Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BI0999

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-04-2009
Datum publicatie
15-04-2009
Zaaknummer
BK 17/08 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep voert de inspecteur aan dat de rechtbank hem ten onrechte heeft veroordeeld in de kosten van de procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-0858
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Belastingkamer

Kenmerk: 08/17

Uitspraakdatum: 10 april 2009

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord, de inspecteur,

en op het incidenteel hoger beroep van

X te Z, belanghebbende,

gemachtigde mr. A,

tegen de uitspraak in de zaak AWB 06/2534 van de rechtbank Leeuwarden van 18 december 2007 in het geding tussen

de belanghebbende,

en

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De inspecteur heeft met dagtekening 3 juni 2006 aan belanghebbende over het jaar 2003 een ambtshalve aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.045.

Tevens heeft de inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete ten bedrage van € 113 opgelegd.

1.2 Namens belanghebbende is hiertegen een bezwaarschrift ingediend.

1.3 Bij uitspraak van 20 oktober 2006 heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

1.4 Bij uitspraak van 18 december 2007, verzonden op 19 december 2007, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen namens belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.682, onder toekenning van de algemene heffingskorting, de kinderkorting en de aanvullende kinderkorting. Voorts heeft de rechtbank de inspecteur veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van € 483 en heeft zij vergoeding van het griffierecht gelast.

1.5 In eerste aanleg is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.

1.6 Tegen deze uitspraak is door de inspecteur op 23 januari 2008 pro forma hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft de gronden van zijn beroep bij brief van 17 maart 2008 aangevuld.

1.7 Namens belanghebbende is bij brief van 10 april 2008, bij het hof ingekomen op 14 april 2008, een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.8 De inspecteur heeft bij brief van 8 mei 2008, bij het hof ingekomen op 9 mei 2008, een verweerschrift in het incidenteel appel ingediend.

1.9 De eerste meervoudige kamer van het hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2009. Aldaar zijn verschenen belanghebbendes gemachtigde mr. A, alsmede namens de inspecteur mr. B. De gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgelezen en overgelegd. De inspecteur heeft ter zitting een afschrift overgelegd van een uitspraak van de rechtbank met procedurenummer AWB06/2743.

1.10 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast.

2.1 Belanghebbende genoot in het jaar 2003 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet.

2.2 De inspecteur heeft aan belanghebbende een aangiftebiljet IB/PV voor het jaar 2003 verzonden en belanghebbende verzocht om dit biljet vóór 1 april 2004 ingevuld en ondertekend aan haar terug te zenden. Belanghebbende heeft niet aan dit verzoek voldaan en de inspecteur heeft haar vervolgens per brief van 3 juni 2005 aangemaand om het aangiftebiljet vóór 1 augustus 2005 in te dienen. Aan dit verzoek heeft belanghebbende evenmin gehoor gegeven en de inspecteur heeft op 3 juni 2006 aan belanghebbende een ambtshalve aanslag IB/PV voor het jaar 2003 opgelegd. Bij de vaststelling van deze aanslag heeft de inspecteur rekening gehouden met de bij hem bekende gegevens over de door belanghebbende genoten uitkering. De inspecteur heeft voorts de over de uitkering verschuldigde IB/PV verminderd met het bedrag van de algemene heffingskorting. Gelijktijdig met het opleggen van de onderhavige aanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd wegens het niet (tijdig) doen van aangifte.

2.3 Namens belanghebbende is tegen de opgelegde aanslag op 28 juni 2006 pro forma bezwaar aangetekend. Belanghebbende heeft hierbij verzocht om uitstel voor het aanvullen van de gronden tot 1 augustus 2005 (het hof neemt aan dat belanghebbende bedoelde: 1 augustus 2006). Bij brief van 7 juli 2006 heeft de inspecteur uitstel verleend tot 7 augustus 2006 voor het indienen van de motivering. Belanghebbende heeft het bezwaar niet gemotiveerd en bij brief van 8 augustus 2006 verleent de inspecteur nader uitstel tot 22 augustus 2006. De inspecteur wijst er daarbij op dat het niet motiveren van het bezwaar kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaar. Belanghebbende laat na het bezwaar te motiveren en op 20 oktober 2006 verklaart de inspecteur het bezwaar ongegrond.

2.4 In de beroepsfase voert belanghebbende onder andere aan dat ten onrechte de alleenstaande-ouderkorting niet is toegekend en dat ten onrechte een verzuimboete is opgelegd.

2.5 De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende geen aanspraak kan maken op de alleenstaande-ouderkorting. De boete achtte de rechtbank passend en geboden.

2.6 Naast voormelde geschilpunten heeft belanghebbende in de beroepsfase nog aanspraak gemaakt op een persoonsgebonden aftrek ter zake van buitengewone uitgaven van € 363, de kinderkorting en de aanvullende kinderkorting. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift in eerste aanleg gesteld dat voormelde aanspraken gehonoreerd kunnen worden. De rechtbank heeft dienoverkomstig geoordeeld en het beroep van belanghebbende om die reden gegrond verklaard en de inspecteur veroordeeld in de kosten van de procedure.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1 In hoger beroep voert de inspecteur aan dat de rechtbank hem ten onrechte heeft veroordeeld in de kosten van de procedure.

3.2 De inspecteur stelt dat de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van belanghebbende. Hij wijst erop dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de verplichting de uitgereikte aangifte ingevuld te retourneren. Naar aanleiding van de ambtshalve opgelegde aanslag heeft belanghebbende een niet-gemotiveerd bezwaarschrift ingediend, dat zij, ook na herhaalde verzoeken daartoe, niet heeft gemotiveerd. Eerst in de beroepsfase claimt belanghebbende de (aanvullende) kinderkorting en een aftrek wegens buitengewone uitgaven. De aftrekpost en de heffingskortingen heeft belanghebbende terecht naar voren gebracht en hiermee zou in de bezwaarfase ook rekening zijn gehouden wanneer belanghebbende deze posten reeds in die fase naar voren zou hebben gebracht, aldus de inspecteur.

3.3 Belanghebbende stelt dat naast de gehonoreerde geschilpunten in de beroepsfase sprake was van een principieel geschil betreffende het recht op de alleenstaande-ouderkorting en de opgelegde verzuimboete. Naar haar mening kan niet worden gesteld dat de beroepsprocedure uitsluitend het gevolg is van haar handelwijze, zodat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat zij recht heeft op een proceskostenvergoeding.

Het incidenteel beroep heeft de gemachtigde van belanghebbende ter zitting ingetrokken.

3.4 Voor een uitgebreidere weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1 Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op een proceskostenvergoeding in de beroepsprocedure. Het hof overweegt daartoe het volgende.

4.2 In casu dient onderscheid gemaakt te worden tussen de verschillende, door belanghebbende in de beroepsfase, opgeworpen geschilpunten. Belanghebbende is zowel in de aanslagfase als in de bezwaarfase meerdere malen door de inspecteur in de gelegenheid gesteld al hetgeen aan te voeren dat voor de belastingheffing te haren aanzien van belang was, zoals het verzoek om toepassing van een aftrekpost wegens buitengewone uitgaven alsmede een verzoek om toepassing van de (aanvullende) kinderkorting. Ten aanzien van deze door belanghebbende in beroep gedane verzoeken heeft de inspecteur terstond het standpunt ingenomen dat deze gehonoreerd konden worden en in de bezwaarfase ook gehonoreerd zouden zijn wanneer ze toen naar voren waren gebracht. Het hof acht dit aannemelijk. Het voeren van een beroepsprocedure was voor wat betreft deze posten dan niet nodig geweest.

4.3 Ten aanzien van de overige geschilpunten, de alleenstaande-ouderaftrek en de boete, is belanghebbende door de rechtbank in het ongelijk gesteld en belanghebbende heeft zich -gelet op de intrekking van het incidenteel hoger beroep- hierbij neergelegd. Reeds daarom is vergoeding van proceskosten ter zake van dit deel van het geschil, niet aan de orde.

4.4 Concluderend volgt uit het vorenstaande dat de vergoeding van proceskosten uitsluitend is gestoeld op de gegrondverklaring van het beroep ter zake van geschilpunten die, indien belanghebbende deze in de aanslagfase dan wel bezwaarfase reeds naar voren zou hebben gebracht, al in een eerder stadium zouden zijn gehonoreerd. Het is aan belanghebbende te wijten dat zij van deze mogelijkheden geen gebruik heeft gemaakt. De noodzaak tot het instellen van beroep ter zake van deze geschilpunten vloeit dan ook uitsluitend voort uit de handelwijze van belanghebbende zelf. Om die reden had ondanks de gegrondverklaring van het beroep een proceskostenvergoeding achterwege dienen te blijven.

4.5 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond is.

5. De beslissing

Het gerechtshof

verklaart het hoger beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de rechtbank ter zake van de proceskostenveroordeling;

bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige.

Aldus vastgesteld op 10 april 2009 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. G.M. van der Meer, en mr. dr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken door mr. G.M. van der Meer, in verband met afwezigheid van de voorzitter, in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. de Jong en ondertekend door mr. G.M. van der Meer en door voornoemde griffier.

Afschrift aangetekend aan partijen verzonden op 15 april 2009

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.