Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BI0293

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
17-03-2009
Datum publicatie
20-04-2009
Zaaknummer
200.013.046/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot betaling van declaratie van advocaat.

Beroep op opschortingsrecht wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 17 maart 2009

Zaaknummer 200.013.046/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

Van Gelderen Advocaten B.V.,

gevestigd te Utrecht,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: VGA,

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats geïntimeerde],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

niet verschenen.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 1 juli 2008 door de rechtbank Assen, sector Kanton, locatie Assen (hierna: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 22 augustus 2008 is door VGA hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 9 september 2008.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep, tevens houdende de grieven luidt:

"het uw gerechtshof behage, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

5.1 het vonnis d.d. 1 juli 2008 (kenmerknummer 222929 \ CV EXPL 08-1130) van de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Assen te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zover nodig met aanvulling van rechtgronden:

5.2 geïntimeerde alsnog te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te voldoen een bedrag van EUR 2.449,35 (zegge: tweeduizend vierhonderd negenenveertig euro en vijfendertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over een bedrag van EUR 1.976,29 vanaf 1 februari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.3 geïntimeerde alsnog te veroordelen in de kosten van beide instanties."

Vervolgens heeft VGA de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

VGA heeft één grief opgeworpen.

De beoordeling

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in genoemd vonnis d.d. 1 juli 2008 is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

2. Met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 1 is overwogen, gaat het in deze zaak om het volgende.

2.1. In 2006 heeft VGA in opdracht van [geïntimeerde] juridische werkzaamheden verricht. De werkzaamheden zijn namens VGA door de heer mr. [betrokkene] verricht.

2.2. Op 7 september 2006 heeft VGA ter zake van deze werkzaamheden aan [geïntimeerde] een factuur ten bedrage van € 4.126,29 inclusief BTW gezonden.

2.3. Op 18 december 2006 heeft [geïntimeerde] een emailbericht aan VGA gezonden, waarin hij klachten uit over de geleverde dienstverlening. Het slot van dit emailbericht luidt als volgt:

"Geenszins wil ik mij onttrekken aan mijn betalingsverplichting. Dientengevolge zal ik de komende week een bedrag van € 2150,00 aan u overmaken.

Graag ontvang ik van u een gemotiveerd schrijven waarom zaken buiten het dossier zijn gehouden en waarom ik tot op heden geen concept brief naar het om [lees: OM; toev. hof] van u heb mogen ontvangen. Daarbij gaat het niet om de strafzaak maar wel om het aantoonbaar maken van een causaal verband van de genomen besluiten en de eerder vermelde misstanden."

2.4. Bij brief van 28 december 2006 geeft VGA aan [geïntimeerde] te kennen dat de klachten van [geïntimeerde] ongegrond zijn en dringt VGA aan op volledige betaling van de factuur door [geïntimeerde].

2.5. Op 2 januari 2007 ontvangt VGA een bedrag ad € 2.150,- van [geïntimeerde], zodat van de factuur van 7 september 2006 nog een bedrag van € 1.976,29 inclusief BTW openstaat.

2.6. Bij brief van 17 januari 2008 verzoekt VGA [geïntimeerde] het resterende bedrag van € 1.976,29 inclusief BTW over te maken.

2.7. Op 22 februari 2008 dagvaardt VGA [geïntimeerde] voor de kantonrechter.

Bij brief van 25 februari 2008 reageert [geïntimeerde] op de dagvaarding door VGA, met als conclusie:

"Tot slot:

- Graag ontvang ik van u een gespecificeerde nota, zoals het reglement van de orde van Nederlandse Advocaten voorschrijft, waaruit blijkt hoe het bedrag van € 4.126,27 is opgebouwd gezamenlijk met een urenverantwoording.

- U motiveert mij waarom uw medewerker de gedane toezegging van 23 mei 2005 niet is nagekomen en/of motiveert mij waarom hij deze feiten niet van belang achtte.

- U motiveert mij waarom uw medewerker bijlage 2 en 3 niet in de bewaarprocedure heeft willen voegen en/of u motiveert mij waarom hij deze feiten niet van belang achtte.

Nadat ik de gevraagde informatie van u hebt ontvangen, voldoe ik u het restantbedrag van € 1.976,27. In het geval dat na er nog onduidelijkheden zijn zal hierover tot 1 juni 2008 kunnen worden gecorrespondeerd. Mocht er na 1 juni 2008 mijnerzijds nog ontevredenheid zijn dan zal ik mij wenden tot de geschillencommissie advocatuur en zal het restantbedrag door mij gedeponeerd worden bij Geschillencommissie Advocatuur overeenkomstig artikel 11 van het reglement geschillencommissie advocatuur."

2.8. Bij brief van 17 maart 2008 zendt VGA aan [geïntimeerde] de gevraagde urenspecificatie.

3. De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep VGA niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Naar het oordeel van de kantonrechter hadden de klachten van [geïntimeerde] met name betrekking op het declaratiegedrag van VGA, zodat VGA haar declaratie na indiening van de klacht op 16 december 2006 ter hand had dienen te stellen aan de plaatselijke Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten, waarna die instantie de declaratie had kunnen begroten dan wel zonodig de klacht naar de Raad van Discipline had kunnen verwijzen.

4. De enige grief van VGA richt zich tegen dit oordeel van de kantonrechter.

5. Het hof overweegt als volgt.

5.1. Art. 32 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (hierna: WTBZ) bepaalt, kort weergegeven, dat in geval van "verschil over het salaris", door de advocaat aan de cliënt berekend, de begroting geschiedt door de raad van toezicht.

Het hof is van oordeel dat het onderhavige geschil tussen partijen niet een geschil betreft als bedoeld in art. 32 WTBZ. Weliswaar heeft [geïntimeerde] in zijn conclusie van dupliek, sub 16 gesteld dat "zelfs ook bij de declaratie kanttekeningen zijn te plaatsen", doch aan deze stelling geeft [geïntimeerde] geen enkele onderbouwing, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

5.2. Kern van het geschil tussen partijen betreft de wijze van afhandeling van de door [geïntimeerde] jegens VGA geuite klachten. Het hof begrijpt de opstelling van [geïntimeerde] aldus, dat hij zijn verplichting tot betaling van het resterende bedrag ad € 1.976,29 opschort totdat VGA op adequate wijze zijn vragen heeft beantwoord.

5.3. Naar het oordeel van het hof behoort de beoordeling van dit geschil tot de bevoegdheid van de burgerlijke rechter en heeft de kantonrechter VGA ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

6. De grief slaagt derhalve.

7. Het hof zal thans dan ook overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het geschil.

8. Met betrekking tot de opschorting van zijn betalingsverplichting door [geïntimeerde] heeft VGA allereerst aangevoerd dat [geïntimeerde] pas ruim drie maanden nadat hij de declaratie d.d. 7 september 2006 had ontvangen, voor het eerst klachten over de geleverde juridische dienstverlening heeft geuit (conclusie van repliek sub 3 e.v.). Ten aanzien van de klacht inzake de beweerdelijke niet-nakoming van de toezegging van mr. [betrokkene] om een conceptschrijven aan de officier van justitie op te stellen, stelt VGA dat [geïntimeerde] hier doelt op een emailbericht van mr. [betrokkene] "van 23 mei 2006 (!)". Ook ten aanzien van de klacht van [geïntimeerde] betreffende het door mr. [betrokkene] buiten het bewaardossier laten van de gespreksnotitie van 1 februari 2005 en de email van 15 februari 2005, stelt VGA dat het "toch hoogst opmerkelijk" is dat [geïntimeerde] zich pas zeer lange tijd na de betreffende tijdstippen afvraagt waarom bepaalde zaken niet aan het bewaardossier zijn toegevoegd.

9. Het hof is van oordeel dat de omstandigheid dat [geïntimeerde] zijn klachten pas enige tijd na het verzenden van de declaratie door VGA c.q. het verrichten van de werkzaamheden door mr. [betrokkene] heeft geuit, op zich niet in de weg staat aan een eventuele opschortingsbevoegdheid aan de zijde van [geïntimeerde].

10. De vraag of [geïntimeerde] bevoegd is tot een gedeeltelijke opschorting van de nakoming van zijn betalingsverplichting, dient te worden beantwoord op de voet van art. 6:52 BW, aangezien het hier gaat om de hoofdverplichting van [geïntimeerde] tegenover de gestelde nevenverbintenis van VGA om klachten over haar dienstverlening goed en snel te behandelen. Art. 6:52 lid 1 BW bepaalt dat een schuldenaar die een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser bevoegd is de nakoming van zijn verbintenis op te schorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt, indien tussen vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen.

11. Bij zijn brief van 18 december 2006 heeft [geïntimeerde] de nakoming van zijn betaling gedeeltelijk opgeschort totdat hij van VGA een schrijven zou ontvangen waarin gemotiveerd werd aangegeven waarom zaken buiten het dossier zijn gehouden en waarom hij tot op heden geen concept brief aan het OM heeft mogen ontvangen. Ervan uitgaande dat VGA krachtens de overeenkomst met [geïntimeerde] inderdaad verplicht was om antwoord te geven op voornoemde vragen, dan vertoont deze nevenverbintenis naar het oordeel van het hof op zich onvoldoende samenhang met de verplichting van [geïntimeerde] tot betaling van het resterende declaratiebedrag ad € 1.976,29, zijnde ongeveer de helft van het in totaal gedeclareerde bedrag ad € 4.126,29, om deze opschorting te rechtvaardigen. Bijzondere feiten en omstandigheden om anders te oordelen, zijn gesteld noch gebleken.

12. Voor zover [geïntimeerde] aan zijn beweerdelijke bevoegdheid tot opschorting ten grondslag heeft gelegd dat VGA hem geen deugdelijke specificatie van de vordering heeft verstrekt, overweegt het hof als volgt.

[geïntimeerde] heeft niet dan wel onvoldoende onderbouwd gesteld dat hij vóór 25 februari 2008 VGA heeft verzocht om een urenspecificatie, noch is daarvan anderszins gebleken. Nu [geïntimeerde] pas bij brief van 25 februari 2008 voor het eerst heeft aangegeven dat hij tevens antwoord wilde op de vraag hoe het honorarium is gespecificeerd, is het hof van oordeel dat de uitoefening van een opschortingsbevoegdheid op die grond ten aanzien van de daaraan voorafgaande periode naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht. Aangezien de betreffende specificatie hem bij brief van 17 maart 2008 is verstrekt, komt [geïntimeerde] ook thans deswege geen bevoegdheid tot opschorting meer toe.

13. Het vorenoverwogene brengt mee dat de vordering van VGA tot betaling van een bedrag van € 1.976,29 toewijsbaar is.

14. VGA heeft wettelijke rente over het bedrag van € 1.976,29 gevorderd vanaf 1 februari 2008 tot aan de dag van voldoening, terwijl zij ter zake van de wettelijke rente tot 1 februari 2008 een bedrag van € 176,62 vordert. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen als zijnde onweersproken en voldoende steun vindende in de overgelegde producties.

15. De door VGA gevorderde buitengerechtelijke kosten ad € 296,44 zijn eveneens toewijsbaar, nu het hof voldoende aannemelijk acht dat VGA deze buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt en dat deze kosten voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van art. 6:96 lid 2 sub c BW. [geïntimeerde] heeft tegen de hoogte van de gevorderde kosten ook geen verweer heeft gevoerd.

De slotsom

16. Het vonnis d.d. 1 juli 2008 waarvan beroep dient te worden vernietigd. Het hof zal [geïntimeerde] veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan VGA te betalen een bedrag van € 2.449,35, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.976,29 vanaf 1 februari 2008 tot aan de dag van algehele voldoening.

17. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties (eerste aanleg: 2 1/2 punt à € 150,-; hoger beroep: 1 punt in tarief I).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis d.d. 1 juli 2008 waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan VGA te betalen een bedrag van € 2.449,35, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.976,29 vanaf 1 februari 2008 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van VGA:

in eerste aanleg op € 286,44 aan verschotten en € 375,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat,

in hoger beroep op € 380,30 aan verschotten en € 632,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Janse, voorzitter, Zandbergen en Onnes-Wind, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 17 maart 2009 in bijzijn van de griffier.