Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BI0309

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
17-03-2009
Datum publicatie
07-04-2009
Zaaknummer
107.002.166/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Achterstand huurpenningen en/of servicekosten volstrekt onduidelijk.

Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 17 maart 2009

Zaaknummer 107.002.166/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. I.J. Woltman, kantoorhoudende te Bolsward,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats geïntimeerde],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

toevoeging,

advocaat: mr. D.J. Bomhof, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen

uitgesproken op 3 april 2007 en 10 juli 2007 door de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden (verder aan te duiden als de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 9 oktober 2007 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemde vonnissen met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 24 oktober 2007.

De conclusie van de appeldagvaarding luidt:

"Alsdan op nader aan te voeren gronden te horen eis doen en concluderen dat het aan het Gerechtshof te Leeuwarden moge behagen bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te vernietigen de vonnissen op 03 april 2007 en 10 juli 2007 door de kantonrechten van de Rechtbank Leeuwarden, sector Kanton, locatie Leeuwarden onder zaak- / rolnummer 212718 \ CV ECPL 07-782 tussen partijen gewezen en, opnieuw rechtdoende de vorderingen van appellant alsnog toe te wijzen met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van de procedure in beide instanties."

Bij de memorie van grieven zijn producties overgelegd. De conclusie van deze memorie luidt:

"Het uw Gerechtshof moge behagen bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis, gewezen door de kantonrechter in de Rechtbank Leeuwarden, sector Kanton, locatie Sneek, d.d. 10 juli 2007 onder nummer 212718 / CV EXPL 07-782, te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [appellant], inhoudende, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] tegen kwijting te betalen de som van

€ 5.306,31, of zoveel als het UW hof in goede justitie zal vermenen te behoren, vermeerderd met de verschuldigde rente over € 4.406,62 sedert 31 januari 2007 tot de dag der algehele voldoening, en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties, daaronder begrepen het salaris van de gemachtigden van [appellant], toe te wijzen."

Het hof houdt het ervoor dat waar in deze conclusie wordt gesproken over de sector kanton, locatie Sneek, wordt bedoeld sector kanton: locatie Leeuwarden.

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"Het Uw Gerechtshof moge behagen bij arrest, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorbaat, het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Sneek, d.d. 10 juli 2007 onder nummer 212718 CV EXPL 07-782 te bekrachtigen en [appellant] te veroordelen in de kosten van dit hoger beroep."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft vijf grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Tegen het vonnis van 3 april 2007 zijn geen grieven ontwikkeld, zodat [appellant] in zijn beroep tegen dat vonnis niet ontvankelijk is.

2. Het hof zal recht doen op het petitum zoals dat is geformuleerd bij memorie van grieven.

Met betrekking tot de grieven:

3. De grieven leggen het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor. Ze zullen daarom gezamenlijk worden behandeld.

4. Als gesteld en erkend, dan wel niet (voldoende) gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de niet weersproken inhoud der overgelegde bescheiden, staat tussen partijen het volgende vast:

- [geïntimeerde] huurde vanaf november 2003 van [appellant] een kamer in het perceel [adres]. De huurovereenkomst is per 15 januari 2004 verlengd tot 15 maart 2004 met bepaling dat de huurovereenkomst daarna telkens stilzwijgend met een maand wordt verlengd, tenzij er schriftelijke opzegging heeft plaatsgevonden tegen het einde van de maand, met inachtneming van 1 maand opzegtermijn. Deze laatste huurovereenkomst is schriftelijk vastgelegd (productie 1 bij de inleidende dagvaarding). Voor deze kamer was [geïntimeerde] een huurprijs verschuldigd van € 300,-- per maand, waarin begrepen een bedrag groot € 67,50 ter zake van voorschot gas, water, elektra enz. (verder gezamenlijk aan te duiden als servicekosten). Overeengekomen is dat bedoelde kosten "tussentijds" op basis van werkelijk gebruik zullen worden verrekend.

- [geïntimeerde] heeft naderhand van [appellant] in hetzelfde perceel een tweede kamer gehuurd. Ook die huurovereenkomst is schriftelijk vastgelegd (productie 1 bij de inleidende dagvaarding) De huurovereenkomst loopt van 15 januari 2004 tot 15 maart 2004 met bepaling dat de huurovereenkomst daarna telkens stilzwijgend met een maand wordt verlengd, tenzij er schriftelijke opzegging heeft plaatsgevonden tegen het einde van de maand, met inachtneming van 1 maand opzegtermijn. Voor deze kamer was [geïntimeerde] een huurprijs verschuldigd van € 240,-- per maand, waarin begrepen een bedrag groot € 67,50 ter zake van voorschot gas, water, elektra enz. (verder gezamenlijk aan te duiden als servicekosten). Overeengekomen is dat bedoelde kosten "tussentijds" op basis van werkelijk gebruik zullen worden verrekend.

- Tussen partijen is - in afwijking van het bepaalde in beide huurovereenkomsten - afgesproken dat [geïntimeerde] maandelijks in totaal geen € 540,-- maar € 450,-- aan huurpenningen c.a. hoefde te betalen.

- [geïntimeerde] heeft betalingen ter zake altijd contant gedaan.

5. [appellant] stelt zich op het standpunt dat in het bedrag van € 450,-- slechts een voorschotbedrag voor servicekosten is begrepen van € 67,50 per maand. [geïntimeerde] gaat uit van een bedrag van € 155,44 per maand aan voorschot inzake servicekosten.

6. [appellant] stelt dat [geïntimeerde] tot oktober 2004 aan zijn maandelijkse betalingsverplichting heeft voldaan, dat hij in oktober 2004 slechts € 210,-- heeft betaald en dat hij vervolgens niets meer heeft betaald. [appellant] stelt daarenboven dat [geïntimeerde] van iedere contante betaling een kwitantie heeft ontvangen.

[appellant] vordert van [geïntimeerde] de achterstallige huurpenningen c.a. over de periode oktober 2003 tot en met 15 april 2005, zijnde totaal € 2.715,--. [appellant] vordert daarnaast ter zake van de eindafrekening servicekosten over 2004 een bedrag van € 933,45 en over 2005 van € 474,52.

7. [geïntimeerde] betwist enig bedrag aan [appellant] schuldig te zijn. Hij stelt tot en met augustus 2005 aan zijn maandelijkse betalingsverplichting te hebben voldaan. Hij betwist in verband met de afrekening van servicekosten nog iets aan [appellant] verschuldigd te zijn.

8. De kantonrechter heeft [appellant] ter comparitie in eerste aanleg opgedragen de volgende stukken over te leggen:

- "Een overzicht van kasstortingen op naam van [geïntimeerde];

- Duidelijke eindafrekeningen van alle relevante nutsbedrijven;

- Een stuk waarmee wordt aangetoond dat alle kamers aparte energiemeters hebben;

- Een helder overzicht omtrent de achterstallige huur (welke maanden zou [geïntimeerde] nog niet hebben betaald). "

9. De kantonrechter heeft de vervolgens door [appellant] overgelegde producties niet genoegzaam geoordeeld om de stellingen van [appellant] te onderbouwen en heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen.

10. Het hof stelt voorop dat - krachtens de hoofdregel van bewijslastverdeling (artikel 150 Rv) - op [geïntimeerde] de bewijslast rust van de door hem beweerdelijk gedane betalingen, voorzover de ontvangst daarvan door [appellant] wordt betwist. Het hof is echter met [geïntimeerde] van oordeel dat het door [appellant] bij akte na comparitie overgelegde overzicht van de kasstortingen welke [geïntimeerde] zou hebben gedaan, onduidelijk is en tal van vragen oproept. Zo zouden in januari 2004 een viertal betalingen hebben plaatsgevonden, tot een totaalbedrag van € 580,-- en in de maanden februari tot en met mei 2004 telkens drie betalingen (steeds totaal € 450,--) en in de maanden daarna (tot en met september) telkens twee betalingen (ook tot een totaal van telkens € 450,--). Ligt in de stellingen van [appellant] besloten dat hij voor al deze deelbetalingen telkenmale apart een kwitantie heeft uitgeschreven? En wat bedoelt het andere staatje ("ontvangen op per kas") linksonder op het overzicht aan te geven ? Daarbij komt ook nog dat partijen twisten over de datum waarop de huurovereenkomst is beëindigd. [geïntimeerde], die zich op het standpunt stelt dat beëindiging heeft plaatsgevonden per 4 september 2005 heeft ook gesteld tot die datum betaald te hebben.

Het hof stelt vast dat [appellant] ook in hoger beroep de onduidelijkheden ter zake niet heeft weggenomen. Nu een helder betalingsoverzicht ontbreekt en het voor [geïntimeerde] niet duidelijk is waartegen hij zich moet verweren, komt het hof niet toe aan bewijslevering ter zake door [geïntimeerde].

11. Met betrekking tot de servicekosten stelt het hof allereerst vast dat op grond van de overgelegde huurovereenkomsten een bedrag van totaal € 135,-- per maand aan voorschot diende te worden voldaan. In een door [appellant] ten behoeve van de aanvraag huursubsidie voor [geïntimeerde] ingevuld formulier (productie 5 bij de inleidende dagvaarding) wordt een kale huurprijs van € 294, 56 genoemd, hetwelk een maandelijks bedrag aan voorschot servicekosten van € 155,44 (conform de stellingen van [geïntimeerde]) impliceert.

12. [appellant] betrekt desalniettemin de stelling dat in het - mondeling door partijen overeengekomen - totale maandelijkse bedrag van € 450,-- slechts een bedrag groot € 67,50 aan servicekosten is begrepen, zodat op hem de bewijslast rust van die stelling. Het hof moet echter vaststellen dat [appellant] ter zake geen (voldoende gespecificeerd) bewijsaanbod heeft gedaan.

13. De enkele vermelding in het formulier aanvraag huursubsidie van een fors hoger bedrag dan voortvloeit uit de beide huurovereenkomsten, zulks terwijl het in de rede zou hebben gelegen ook het bedrag van 2 x € 67,50 enigszins in neerwaardse richting bij te stellen, is echter ook onvoldoende om van de juistheid van de door [geïntimeerde] betrokken stelling uit te gaan. Nu ook [geïntimeerde] op dit punt geen voldoende gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan, moet worden vastgesteld dat onduidelijk is welk deel van het maandelijks door [geïntimeerde] verschuldigde bedrag dient te worden aangemerkt als servicekosten. Een vordering tot het in redelijkheid vaststellen van servicekosten is door partijen in deze procedure niet gedaan, terwijl niet is gesteld of gebleken dat (een der) partijen zich in op dat punt tot de huurcommissie heeft/hebben gewend.

14. [appellant] toont ook in hoger beroep niet aan dat in de door [geïntimeerde] gehuurde kamers eigen meters voor gas, water en elektra voorhanden waren. De in eerste aanleg overgelegde pagina uit een uitspraak van de huurcommissie (van na 6 juni 2006) is daartoe volstrekt onvoldoende. Gelet op het uitgangspunt in hoger beroep dat er slechts een memorie van grieven en van antwoord wordt genomen, zal het hof niet ingaan op het aanbod van [appellant] om alsnog nadere stukken in het geding te brengen waarmee het bestaan van de tussenmeters zou kunnen worden aangetoond. Nu op dit punt ook geen gespecificeerd bewijsaanbod voorligt, gaat het hof er vanuit dat die aparte meters niet aanwezig waren tijdens de periode gedurende welke [geïntimeerde] de kamers van [appellant] huurde.

15. Ook het hof is van oordeel dat de door [appellant] bij akte na tussenvonnis in eerste aanleg overgelegde specificaties niet kunnen worden aangemerkt als overzichten als bedoeld in artikel 7:259 lid 2 BW. De afrekeningen van Essent hebben betrekking op [buuradres] en slechts op de jaren 2001, 2002 en 2003. In hoger beroep heeft [appellant] alsnog (productie 9 bij memorie van grieven) jaarafrekeningen van Essent overgelegd over de jaren 2003/2004 en 2005, doch ook hier betreft het weer [buuradres], zijnde - naar het hof uit de stellingen van [appellant] begrijpt - het hele pand, waarin zich in totaal 8 verhuurde appartementen bevinden, waaronder de kamers die door [geïntimeerde] werden gehuurd.

16. Anders dan in eerste aanleg heeft [appellant] in hoger beroep alsnog stukken geproduceerd welke de eindafrekening voor de servicekosten over 2004 en 2005 zouden moeten inhouden. Nu het hof ervan moet uitgaan dat er geen tussenmeters aanwezig waren, moet worden geconcludeerd dat deze "eindafrekeningen" deugdelijke onderbouwing missen en - nu [geïntimeerde] de juistheid daarvan heeft betwist - niet kunnen dienen ter ondersteuning van de vordering van [appellant], mede gelet op de reeds betaalde servicekosten door [geïntimeerde]..

17. Resumerend is ook het hof van oordeel dat de vordering van [appellant] volstrekt onvoldoende is onderbouwd om voor toewijzing in aanmerking te kunnen komen.

De grieven treffen derhalve geen doel.

Slotsom

Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (salaris advocaat: 1 punt tarief I).

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen het vonnis van 3 april 2007;

bekrachtigt het vonnis d.d. 10 juli 2007 waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 251,-- aan verschotten en € 632,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat,

bepaalt dat van voormelde bedragen aan de griffier dient te worden voldaan € 188,25 aan verschotten en €632,-- voor geliquideerd salaris voor de advocaat, die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 Rv,

verklaart dit arrest voor wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Kuiper en Fikkers, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van

17 maart 2009 in bijzijn van de griffier.