwacht worden dat hij alle belangen adequaat kon afwegen en dat hij door te wikken en wegen kon kiezen zijn verdediging zo te voeren dat hij enkel over of langs de auto schoot.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Op grond van het bepaalde in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht is niet strafbaar hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of anders lijf, eerbaarheid, of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Uit de inhoud van het dossier en de behandeling ter zitting is gebleken dat verdachte, voorafgaande aan het onder 2 bewezenverklaarde feit, met een vooropgezet plan om [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met een getrokken pistool (dat was geladen) op die [slachtoffer 1] is toegelopen. Verdachte wist dat [slachtoffer 1] over een vuurwapen beschikte. Met betrekking tot deze door verdachte en medeverdachte [mededader] zelf uitgelokte schietpartij, temidden waarvan het onder 2 bewezenverklaarde feit zich heeft afgespeeld, komt naar het oordeel van het hof aan verdachte niet een beroep op noodweer toe. Daar komt bij dat, nadat [slachtoffer 1] vanuit zijn auto voor het eerst op verdachte had geschoten en hem daarbij in zijn rechterhand raakte, het voor verdachte goed mogelijk is geweest om zich van de plaats van het delict te verwijderen. In plaats daarvan heeft verdachte ervoor gekozen om de confrontatie met [slachtoffer 1] te blijven zoeken, welke keuze er onder meer toe heeft geleid dat verdachte en [slachtoffer 1] op enig moment ieder aan een kant van de auto van [slachtoffer 2] hebben gestaan en door die auto heen op elkaar hebben geschoten.

Het hof verwerpt daarom het beroep op noodweer.

Omdat naar het oordeel van het hof nimmer sprake is geweest van een noodweer-situatie voor verdachte moet diens beroep op noodweerexces eveneens worden verworpen.

Namens verdachte is ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit een beroep gedaan op extensief noodweerexces. De raadsman heeft daartoe - kort gezegd - aangevoerd dat verdachte kort voor het gebeuren was beschoten en zwaar gewond was geraakt. Hij had pijn en er was sprake van een hevige gemoedsbeweging. [slachtoffer 1] was weliswaar weggelopen, waarbij hij diens wapen op verdachte gericht hield, maar verdachte meende dat zijn leven nog steeds in gevaar was. In de paniektoestand waarin hij zich toen bevond is hij in de auto van zijn mededader gestapt en zijn zij samen achter [slachtoffer 1] aangegaan. Er was, aldus de raadsman, dus sprake van overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging als onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging die werd veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanval door [slachtoffer 1].

Het hof verstaat dit verweer aldus, dat een eerdere noodweersituatie door de omstandigheden van het geval zodanig doorwerkte in de gemoedstoestand van verdachte, dat hem ten aanzien van feit 3 geen verwijt treft.

Het hof overweegt ten aanzien van dit verweer als volgt. Aan verdachte komt ten aanzien van geen van de bewezenverklaarde feiten een beroep op noodweer toe. Met betrekking tot feit 1 primair is daarop door of namens verdachte geen beroep gedaan, en de bewezenverklaring van dat feit staat er ook aan in de weg dat bij dat feit van noodweer sprake kan zijn geweest. Bewezenverklaard is immers - kort gezegd - dat hij met voorbedachten rade en na kalm beraad en rustig overleg heeft getracht [slachtoffer 1] van het leven te beroven.

Ten aanzien van feit 2 heeft het hof hiervoor overwogen dat een beroep van verdachte op noodweer faalt.

Ook ten aanzien van feit 3 heeft te gelden dat, nu naar het oordeel van het hof nimmer sprake is geweest van een noodweer-situatie voor verdachte, diens beroep op noodweerexces eveneens moet worden verworpen.

Het hof verwerpt derhalve het beroep op extensief noodweerexces ten aanzien van feit 3.

Het hof acht verdachte strafbaar nu ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte.

Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een tweetal pogingen tot moord op [slachtoffer 1], alsmede het medeplegen van een poging tot doodslag op [slachtoffer 2].

Verdachte en medeverdachte [mededader] hebben voorafgaand aan deze feiten enkele uren in de auto van [mededader] door [plaats] rondgereden, op zoek naar [slachtoffer 1]. Zij wisten dat [slachtoffer 1] over een vuurwapen beschikte en zij hadden zelf een (geladen) pistool bij zich. [mededader] had dit vuurwapen meegenomen. Kort nadat verdachte bij hem in de auto stapte heeft [mededader] verdachte het pistool getoond. Verdachte en [mededader] bespraken de problemen die zij ieder met [slachtoffer 1] hadden, en hun gezamenlijk doel om [slachtoffer 1] te pakken te nemen. Op enig moment werden zij [slachtoffer 1] gewaar. Zij maakten oogcontact en lieten [slachtoffer 1], die ook in een auto reed, passeren. Daarna zetten zij direct de achtervolging in. Met hoge snelheid reden zij [slachtoffer 1] achterna en verschillende keren trachtten zij hem klem te rijden. Toen dat eenmaal was gelukt, verlieten zij hun auto. Kort voordat verdachte de auto verliet overhandigde [mededader] hem het pistool, dat verdachte bij het verlaten van de auto in zijn hand hield. Hierna is het tot tweemaal toe tot een schietpartij gekomen, waarbij telkens gericht op [slachtoffer 1] werd geschoten. Het eerste treffen vond plaats op de openbare weg temidden van vele voor een rood verkeerslicht wachtende verkeersdeelnemers. Kort daarna is er weer op de weggerende, doch ingehaalde [slachtoffer 1] geschoten op het terrein van een tankstation waar op dat moment - onder meer - door een ander werd getankt.

Deze feiten op zichzelf zijn naar het oordeel van het hof zodanig ernstig, dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur op zijn plaats is.

Hier komt nog bij dat, gedurende het eerste vuurgevecht tussen verdachte en [slachtoffer 1], verdachte er niet voor terugdeinsde om door de ruiten van een auto heen te schieten, terwijl de bestuurder van die auto, [slachtoffer 2], zich nog in die auto bevond, en zij geen kant op kon. Het schot van verdachte is dicht langs het hoofd van [slachtoffer 2] gegaan.

Het hof rekent het verdachte ten slotte bijzonder zwaar aan dat hij en [mededader] hun gewapende confrontatie met [slachtoffer 1] zijn aangegaan aan het einde van een maandagmiddag in de avondspits, op een druk kruispunt in [plaats]. En ook dat zij vervolgens vanuit hun rijdende auto hebben geschoten terwijl zich in hun schootsveld verschillende mensen bevonden. Uit technisch onderzoek is vast komen te staan dat het tankstation twee kogelinslagen heeft opgelopen en dat een achter dat tankstation gestalde auto inslagschade heeft opgelopen. Door aldus te handelen heeft een niet onaanzienlijk aantal mensen concreet gevaar gelopen om geraakt te worden door de door verdachte afgevuurde kogels.

Verdachte en zijn mededader hebben zich door dit risico voor deze onschuldige omstanders niet laten weerhouden.

Door de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder verdachte en [mededader] die feiten hebben gepleegd is de rechtsorde ernstig geschokt. De feiten hebben een omvangrijk gevaarzettend karakter gehad. Daarnaast hebben verdachte en [mededader] slachtoffer [slachtoffer 2] groot leed berokkend, hetgeen zij treffend tot uitdrukking heeft gebracht in haar slachtofferverklaringen en haar ter terechtzitting van het hof voorgelezen verklaring. Zij heeft van hetgeen haar door verdachte en [mededader] is aangedaan nog lange tijd zowel psychisch nadelige gevolgen als fysieke problemen ondervonden.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 11 februari 2009 - eerder is veroordeeld wegens strafbare feiten.

Hetgeen hiervoor is overwogen kan niet tot een ander oordeel leiden dan dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur dient te worden opgelegd. De door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf acht het hof qua duur passend en geboden.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat haar vordering ad € 3.377,94 in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat aan voornoemde benadeelde partij door het onder 2. bewezen verklaarde rechtstreekse schade is toegebracht tot een bedrag van € 3.377,94. Voor zover verdachte deze vordering heeft weersproken verwerpt het hof dit verweer. Met betrekking tot het verweer ten aanzien van het gevorderde eigen risico, en met betrekking tot het verweer ten aanzien van de extra kosten in verband met de noodzaak om een vervangende auto te huren overweegt het hof dat verdachte tegenover de onderbouwde vordering van de benadeelde partij zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Nu de hoogte van het gevorderde bedrag het hof niet onaannemelijk voorkomt, kan de vordering van de benadeelde partij worden toegewezen als na te melden. Een en ander geldt in dier voege dat indien dit bedrag door de mededader geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Aan verdachte zal de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van het toegewezen bedrag ten behoeve van voornoemd slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f (oud), 45, 47, 57 (oud), 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 primair, 2 en 3 primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van tien jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair, 2 en 3 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van drieduizend driehonderdzevenenzeventig euro en vierennegentig cent, met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt

- tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van drieduizend driehonderdzevenenzeventig euro en vierennegentig cent ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van zesenveertig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. B.F. Keulen en mr. W. Foppen, in tegenwoordigheid van

mr. A. Meester als griffier, zijnde mrs. Keulen en Foppen voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.