Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BI1406

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
31-03-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
107.002.519
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap.

Waarde van een woning en daarover in het verleden gemaakte afspraken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2009, 55
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 31 maart 2009

Zaaknummer 107.002.519

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. P.R. van den Elst, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats geïntimeerde],

geïntimeerde in het principaal en appellante in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

toevoeging aangevraagd,

advocaat: mr. G. Machiels, kantoorhoudende te Drachten.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 13 juni 2007 en 12 december 2007 door de rechtbank Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 11 maart 2008 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 12 december 2007 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 26 maart 2008.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep, tevens houdende één grief, luidt:

"1. Te vernietigen het vonnis waarvan hoger beroep.

2. Alsnog te bepalen dat het bedrag wegens overbedeling van € 16.780,87, tot betaling waarvan [appellant] veroordeeld werd, verminderd dient te worden met het ten laste van [geïntimeerde] komende maar door [appellant] betaalde bedrag van € 3.949,00 tot € 12.831,87.

3. [geïntimeerde] er toe te veroordelen om al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis teveel aan [geïntimeerde] heeft voldaan aan [appellant] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van de terugbetaling.

4. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van dit hoger beroep.

Een en ander, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"het vonnis van de rechtbank te Groningen d.d. 12 december 2007 te vernietigen, onder toewijzing van de grieven zoals door [appellant] en [geïntimeerde] ingesteld en te bepalen dat [appellant] alsnog wordt veroordeeld tot een vergoeding wegens overbedeling aan [geïntimeerde] nader te bepalen nadat de woning is getaxeerd met als peildatum de datum van de dagvaarding in eerste aanleg, waarna onder verrekening van de overige bedragen zoals genoemd in het vonnis van de rechtbank van 12 december 2007 en onder verrekening van het bedrag ad € 3.949,-- het bedrag kan worden vastgesteld, hetgeen [appellant] wegens de overbedeling aan [geïntimeerde] verschuldigd is, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure in eerste aanleg, alsmede de kosten in het onderhavige appèl."

Door [appellant] is in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

"Tot afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] in incidenteel appèl, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appèl."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft in het principaal appel één grief opgeworpen.

[geïntimeerde] heeft in het incidenteel appel één grief opgeworpen.

De beoordeling

In het principaal en het incidenteel appel.

De vaststaande feiten.

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2.1. tot en met 2.4. van genoemd vonnis van 12 december 2007 is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

2. Gelet op het voorgaande en op hetgeen overigens in hoger beroep als niet dan wel onvoldoende bestreden, is komen vast te staan, zal het hof uitgaan van de volgende vaststaande feiten en omstandigheden.

2.1. Partijen zijn op 6 juli 1990 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.

Zij hebben in 1998 de samenleving beëindigd.

2.2. Het huwelijk van partijen is op 14 juni 2000 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 22 februari 2000 in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

2.3. Tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoort onder meer de woning aan de [adres] (hierna: de woning). De restschuld van de bij de woning horende hypothecaire geldleningen bedraagt € 57.856,98.

2.4. De woning is op 12 februari 1998 in opdracht van [appellant] getaxeerd door makelaar [makelaar]. Deze heeft de vrije verkoopwaarde van de woning bepaald op ƒ 165.000,--.

Bij brief van 29 september 1999 heeft de toenmalige advocaat van [geïntimeerde] aan de advocaat van [appellant] verzocht een taxatierapport van recentere datum over te leggen. Bij brief van 2 november 1999 heeft de advocaat van [appellant] aan de toenmalige advocaat van [geïntimeerde] een taxatierapport van 15 oktober 1999 doen toekomen en laatstgenoemde heeft daarop bij brief van 22 november 1999 laten weten dat de waarde van ƒ 185.000,-- door [geïntimeerde] is geaccepteerd.

2.5. Na de ontbinding van het huwelijk heeft [geïntimeerde] niets meer betaald voor of aan de woning.

2.6 Partijen zijn het er over eens dat, zoals de rechtbank heeft beslist, de hiervoor onder 2.3 genoemde woning wordt toegedeeld aan [appellant].

In het principaal appel

3. [appellant] stelt in zijn grief dat de rechtbank bij het berekenen van het overbedelingsbedrag van € 16.780,87 ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten het bedrag van € 3.949,-- dat door [appellant] is betaald, maar als schuld geheel ten laste van [geïntimeerde] kwam.

4. [geïntimeerde] erkent het door [appellant] gestelde, zodat de grief slaagt.

In het incidenteel appel

5. [geïntimeerde] stelt in haar grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit wat partijen zijn overeengekomen en uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat bij de waardebepaling van de woning min of meer moet worden aangesloten bij de datum van echtscheiding en de woning aldus moet worden gewaardeerd op

ƒ 185.000,--.

6. [geïntimeerde] voert daartoe onder meer aan dat - anders dan de rechtbank heeft

overwogen - uit de overgelegde correspondentie niet blijkt dat partijen indertijd overeenstemming over de aan de woning toe te kennen waarde hebben bereikt.

[geïntimeerde] acht het voorts in strijd met de redelijkheid en billijkheid wanneer voor de waardebepaling thans, na verloop van vele jaren, nog wordt aangesloten bij de waarde die de woning ten tijde van de ontbinding van het huwelijk bezat.

7. [appellant] bestrijdt de stellingen van [geïntimeerde]. Hij is onder meer van mening dat partijen in 1999 overeenstemming hebben bereikt over de aan de woning toe te kennen waarde van ƒ 185.000,--.

8. Het hof leest - met betrekking tot de vraag of tussen partijen afspraken zijn gemaakt over de in de verdeling te betrekken waarde van de woning - in de grief en in de daarop gegeven toelichting geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank gemotiveerd zijn verworpen. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank ter motivering van haar beslissing in rechtsoverweging 4.3. van het vonnis van 12 december 2007 heeft overwogen en neemt die motivering over. Ter toelichting voegt het hof daar nog aan toe dat uit de hiervoor weergegeven correspondentie blijkt dat [appellant] op verzoek van [geïntimeerde] de woning opnieuw heeft laten taxeren en dat [geïntimeerde] het daarvan op 15 oktober 1999 opgemaakte rapport heeft ontvangen. Voorts blijkt uit de brief van 22 november 1999 dat [geïntimeerde] de in bedoeld rapport aan de woning toegekende waarde van ƒ 185.000,-- heeft geaccepteerd. Op grond daarvan is het hof, anders dan [geïntimeerde] ingang wil doen vinden, van oordeel dat [appellant], door toezending van het taxatierapport aan [geïntimeerde], het aanbod heeft gedaan om in het kader van de verdeling van de in dat rapport genoemde waarde van de woning uit te gaan en dat [geïntimeerde] dat aanbod heeft aanvaard. Daardoor is een overeenkomst tot stand gekomen.

Naar het oordeel van het hof is [geïntimeerde], ook beoordeeld naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, thans nog aan deze overeenkomst gebonden en kan hetgeen zij op dat punt heeft aangevoerd niet tot een ander oordeel leiden.

9. Het hof is, met [geïntimeerde], van oordeel dat het - gelet op het tijdsverloop tussen de datum van 14 juni 2000, waarop het huwelijk is ontbonden, en de datum van 12 december 2007, waarop het bestreden vonnis is gewezen - in strijd is met de redelijkheid en billijkheid wanneer zij thans genoegen zou moeten nemen met alleen na te noemen bedrag aan overwaarde.

Het hof overweegt daartoe dat [appellant] tot het bestreden vonnis is gewezen het aandeel van [geïntimeerde] in de overwaarde (en haar aandeel in enige andere vermogensbestanddelen) onder zich heeft gehouden, zulks afgezien van het voornoemde bedrag van € 3.949,--. Hij heeft daardoor voordelen kunnen genieten die [geïntimeerde] niet heeft kunnen verkrijgen, omdat zij niet over haar aandeel heeft kunnen beschikken.

Het hof acht het - mede gelet op de belangen van beide partijen - in de gegeven omstandigheden redelijk en billijk dat [geïntimeerde] voor dat gemis een vergoeding zal ontvangen.

In de stelling van [appellant], dat hij sinds 1999 alle kosten verbonden aan de woning heeft voldaan, ziet het hof geen aanleiding anders te beslissen.

10. Het hof neemt bij het bepalen van de wijze waarop die vergoeding moet worden berekend het volgende in aanmerking.

10.1. De rechtbank heeft, onweersproken in hoger beroep, overwogen dat ter zake van de hypothecaire leningen nog een schuld resteerde van € 57.856,98.

De in de verdeling te betrekken overwaarde van de woning kan derhalve worden gesteld op (ƒ 185.000,-- ofwel € 83.949,34 - € 57.856,98 =) € 26.092,36. Het aandeel van [geïntimeerde] daarin bedraagt dan op 14 juni 2000, de datum van de ontbinding van het huwelijk, € 13.046,18.

10.2. Door het slagen van de grief in het principaal appel zal het door de rechtbank vastgestelde overbedelingsbedrag van € 16.780,87 (waarin begrepen andere bedragen dan voormeld bedrag van € 13.046,18) moeten worden verminderd met € 3.949,--. [appellant] is dan aan [geïntimeerde] een bedrag van € 12.831,87 verschuldigd, hetgeen lager is dan voornoemd aandeel van [geïntimeerde] in de overwaarde van de woning.

11. Het hof is, gelet op hetgeen overwogen is bij rechtsoverweging 9 en uitgaande van het bedrag van € 12.831,87, van oordeel dat het in de gegeven omstandigheden redelijk en billijk is om te bepalen dat [appellant] wegens overbedeling aan [geïntimeerde] dient te betalen voornoemd bedrag van € 12.831,87, vermeerderd met een bedrag overeenkomend met de wettelijke rente over € 12.831,87 vanaf 14 juni 2000 tot aan de dag van voldoening.

12. In zoverre slaagt de grief.

In het principaal appel voorts

13. Het voorgaande brengt mee dat thans niet vaststaat dat [appellant] per saldo minder aan [geïntimeerde] zal moeten voldoen dan in het bestreden vonnis was bepaald. Zijn vordering tot teruggave van hetgeen hij ter uitvoering van dat vonnis teveel zou hebben betaald, kan daarom niet worden toegewezen.

De slotsom

14. Het hof zal het vonnis van de rechtbank Groningen van 12 december 2007 vernietigen voor zover [appellant] daarin is veroordeeld om wegens overbedeling aan [geïntimeerde] een bedrag van € 16.780,87 te betalen en te dien aanzien opnieuw rechtdoen als na te melden.

15. Het hof zal voorts, nu partijen gewezen echtelieden zijn, de kosten van het geding in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Groningen van 12 december 2007, voor zover [appellant] daarin is veroordeeld om wegens overbedeling aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 16.780,87;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] om wegens overbedeling aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 12.831,87, vermeerderd met een bedrag overeenkomend met de wettelijke rente over € 12.831,87 vanaf 14 juni 2000 tot aan de dag van algehele voldoening;

bekrachtigt het vonnis van 12 december 2007 voor het overige;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding in hoger beroep draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. Streppel, voorzitter, De Bock en Verschuur, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 31 maart 2009 in bijzijn van de griffier.