Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BI0983

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-04-2009
Datum publicatie
14-04-2009
Zaaknummer
24-002644-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van het opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld paspoort en valsheid in geschrift - meermalen gepleegd - veroordeeld tot een werkstraf van 20 uren, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis, met aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest van 14 april 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 5 juni 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1985] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres]

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. F.H. Gart, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een werkstraf van 20 uren, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep

Van de terechtzitting in eerste aanleg is geen proces-verbaal opgemaakt. Daarom kan het hof niet beoordelen of het onderzoek in eerste aanleg overeenkomstig de wet heeft plaatsgevonden en of het vonnis aan de wettelijke eisen voldoet. Het vonnis zal reeds om deze reden worden vernietigd en het hof zal opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in de periode van 12 februari 2004 tot en met 29 maart 2005, te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], meermalen, althans eenmaal, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument, te weten een ([land]) paspoort (met (serie)nummer: [nummer]) ten name van [naam], welk gebruik hierin bestond dat hij, verdachte, voornoemd reisdocument ter identificatie/legitimatie ten behoeve van het zich inschrijven in de Gemeentelijke Basis Administratie van de gemeente [gemeente] heeft getoond en/of overhandigd aan een medewerker van de gemeente [gemeente] en/of voormeld reisdocument ter identificatie/legitimatie ten behoeve van het verkrijgen van een sofinummer heeft getoond en/of overhandigd aan een medewerker van de Belastingdienst en/of zich met voormeld reisdocument heeft gelegitimeerd en/of geïndentificeerd;

2.

hij in de periode van 12 februari 2004 tot en met 29 maart 2005, te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], meermalen, althans eenmaal, (telkens) een aangifte van inschrijving in GBA (Gemeentelijke Basis Administratie) en/of een aanvraagformulier ter verkrijging van een sofinummer, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte (telkens) valselijk ingevuld als zijn, verdachtes persoonsgegevens:

- (achternaam) [achternaam]

- (voornaam) [voornaam]

- (geboortedatum) [geboortedatum]

- (geboorteplaats) [geboorteplaats],

en/of (vervolgens) voormeld aangifte(s) en/of formulier(en) voorzien van een (valse) handtekening, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Het hof beschouwt de kennelijke taal- en/of typefouten als kennelijke misslagen en leest dit verbeterd. Hierdoor wordt verdachte niet in enig belang geschaad.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 12 februari 2004 tot en met 29 maart 2005, te [plaats],

meermalen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument, te weten een [land] paspoort (met serienummer: [nummer]) ten name van [naam], welk gebruik hierin bestond dat hij, verdachte,

voornoemd reisdocument ter legitimatie ten behoeve van het zich inschrijven in de Gemeentelijke Basis Administratie van de gemeente [gemeente] heeft getoond en overhandigd aan een medewerker van de gemeente [gemeente] en voormeld reisdocument ter legitimatie ten behoeve van het verkrijgen van een sofinummer heeft getoond en overhandigd aan een medewerker van de Belastingdienst.

2.

hij in de periode van 12 februari 2004 tot en met 29 maart 2005, te [plaats], meermalen een aangifte van inschrijving in Gemeentelijke Basis Administratie en een aanvraagformulier ter verkrijging van een sofinummer - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens valselijk ingevuld als zijn, verdachtes, persoonsgegevens:

- (achternaam) [achternaam]

- (voornaam) [voornaam]

- (geboortedatum) [geboortedatum]

en vervolgens voormelde aangiftes en formulier voorzien van een valse handtekening, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1.

opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument, meermalen gepleegd;

2.

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon van de verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

In de periode van 12 februari 2004 tot en met 29 maart 2005 heeft de verdachte opzettelijk gebruik gemaakt van een [land] paspoort ten name van [naam], zijnde verdachtes neef. De verdachte heeft de in de bewezenverklaring genoemde persoongegevens, die in het [land] paspoort ten name van zijn neef waren opgenomen - onder het tonen en overhandigen van dat paspoort - valselijk als zijn eigen persoonsgegevens ingevuld op aangifteformulieren van inschrijving in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens, welke formulieren aan hem verstrekt waren door een medewerker van het gemeentehuis van de gemeente [gemeente]. De verdachte heeft daarmee op basis van valse identiteitsgegevens opneming in de gemeentelijke basisadministratie in de gemeente [gemeente] weten te realiseren.

Daarnaast heeft verdachte een formulier van de Belastingdienst ten behoeve van het aanvragen van een sofinummer valselijk ingevuld en daaronder een valse handtekening gezet. Verdachte heeft bij het verkrijgen van dit formulier het paspoort dat op naam van zijn neef stond, getoond en overhandigd, waarmee hij zich aldus heeft gelegitimeerd als zijnde die andere persoon.

Door de hierboven bedoelde (aangifte)formulieren niet naar waarheid in te vullen, heeft de verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Door zijn handelen heeft de verdachte het vertrouwen dat instanties in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van bepaalde geschriften moeten kunnen stellen, geschonden. Bovendien heeft verdachte zich met zijn aldus verkregen sofinummer toegang verschaft tot de (legale) arbeidsmarkt, terwijl verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten op basis van zijn toenmalige verblijfstitel daartoe niet gerechtigd was.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 januari 2009, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van enig strafbaar feit.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat een gevangenisstraf de positieve ontwikkelingen in het leven van verdachte - een first offender - zou dwarsbomen. De oplegging van een gevangenisstraf voor deze (oude) feiten is volgens de raadsman niet opportuun.

Het hof is van oordeel dat voor dergelijke strafbare feiten in beginsel een vrijheidsstraf een passende sanctie is. Het hof laat echter ook meewegen dat de bewezenverklaarde feiten relatief oudere feiten zijn.

Daarnaast is er sprake van gewijzigde omstandigheden. Verdachte heeft een vriendin en woont zelfstandig in [plaats], waar hij - inmiddels in het bezit van een eigen [land] paspoort - als ingezetene van de Europese Unie legaal verblijft en waar hij werkt als magazijnmedewerker.

Op basis van het voorgaande is het hof, alle omstandigheden afwegende, van oordeel dat thans aan verdachte geen gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Het hof acht de door de advocaat-generaal gevorderde werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c (oud), 22d, 57 (oud), 225 (oud), 225, 231 (oud) en 231 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van twintig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van tien dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. S.H. Wachter, voorzitter, mr. H.J. Deuring en

mr. F.R. Vermeer, in tegenwoordigheid van mr. J. Brink als griffier, zijnde mr. Vermeer voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.