Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BI0284

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-04-2009
Datum publicatie
07-04-2009
Zaaknummer
24-001489-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolging en veroordeling wegens tweemaal beschadiging van een auto. Verweer (ontbreken materiële wederrechtelijkheid) verworpen. Verweer is niet voldoende onderbouwd en verdachte gebruikte niet een 'redelijk middel'. Geheel voorwaardelijke geldboete opgelegd. Twee vorderingen benadeelde partijen toegewezen én tweemaal schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001489-08

Parketnummer eerste aanleg: 18-652321-07

Arrest van 3 april 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van

8 februari 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1959] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en maatregelen, en heeft voorts beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte wegens de beide ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een geheel voorwaardelijke geldboete van tweehonderdzestig euro, met toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen en tweemaal oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd, dat:

1.

hij in de gemeente [gemeente] op of omstreeks 31 maart 2007 - tussen (ongeveer) 19:30 en 20:00 uur - opzettelijk en wederrechtelijk een auto ("[merk 1]"), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

2.

hij in de gemeente [gemeente] op of omstreeks 31 maart 2007 - tussen (ongeveer) 20:20 en 20:30 uur - opzettelijk en wederrechtelijk een auto ("[merk 2]"), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij in de gemeente [gemeente] op 31 maart 2007 - tussen ongeveer 19:30 en 20:00 uur - opzettelijk en wederrechtelijk een auto ("[merk 1]"), toebehorende aan [benadeelde 1], heeft beschadigd;

2.

hij in de gemeente [gemeente] op 31 maart 2007 - tussen ongeveer 20:20 en 20:30 uur - opzettelijk en wederrechtelijk een auto ("[merk 2]"), toebehorende aan [benadeelde 2], heeft beschadigd;

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

feit 1 en 2 telkens:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Strafbaarheid

Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof gesteld dat – zakelijk weergegeven – hij door het uitblijven van ingrijpen door de overheid gedwongen was om zelf over te gaan tot de handelingen die hem thans worden verweten. Hij heeft ter onderbouwing van die stelling het volgende aangevoerd:

Verdachte heeft, mede als gevolg van lichamelijke klachten, last van het geluid van claxonnerende auto's bij hem in de straat. Verdachte ervaart dit geluid als (poging tot) mishandeling. Hij heeft al vele malen getracht om te bewerkstelligen dat door de politie tegen het claxonneren wordt opgetreden, maar tot dusverre zonder het door hem gewenste resultaat. Omdat de politie, en daarmee de overheid, niet optreedt tegen deze vorm van mishandeling, ziet verdachte zich genoodzaakt om daar zelf actie tegen te ondernemen. Verdachte acht zijn acties, waaronder de in deze zaak aan hem ten laste gelegde handelingen, gerechtvaardigd.

Voor zover verdachte met deze stelling een beroep heeft willen doen op het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid, verwerpt het hof dit verweer. In de eerste plaats is niet aannemelijk geworden, dat door automobilisten in zijn straat onnodig en in strijd met geldende regels wordt geclaxonneerd. Verdachte heeft verklaard dat hij het veelvuldig claxonneren ervaart als (poging tot) mishandeling. In dit licht bezien zijn de onderhavige aan verdachte verweten handelingen naar het oordeel van het hof geen redelijk middel om dit gestelde onrecht te bestrijden, temeer omdat aan hem andere, legale middelen zoals het zoeken van publiciteit ten dienste staan om het door hem gewenste doel te bereiken.

Nu ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht, acht het hof verdachte strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het beschadigen van een tweetal auto's die toebehoorden aan anderen dan aan verdachte. Aldus heeft hij inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van die anderen.

Bij het bepalen van de straf heeft het hof rekening gehouden met een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 januari 2009, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld.

Het hof heeft daarnaast rekening gehouden met de omtrent verdachte uitgebrachte rapportage van de Reclassering Nederland d.d. 19 juli 2007, en met de draagkracht van verdachte, voorzover daarvan is gebleken.

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte er blijk van gegeven weliswaar inzicht te hebben in de onjuistheid van zijn handelen, maar aan de andere kant heeft verdachte aangevoerd dat hij zijn eigen handelen gerechtvaardigd acht. De kans op herhaling moet in verband hiermee aanwezig worden geacht.

Gelet op het voorgaande acht het hof bestraffing in de vorm van een geheel voorwaardelijke geldboete passend en geboden.

Benadeelde partijen

Uit het onderzoek ter terechtzittingen van het hof is gebleken, dat [benadeelde 1], wonende te [woonplaats] en [benadeelde 2], wonende te [woonplaats], zich in het geding in eerste aanleg als benadeelde partij hebben gevoegd, en dat hun vorderingen in eerste aanleg geheel zijn toegewezen tot respectievelijk een bedrag van € 586,87 en € 1.250,72. Derhalve duurt de voeging ter zake van hun gehele in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Het hof overweegt dat aannemelijk is geworden dat voormelde benadeelde partijen rechtstreeks schade hebben geleden ten gevolge van de bewezen verklaarde feiten. Ten aanzien van [benadeelde 1] is dit € 586,87 en ten aanzien van [benadeelde 2] € 1.250,72. Verdachte heeft de hoogte van die vorderingen niet weersproken. Het hof zal daarom de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] toewijzen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partijen gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof zal voormelde bedragen tevens toewijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 36f (oud), 57 (oud), 63 (oud) en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van tweehonderdzestig euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijf dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

beveelt, dat de geldboete niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 1], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van vijfhonderdzesentachtig euro en zevenentachtig cent;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij,[benadeelde 2], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van duizend tweehonderdvijftig euro en tweeënzeventig cent;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partijen gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van vijfhonderdzesentachtig euro en zevenentachtig cent ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van elf dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van duizend tweehonderdvijftig euro en tweeënzeventig cent ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde 2], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijfentwintig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermelde bedragen, de verplichting om te voldoen aan de vorderingen van de benadeelde partijen komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partijen heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. K. Lahuis, voorzitter, mr. O. Anjewierden en mr. G.J. Niezink, in tegenwoordigheid van mr. A. Meester als griffier, zijnde mrs. Lahuis en Niezink voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

- 7 - 24-001489-08